Zijn vingers volgen de lijnen van het bot, voelen de kartelranden van het gebit, glijden de oogholte in en voelen het dauwvocht dat zich verborgen houdt voor de zon. Zachtjes spreekt de man die in een doos op het kerkhof woont de woorden uit die de beeldhouwer onder het macabere reliëf in de kerkhofmuur heeft uitgehouwen.
‘Memento mori.’
De afbeelding – een doodshoofd dat rust op twee kruiselings geplaatste beenderen – is aan de binnenkant van de muur, naast de kerkhofpoort, aangebracht. Wie de begraafplaats verlaat, in rouw of niet, kan niet om de waarschuwing heen. Het is niet het enige ornament in de eeuwenoude muur. Aan de binnenkant van de zuidmuur is in dezelfde reliëftechniek een kruisweg aangebracht. De kleuren zijn vervaagd, alleen een zacht blauw heeft op een enkele statie zon, wind en regen weerstaan. De andere staties zijn verbleekt. Bij hard zonlicht tekent de schaduw de lijnen van een kruis dat wordt meegetorst. Hier en daar zijn de figuren onherkenbaar geworden, hun profielen en gewaden weggesleten door de wind die niets en niemand ontziet.
Het voorjaar heeft een lange strijd gevoerd; dagen waarop de zon zich moedig urenlang als haar strijdmakker heeft getoond, werden ’s nachts onbarmhartig door de vrieskou de vergetelheid ingedrukt.
De man die in een doos op het kerkhof woont heeft zonder woorden een extra deken aanvaard van het schuifelende vrouwtje. Hij had het weifelen van haar lichaam gezien, hoe het in haar schouders had vastgezet, haar het omkeren moeilijk maakte. Ze had willen spreken, maar hij had zijn hoofd afgewend en was verdwenen in zijn grot van karton.
Nu staat hij voor zijn behuizing. De doos – het logo en de merknaam doen vermoeden dat het ooit de verpakking van een buitenmaats diepvries is geweest – past precies in de holle ruimte van het hoge familiegraf. Het gedenkteken, een kleine kapel, staat in het centrum van een cirkel van graven waaronder de door konijnen aangevreten beenderen van notabelen schuilgaan. Zonder de beschutting van het graf had de man die in een doos op het kerkhof woont de winter, die zich eindelijk terugtrekt, hoe aarzelend ook, niet overleefd. Daar had hij gelegen, dood op een notabelengraf.
De man die in een doos op het kerkhof woont trekt aan het ijzerdraad dat een diepe voor heeft gesneden in het nekvel van het konijn. Het beest heeft in zijn stervensnood verwoed aan het strikje getrokken. Zijn kopje ligt in een plasje gestold bloed, de bolle konijnenogen kijken voorbij de man, naar iets achter hem, naar een leegte die vol is van zichzelf.
Met de mouw van zijn jas veegt hij het ijzeren strikje schoon en zet het behoedzaam terug in het konijnenspoor dat tussen twee stammetjes van de laurierhaag doorloopt. Om de twee, drie dagen is het raak.
Straks zal het vrouwtje uit het roodgedekte huisje tegenover het kerkhof haar geruite pantoffels aantrekken en de straat oversteken. Het kleine beheerderspoortje zal krakend opengaan en behoedzaam zal ze tussen de zerken door schuifelen. Hij zal haar zwijgend het stijf geworden kadaver overhandigen en het pannetje lauwe soep, gewikkeld in een grauwe theedoek, van haar overnemen.
Nu staat hij voor het graf. In zijn hand, losjes, het dode konijn dat hij aan de achterpoten vasthoudt. Uit de snee in de hals welt nieuw bloed op. De druppels verdwijnen in een grauw restje sneeuw dat zich in de schaduw van de zerk van het graf ernaast verborgen houdt voor het januarizonnetje.
Daar staan de letters. De man die in een doos op het kerkhof woont gebruikt voor de tweede keer die dag de mouw van zijn jas. Hij bukt zich en wrijft ermee langs het koude marmer. Het vocht en vuil laat los van de goudbeschilderde inscripties. Dan recht hij zijn rug en zet twee stappen naar achteren. Hij keurt de steen voor hem, aandachtig, en merkt niet dat onder zijn voeten een plastic bloemenkorfje bezwijkt.
‘Het sneeuwt’, zegt de man die in een doos op het kerkhof woont.
Niemand die hem hoort.
Hij slaat de flap van zijn kartonnen behuizing verder open en kruipt naar buiten. De vlokken waaien hem om het hoofd. Ze blijven plakken aan zijn lippen en hij proeft de sneeuw in zijn keel die hem kokhalzen deed, een halve eeuw geleden, na een glijpartij van de dijk voor zijn geboortehuis, in de halfronde kuip van de kinderwagen waarvan het onderstel met de wielen in de zomer al was gebruikt voor een skelterrace vanaf diezelfde dijk, toen zijn zelfgemaakte slee die zoveel bewonderende blikken had gevangen op weg naar boven, over de kop gleed, niet tussen de twee weipalen zoefde zoals elke andere slee, maar tegen een ervan tot stilstand kwam, hem eruit kieperde, zijn hoofd die de paal raakte en daarna de sneeuwhoop, die zijn schreeuw abrupt dempte, zijn mond, neus en keel vol sneeuw perste. ‘Twee weken plat’ zei de huisarts die een hersenschudding constateerde . De veertien dagen waarin een afkeer voor sneeuw was gegroeid die met elke blik die hij vanuit het huisje tegenover de dijk op de spelende massa had geworpen, was toegenomen. Gegroeid als een sneeuwen bal van diezelfde dijk gerold.
Hij steekt de kraag van zijn jas op en doet twee, drie stappen naar rechts. Zijn water doet het dunne witte kleed van de conifeer bruisend smelten en verklapt het bruin van het zieltogende boompje. Ooit was het groen. Sinds hij tegen één kant van de conifeer zijn ochtendurine loost, groeit een bruine korst omhoog.
‘Het sneeuwt’, zegt hij nog eens ongehoord. Hij laat zijn blik over de dodenakker gaan. Zelfs de verzakte zerken lijken zich met de sneeuwlaag verzoend te hebben. Opgedirkte actrices, hun groeven onder een dikke laag schmink verstopt, denkt de man die in een doos op het kerkhof woont. Maar hij kan niet ontkennen dat ze er beter uitzien vandaag, de grafstenen. Dat ze de treurigheid die hem aantrekt vandaag onder dat laagje schmink verscholen houden. De voetstappen van de dood onder een vals maagdenkleed verstopt.
Hij draait zich om. Ziet zijn voetstappen in de sneeuw. Keert in hetzelfde spoor terug naar zijn doos, kruipt naar binnen en trekt de flap achter zich dicht.
Zeker, het Roepaen Festival (10 oktober, Ottersum) had veel kwaliteit in huis. Buitengewoon verrast door de muzikaliteit van Peter Broderick, door de effecten van het ingenieuze gepiel met zijn live opgenomen samples die in de kapel van Roepaen zo goed tot hun recht kwamen. Genoten van de bijna Calexicoklanken (met blazers had het er een heel eind op geleken) van het Nijmeegse Okieson – de helft van de band bestond uit invallers: als dit het B-elftal is, hoe speelt dan wel niet het eerste team? Me in de jaren zeventig gewaand bij het geëngageerde, onopgesmukte optreden van Otis Gibbs. Aangestoken door de aanstekelijkheid van de vier lefgozers van Headwater – wanna be a freigh train bebe yeah! – en me laten bezweren door de dromerige trollenmuziek van het Zweedse Thus Owls. Het festival zakte hooguit wat in bij het een na laatste optreden, dat van het zeer in zichzelf gekeerde, ja zelfs autistisch overkomende Horse Feathers. Maar Eilen Jewell, waar ik eigenlijk voor kwam, maakte met haar drie men in black alles weer goed. Haar gig was, van Sea of Tears tot haar tribute to Loretta Lynn top.