Weekwoord

De taalrubriek Weekwoord – een column waarin een actueel woord of begrip uit de afgelopen week etymologisch op lichte wijze werd verklaard – verscheen tussen 2000 en 2004 in de zaterdagbijlage van De Gelderlander.

Advocaat

 

Sint Ivo zal zich van de week in zijn graf hebben omgedraaid. Als-ie al niet dolgedraaid was. De beschermheilige van de advocatuur zag het ambt dat hij in de dertiende eeuw zo gloedvol uitoefende wat van zijn glans verliezen. Spong en Hammerstein kregen nul op het rekest: er komt vooralsnog geen zaak tegen politici en journalisten die zich weinig vleiend over Fortuyn hebben uitgelaten. Vele vakbroeders zijn het niet met het weledelgestrenge duo eens, de Fortuynbroers en het LPF-bestuur blijken geen opdrachtgever te willen zijn en toch gaan de advocaten in beroep. Eigenwijs en vasthoudend zijn ze. Zal wel een goede eigenschap zijn, maar het vertroebelt het wereldbeeld een beetje.

Een advocaat is van oudsher iemand die een ander bijstaat tijdens een rechtszitting. Maar het begrip heeft eeuwenlang ook ruimere betekenis gehad: ten tijde van de latere beschermheilige, priester Ivo Hélory (1253-1303), was het behalve iemand die opkwam voor de armen en hulpelozen (pro deo, voor God, oftewel gratis, zoals het een goed geestelijke betaamde) ook een functionaris die de bisschop ter zijde stond in de uitoefening van diens wereldlijke rechten en plichten. Want hun stand verbood het bisschoppen deze zaken zelf te verrichten en daarom hadden zij deze advocati episcopi in dienst. Ook Jezus wordt wel als advocaat gezien, hij die voor Gods troon voor de mensheid opkomt: “Vader, vergeef het hen, zij weten niet wat ze doen.”

Iemand die er genoegen in schept steeds het slechte van een zaak te benadrukken of in de rol van een tegenstander kruipt, noemen wij wel een advocaat van de duivel. Ook voor die term zijn we schatplichtig aan het idioom van de katholieke kerk. Officieel is de advocatus diaboli degene die in Rome, daartoe speciaal aangezet, bedenkingen uit als er iemand heilig verklaard wordt. Zijn de wonderen die de aanstaande heilige worden toegedicht wel degelijk door hem of haar verricht?

Een roomser weekwoord is dus nauwelijks denkbaar en daarom verbaast het niet dat wij voor de oorsprong van het woord bij het Latijn moeten zijn. Ad-vocare, in de betekenis van ‘te hulp roepen’, zal aan de basis hebben gestaan. Vocare is behalve roepen ook luid noemen, voordragen. U herkent ook het woordje vocaal en wie zich vocaal niet goed weet te uiten kan maar beter geen advocaat worden. Behalve slimheid en gewiekstheid is het toch vooral welsprekendheid die van een gewoon advocaat een succesvol advocaat maakt. En een veelgebruikte stem moet uiteraard goed gesmeerd worden. Daar schijnt een zeker borreltje een goede naam aan overgehouden te hebben.

Beurs

(28 september 2002)

Als het goed gaat met de economie en de overheid vrijmoedig diep in de rijksbeurs  tast, komt al gauw het waarschuwende vingertje van de directeur van De Nederlandsche Bank op tv. ‘Ho, ho, pas op de plaats met die uitgaven. Straks gaat het minder en krijgen we weer een tekort!’ Nu de nieuwe regering de neergaande economie aangrijpt om flink te bezuinigen en de matigheid te prediken, zegt meneer Wellink dat het allemaal wel meevalt, dat we niet moeten somberen en dat meneer Balkenende het veel te tragisch inziet. Het is ook nooit goed. Zal wel met het consumentenvertrouwen te maken hebben. Eén ding is zeker: de beleggers vertrouwden deze week meer op de premier dan op de directeur. De koersen op de beurs kelderden met een snelheid waar de eind vorige week op hol geslagen personenlift jaloers op zou zijn.

De beurs, de koopmansbeurs, heeft slechts in de verte iets van doen met de beurs waar onze voorouders hun kleingeld in meedroegen, dat lederen kleinood dat wij portemonnee noemen. Voor de naamgeving van de plek waar in aandelen wordt gehandeld, moeten we terug naar het Brugge van de veertiende en vijftiende eeuw. Brugge was hét handelscentrum van West-Europa. De Vlaamse stad had nog een open verbinding met de zee en van heinde en verre stroomden de kooplui toe. Italianen, Duitsers, Portugezen, Engelsen en wat al niet meer kwamen bijeen om te handelen in diverse producten, maar voornamelijk in textiel. En waar logeerden zij, deze buitenlandse gasten? Veelal in het hotel van de familie Van der Beurse, een familie die zich ook bezighield met makelaardij. Het wapen van de familie, drie geldbeurzen, hing boven de deur. Het huis was gelegen aan een plein en langzamerhand werd dat dé handelsplek van Brugge: het beursplein. Uiteindelijk werd voor sommige Europese handelaren het verblijf in Brugge zo lucratief, dat ze zich er permanent met een handelsdelegatie vestigden. De Venetianen bijvoorbeeld kochten een huis pal naast het familiehotel en noemden dat huis Ter Ouder Buerse.

Het zakje waar muntgeld in werd bewaard, heet al veel langer beurs. Het dankt zijn naam aan het materiaal waarvan het was gemaakt, leer, dat de oude Grieken met byrsa aanduidden. Van veel jongere datum is dat andere begrip: beurs in de betekenis van ‘week, zacht van binnen’. Vooral fruittelers zijn er allergisch voor want een beurse vrucht is overrijp. Vermoedelijk is het begrip afgeleid van woorden als bor(t) en boort waar een persing in het lijf mee werd aangeduid en die weer verwant zijn aan (op)borrelen . Wie wel eens buikziek is, weet wat wordt bedoeld.

Bisschop

(20 januari 2001)

Het Vaticaan is stuurloos, zei de Bredase bisschop Muskens vorige week. Hij wil dat de bisschoppen bij elkaar komen om zich uit te spreken over de manier waarop de rooms-katholieke kerk nu wordt geleid. Eenvoudige stervelingen als wij zien slechts hoeveel moeite de paus zich moet getroosten om, met steun van zijn bisschopsstaf, zich staande te houden tijdens zijn verschijningen in het openbaar. Maar blijkbaar is die weinig verheffende vertoning exemplarisch voor de huidige kwaliteit van de curie, de kerkelijke leiding in Rome. Hoewel de huidige commotie ook aan de gedrevenheid van de Bredase bisschop kan liggen; zijn opmerkelijke uitspraken halen regelmatig onze kolommen.

Bisschop is één van de vele Latijnse leenwoorden waarmee de kerkelijke functionarissen worden aangeduid. Van abt tot vicaris, van abdis tot prior, van apostel tot paus. Bisschop (episcopus in het kerklatijn) is snel na de kerstening van de Germanen uit het Latijn overgenomen, maar de oorsprong is Grieks: episkopos, wat opzichter betekent. Het fraaie woord heeft in de lage landen te lijden gehad onder de erosie van de tijd: de beginletter is verdwenen, de p is langzaam een b geworden.

In de kerkelijke organisatie neemt de bisschop een belangrijke plaats in. Aan het hoofd van een kerkprovincie staat een aartsbisschop (aarts: eerste in rang). Rome ziet Nederland als de kerkprovincie Utrecht; de aartsbisschop zetelt in het gelijknamige aartsbisdom.  We kennen verder de bisdommen Groningen, Haarlem, Rotterdam, Breda, Den Bosch en Roermond. De bisschop is een zware taak toebedeeld. Als opvolger van de apostelen moet hij, als een goed leraar, zijn gelovigen de weg wijzen naar het Rijk Gods. Wie kijkt naar de nogal uiteen liggende opvattingen van de Nederlandse bisschoppen, kan niet anders constateren dan dat de routebeschrijving kwijt is. Ook al leiden er veel wegen naar Rome.

Eenvoudig is de functie niet; behalve de ethische kwesties waarover de bisschop geacht wordt zich regelmatig uit te spreken, kampt hij ook met een krimpende kudde. En dan is er nog de verleiding van de naar hem genoemde wijn. In sommige streken wordt die op oudejaarsavond nog gedronken. Bisschopswijn is een warme, rode wijn waaraan kruidnagelen en kaneel zijn toegevoegd. De drank is vroeger zo genoemd omdat die zo heerlijk was, dat die een bisschop waardig zou zijn.

De bisschop kan zijn neus beter maar niet te diep in de wijnbeker steken. Want Beëlzebub aast op zijn schaapjes. “Als de bisschop een priester wijdt, wijdt de duvel een pastoorsmeid”, zo leert ons een Brabants spreekwoord. De bisschop uit het Brabantse Breda kent het vast.

Bom

(13 oktober 2001)

De bom heeft zich in vele varianten in onze taal genesteld. In zijn meest onschuldige vorm zit hij zuur te wezen in een glazen potje of krijgt de lachers op zijn hand in een reclamespotje (“Nog zó gezegd: géén bommetje!”). Daartegenover staat de meest gruwelijke vorm, die  sinds 1945 zoveel respect heeft afgedwongen dat het gebruik van hoofdletters en een accentteken gerechtvaardigd is: Dé Bom. Een giftiger paddestoel kennen we niet en als hij valt, komen we aan honderdduizend lijkenzakken nog tekort.

Bom. Terwijl duizenden Afghanen dekking zoeken in de stoffige spleten en spelonken van hun land, noteert uw weekwoordredacteur dat bom een van die gezellige woorden is die hun naam te danken hebben aan het geluid waarmee ze verbonden zijn. Bom is een onomatopee, een klanknabootsende naam. Zoals een koekoek koekoek heet omdat hij koekoek roept, en kieviet kieviet, zo heet een bom een bom omdat het geluid dat klinkt wanneer hij ontploft, er zo op lijkt. Boem! Daarom noemen de Fransen het bombe, de Italianen bomba, noemden de Romeinen het lang geleden bombus en hadden de Grieken het nog langer geleden over bombos (gedreun, dof geluid).

Er loopt zelfs een kever rond, de Brachinus crepitans, die bombardeerkever heet. Het beest heeft zijn naam te danken aan het feit dat hij zijn vijanden met een duidelijk hoorbaar geluid een blauw stinkende damp toespuit.

Een hol, metalen, met brand- of springlading gevuld projectiel, afgeschoten of uit een vliegtuig neergeworpen. Of een bus, koker of doos met dynamiet gevuld, met een misdadig doel geworpen of heimelijk neergezet. Dat zijn de bommen, keurig omschreven in het woordenboek, waar we het eerst aan denken, zeker in zo’n oorlogsweek als deze. Maar er zijn ook vrolijke verwijzingen. Een bom duiten bijvoorbeeld is niet te versmaden. En als de bom is gevallen bij de Staatsloterij, hoeven we ook geen dekking te zoeken: we hebben het dan over de hoofdprijs.

Dan is er nog de bom die spreekwoordelijk kan barsten. Die is weliswaar explosief van karakter, maar heeft niets met wapentuig van doen. Het is de oude benaming voor de schijfvormige stop van een vat. Als er een barst in zo’n stop kwam, stond het vat op ontploffen.

Met twee moderne bommen blazen we dit verhaaltje uit. De eerste is er een voor liefhebbers en zij noemen het liefkozend een bommetje: het is een dosis speed, in een vloeitje gevouwen, bestemd om ingeslikt te worden. De tweede is er een waar fervente e-mail’ers een broertje dood aan hebben: de mailbom. Dat is een immens groot bericht per e-mail gestuurd of een groot aantal berichten tezamen die het netwerk van de ontvanger compleet overstuur maken. Een ravage is het gevolg, maar wel een zonder bloedverlies. Het overwegen waard.

Campus

(23 november 2002)

Er verdwenen eerder kinderen uit Vught. Het waren er 1800 om precies te zijn. Ze reisden naar Sobibor en 1269 van hen keerden nooit meer weerom. Ze waren joods.

Zij verbleven in Konzentrationslager Herzogenbusch, een interneringskamp van de SS.

Deze week verdwenen er vijf jonge asielzoekers uit Campus Vught. Is een kamp geen kamp als je het campus noemt? Omdat we zoveel Amerikaanse films hebben gezien waarin studenten op een campus van een universiteit wonen, flirten en feesten, kortom plezier maken? Toch ervoeren de nieuwe bewoners van de kersverse campus in Vught het veel meer als een kamp dan als een vrolijk schoolplein, zo blijkt wel uit het feit dat de meeste jonge asielzoekers (ama’s) de benen hebben genomen. Het uniform beu, de strenge regels, het rook- en alcoholverbod, het verplichte onderwijs beu, maar vooral het uitzicht beu. Niet dat van de weldadige Vughtse bossen, maar dat op de toekomst: uitzetting.

Natuurlijk begrijpen we wel waarom we de voormalige Isabellakazerne in Vught, waar het uitzet-voorbereidings-centrum voor jonge asielzoekers is gevestigd, geen kamp mogen noemen. Vught en kamp in één adem genoemd, dat is hoe dan ook een negatief beeld. In een kamp in Vught zaten joden en tegenstanders van de nazi’s gevangen. In een kamp in Vught hielden we na de oorlog collaborateurs weg van de samenleving en in een kamp in Vught parkeerden we zolang Molukkers die ooit zouden terugkeren.

Campus, inderdaad dat is Latijn. In oorsprong was een campus een vlakte, een terrein. Op zo’n terrein werd geëxerceerd door de Romeinse legionairs, er werden verkiezingen gehouden en er werd gestreden. De militaire toepassing ging overheersen en zo burgerde het woord langzaam in als de plaats waar de legers verblijf hielden. Campus werd vernederlandst tot kamp en dat kreeg de betekenis legerplaats. Terwijl het ook als strijdplaats betekenis bleef houden. Hoewel minder gebruikt, verstaan we onder kamp ook nog steeds een strijd, een tweestrijd vooral. En wie de strijd wint, noemen we kampioen. Het grappige is dat het Latijnse woord geheel uit het Nederlands is verdwenen, maar via het Engels weer terug lijkt te keren. In die taal heeft het woord, als vorm ook ongewijzigd, de betekenis van vlak terrein gehouden en wordt het alleen nog gebruikt voor de aanduiding van een terrein bij een universiteit en alle gebouwen die erbij horen.

Grappig. Als eufemisme voor kamp is het buitenlandse woord weer welkom in de lage landen. Het hoeft niet eens asiel aan te vragen.

Cement

(23 oktober 2004)

Tranen in Maastricht. De ENCI gaat rigoureus inkrimpen en zet 220 mensen op straat. Hier en daar ook een stil, vanwege de persoonlijke consequenties niet al te triomfantelijk juichen: de diepe wonden in de trotse Sint Pietersberg worden vanaf nu niet dieper. Het milieu als overwinnaar en niet eens bedoeld. Het is de Duitse eigenaar van de ENCI die de stekker eruit trekt; de concurrentiestrijd binnen de Duitse cementindustrie eist zijn tol.

ENCI, dat staat voor Eerste Nederlandse Cement Industrie. Het bedrijf zet jaarlijks 3,5 miljoen ton cement af en is met ruim 50 procent marktleider in Nederland. In de drie Nederlandse bedrijven werken nu nog 660 mensen. Alhoewel ook de bedrijven in IJmuiden, Rotterdam en Den Bosch arbeidsplaatsen inleveren, vangt de Maastrichtse vestiging de grootste klap op. Dat is logisch, want daar, aan de voet van de Sint Pietersberg, ligt het hart van de cementproductie. Daar wordt de kalk gewonnen die het belangrijkste bestanddeel van de cement vormt.

Cement is al eeuwenlang een belangrijke grondstof voor de bouw en wij danken de naam aan het volk dat met bouwen raad wist als geen ander: de Romeinen. Zonder cement zouden het Forum Romanum in Rome of het amfitheater in Verona allang verleden tijd zijn. De kunst van het cement maken is overigens een tijdlang vergeten geweest. Na de val van het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw werd de techniek vergeten om pas in de zeventiende eeuw herontdekt te worden.

Wat wij nu cement noemen, heette in de Middeleeuwen ciment. De Fransen noemen het nog zo. Het voert terug naar het Latijnse caementum. Daarmee werd steenslag aangeduid, kleine stukjes steen die werden gebruikt in de specie waarmee stenen aan elkaar werden geklonken. Caementum is weer afgeleid van het werkwoord caedere, dat hakken of houwen betekent. In dat werkwoord herkennen taalhistorici de stam (s)k(h)a (betekenis: slaan) uit de moedertaal waar veel Europese talen uit zijn ontstaan: het PIE (Proto Indo Europees). Een taal die is gereconstrueerd, waarvan we alleen kunnen vermoeden dat die ooit is gesproken. De betekenis van caementum of cement is sinds de Romeinen enigszins geëvolueerd van ‘kleine stukjes steen’ tot ‘steenpoeder gebruikt in constructies’.

Het breken van steen staat ook vandaag de dag nog niet zo ver af van het grijze poeder dat in bruine zakken bij de bouwmarkt ligt opgetast. Kijk maar naar het productieproces van cement: eerst wordt kalksteen gewonnen (in de ENCI-groeve), die wordt vervolgens gebroken en gezeefd en gemengd met diverse oxides. Dan wordt het goedje in een oven van circa 18000 graden verhit tot het er als een klinker weer uitkomt. Die klinker wordt uiteindelijk opnieuw gemalen en gezeefd. Dus net als bij de Romeinen wordt er nog steeds gehouwen en gehakt.

Cement is enkel materie. Maar wie de met ontslag bedreigde Limburgers op tv hoort, ontdekt dat het goedje wel degelijk emotie oproept. De Vlaamse dichter Herman de Coninck (1944/1979) kon dat ook met cement. In het gedicht Tanzania, Serengeti-park gebruikt hij de grondstof heel treffend in een metafoor over olifanten: “De ontroering dat er in al die slobberbroeken gewoond wordt./Dat cement oogjes heeft om mee uit die ontzaglijkheid te kijken”

Dementie

(16 maart 2002)

Elke morgen rond de klok van tienen zette tante zich aan een tafeltje langs het raam. Steevast meldde zich even later een andere bewoonster van het tehuis. “Goedemorgen mevrouw,” zei die dame dan en tante, net zo beleefd, groette de onbekende mevrouw steeds keurig terug. Elke dag opnieuw ontmoetten zij elkaar voor het eerst. De een was mijn tante en de ander… ook. Ooit waren zij zussen. Totdat meneer Alzheimer op de stoep stond.

Als de Gezondheidsraad gelijk krijgt, zal het aantal dementen de komende vijftig jaar verdubbelen tot ruim 400.000 mensen. Al die vergeetachtige mensen moeten verzorgd worden en daarom moeten er meer tehuizen en meer verzorgers komen, zo werd deze week bekend. De situatie is weinig rooskleurig; ze zullen zich echt niet allemaal zo kalm en berustend in hun onwetendheid gedragen als mijn tantes zaliger. Vooral de overgangsperiode tussen niet en volledig dement schijnt voor patiënt en omgeving geen pretje te zijn.

Dementeren komt van het Latijnse demens. Mens, mentis is Latijn voor geest, verstand en het voorvoegsel de- betekent dat we uit mogen gaan van het ontbreken van wat volgt. Demens is dus letterlijk: zonder verstand, onzinnig, het verstand verloren. Vergeetachtigheid in extreme mate, dat is het meest duidelijke symptoom van deze kwaal. Er zijn verschillende oorzaken, maar de meest voorkomende is de ziekte van Alzheimer, genoemd naar de ontdekker.

Vroeger werd het gezien als een onontkoombaar gevolg van de ouderdom. Pas de laatste decennia wordt dementie als een aandoening beschouwd waarvoor diverse oorzaken bestaan en wordt er ook gespeurd naar middelen om de kwaal te voorkomen. Vorig jaar maakten Canadese onderzoekers bekend dat vaccinatie tegen difterie en tetanus het risico op het krijgen van de ziekte van Alzheimer met 60 procent zou verlagen. Inenting tegen polio zou datzelfde effect hebben met 40 procent en een jaarlijkse griepprik is goed voor 25 procent .

Kauwgumfabrikanten zullen liever de resultaten van een Japans onderzoek omarmen. Japanners ontdekten dat wie zijn geheugen goed wil houden vooral veel moet kauwen. Dat stimuleert de hippocampus, een deel van de hersenen dat stress controleert. Zonder stress blijft het korte-termijngeheugen langer intact.

Als u toch aan het kauwen slaat, wil dan ook eens proberen te onthouden dat dementie, ook al dreigt dat te versloffen, nog steeds de klemtoon heeft op men en niet op tie.

Deugniet

(18 december 2004)

Noem me gerust een deugniet, zo sprak iemand deze week over zijn graf heen, maar dat wil nog niet zeggen dat ik niet deug. Een deugniet, dan denk ik aan  Ciske de Rat, Pietje Bell, Ratje, Kruimeltje, Hielke Klinkhamer, Sietse Klinkhamer, Arie Roos, Bob Prins, Bob Evers, Huckleberry Fin, Tom Sawyer, Oliver Twist, Bill Sikes, Monks, The Artful Dodger, Charley Bates, Stan Laurel, Oliver Hardy, Charly Chaplin, But Abbott, Lou Castello, Terry Jones, Graham Chapman, John Cleese, Eric Idle, Terry Gilliam, Michael Palin, Frank Spencer, Pipi Langkous, de Baron van Münchausen, Giacomo Casanova, Boer Koekoek, mr. J.D. Lier, Van Binsbergen, Kerstens, Kamphuijs, Fritz the Cat, Kwik, Kwek, Kwak, Guus Geluk, Guust Flater, Suske, Wiske, Lambiek, Swiebertje, Snuf, Snuitje, Lowieke de Vos, Rokus de Vrije Vogel, Sjefke Schelm, Eucalypta, Ome Willem, Erik Engerd, Gerrit, de opa van Gerrit, een vagebond die sprak van liefde, ’t oud verhaal, Grote Pier (Greate Pier), Huib Luns, Ludo Sanders, Sus Antigoon, Dirk Jan, Johnnie Flodder, Kees Flodder, Arend Berend Drevenhaven, Matroos Vosch, J.R. Ewing, Fokke, Sukke, Sjef van Oekel, Barend Servet, Heinrich Wladimir Albrecht Ernst (hertog van Mecklenburg, vorst van Wenden, Schwerin en Ratzeburg, graaf van Schwerin, heer van de landen Rostock en Stargard), Judas Iskariot, F. Jacobse, Tedje van Es, Dirk, Koos Koets, Robbie Kerkhof, Kortjakje, Charles Schwietert, Bill Clinton, Willy Claes, Rob Oudkerk, Cees van der Hoeven, Mohammed Said al-Sahaf, Christiaan Antonius Lindemans, Marijke Huisman, Don Vito Corleone, Ronnie Biggs, Joe Dalton, Jack Dalton, William Dalton, Averell Dalton, Phil IJzerdraad, Billy the Kid, the Sundance Kid, Calamity Jane, Bonnie Parker, Clyde Barrow, Chico Marx, Harpo Marx, Groucho Marx, Gummo Marx, Zeppo Marx, The Joker, kapitein Nemo, Tijl Uilenspiegel, Ali Baba, Reynaert de vos, Forrest Gump, Jan Cremer, Han van Meegeren, Tjerk Vermaning, Puck, the blind commissioner, Wipneus, Pim, een grote snoeshaan die een glazen ei legt, Draco Malfidus, Xander de Buisonjé, Kapitein Haak, Pierlala, Coremans de Rapaljaan, mr. Willem Aantjes, Adriaan van Dis, zo’n meneer, stijf als een houten plank, Louis Dega, Enrico Salvatore ‘Ratso’ Rizzo, Louie De Palma, The Grinch, Alexander deLarge, Jack Sparrow, Jeb Bush, Emir Ben Kalish Ezab, Michel Pollentier, Jerome Young, Luc Leblanc, Calisto Tanzi, The Lieutenant, Pinokkio, Max, Moritz, de broer van Maggie, Buddy Joe, Harold Lloyd, George Formby, W.C. Fields, Buster Keaton, Irene Maks-Van Veen, Philomena Bijlhout, Roel in ’t Veld, A.J. Evenhuis, J. Smallenbroek, Sidney van den Bergh, Ferdinand Bardamu, Guy Fawkes, Moll Flanders, Robin Hood, Broeder Tuck, Jim Dixon, Oskar Matzerath, Long John Silver, James McGreevey, Alain Juppé, Richard M. Nixon, Heer Jan van Breda, bisschop Kurt Krenn, John Dennis Profumo, David Beckham, Boris Becker, Leopold III, Dik Trom en, inderdaad, ook aan Bernhard Leopold Frederik Everhard Julius Coert Karel Godfried Pieter van Lippe-Biesterfeld, Prins der Nederlanden.

Dood

(15 maart 2003)

Dood is een mooi thema voor een Boekenweek waarin honderdduizenden kippen en een Servische premier worden gedood. De eindigheid van het leven, de enige zekerheid die het leven zelf te bieden heeft, is thema van zovele boeken dat het gerust een raadsel mag heten dat het zolang heeft geduurd voordat het als rode draad van de nationale boekenpropagandaweek werd gepresenteerd.

De dood komt in vele gedaanten, zo heet het, maar in net zoveel gedaanten houdt hij zich schuil in de jungle van onze taal. Houd ik mijn rechtermuisknop ingedrukt, dan schudt mijn tekstverwerkingsprogramma er in een fractie van een seconde acht synoniemen uit: gestorven, geveld , kassiewijlen, koud, ontslapen, ontzield, einde en heldendood. Een magere oogst slechts, want we spreken nog op zoveel andere manieren over verscheiden, de hoek omgaan, naar de eeuwige jachtvelden vertrekken, hemelen, Magere Hein tegen het lijf lopen, tussen zes planken de deur uitgaan, een houten jas aantrekken en: er groeit gras op zijn buik.

Dood, het zelfstandig naamwoord, schreven we in de Middeleeuwen nog als doot en in die vorm lijkt het nog het meest op verwante woorden uit oude en vergeten talen. Het is afgeleid van het Middelnederlandse werkwoord doyen, dat sterven betekende en het lijkt ook op het Gotische diwans (sterfelijk). Ook het Oud-Ierse duine is familie en dat stond destijds voor ‘mens’ waarmee bedoeld werd een ‘sterfelijk wezen’. Het moderne Engelse death heeft een vergelijkbare afleiding.

Synoniemen voor de dood en sterven hebben wij volop, maar daarnaast wemelt het in onze taal van de uitdrukkingen en gezegdes waarin de dood een rol, zoniet een hoofdrol, speelt. Tussen Van de doden niets dan goeds en Een doodshemd heeft geen zakken bevindt zich een uitgebreid scala van wijs- en snaaksheden. Zoals Liever blode Jan dan dode Jan, waarmee wordt bedoeld dat het beter is een lafaard te zijn dan een held die zijn heldendaad niet overleeft. Ook een aardige is: hij is de gedoodverfde kampioen. Alleen de professionals in de schilderswereld zullen nog bekend zijn met de term doodverf als synoniem voor grondverf. Degene die voorbestemd is voor het een of ander, is al voorbereid zoals een schildersdoek of kozijn al in de grondverf staat.

Niemand kan aan de dood ontsnappen, zoals de P.N. van Eyck in De tuinman en de dood al dichtte (over de tuinman die ‘s ochtends Magere Hein tegenkomt en denkt door snel te verhuizen hem kan ontlopen, maar hem ‘s avonds toch tegen het lijf loopt),  maar wat wij missen in onze taal is een woord waarmee we die onherroepelijke sterfdag, die niemand behalve de zelfmoordenaar en de ter dood veroordeelde wellicht kan voorspellen, aanduiden. Het Indonesisch heeft dat wel: adjal, het voorbestemd tijdstip van iemands dood.

De adjal van meneer Djindic, de vermoorde Servische premier, stond op de agenda voor afgelopen woensdag. Ooit kondigde een andere moord op de Balkan, 28 juni 1914, aanslag op de Oostenrijkse kroonprins Ferdinand, de adjal aan van miljoenen doden in Europa. Het zal nu zo’n vaart wel niet lopen; Magere Hein is immers gesignaleerd in Isfahaan.

Duur

(5 januari 2002)

Verontwaardigd kwam dochterlief (13) thuis van de coladisco. Twee weken geleden had ze met goed gemoed in de rij gestaan voor de eurokit. Op de avond van 1 januari was het dan zover: de felbegeerde muntjes mochten eindelijk worden uitgegeven. Het was een onwijs gave avond geweest, maar toch was ze boos. ‘Leuk zo’n  nieuw muntje, maar waarom maakt het alles zo duur!’, foeterde ze. Voor de garderobe was ze altijd een gulden kwijt geweest: nu kostte dat een halve euro. ‘Tien procent duurder!, snoof ze. De entree bedroeg voorheen vijf gulden. Tweeënhalve euro moest ze nu neertellen. En voor het drankje dat vóór 1 januari nog drie gulden kostte, betaalde ze nu één euro en vijftig cent. Makkelijke prijzen allemaal, maar stiekem was alles er 10 procent duurder op geworden. Of de onderhandelingen over het zakgeld, die we in december al tot ieders tevredenheid hadden afgesloten, konden worden opengebroken, vroeg ze, met de blos van verontwaardiging nog op haar licht opgemaakte gezicht.

Ik ken een adjunct-hoofdredacteur die er anders over denkt, maar mijn dochter is dertien dus heeft altijd gelijk: de euro maakt alles duur. Misschien is dat nodig. Misschien wordt-ie ons daardoor ook dierbaar. Want met dat begrip heeft onze betekenis van duur veel gemeen. In de middeleeuwen noemden we iets kostbaars, iets waar we aan hechtten, maar ook iets wat veel waard was, diere. Een diertijt was een periode van hongersnood, letterlijk een dure tijd. Later is de ie-klank langzaam veranderd in een uu.

De bron van het woord is niet bekend, dode talen als het Latijn en het Gotisch kenden het begrip niet. Uit het oud-Fries en het oud-hoogduits zijn wel verwante woorden overgeleverd, evenals uit het oud-Engels. De Britten kennen nu nog het begrip dear, dat behalve dierbaar ook kostbaar betekent. Herman Heijermans heeft een poging gedaan ons woord van de week eeuwigheidswaarde te geven. Ook wie zijn toneelstuk Op hoop van zegen nooit heeft gezien, kent deze wijze dooddoener: de vis wordt duur betaald.

De euro ook. Tien miljard gulden heeft de invoering ons gekost. En dan heb ik de 10 procent zakgeldverhoging waar ik niet onderuit kan nog niet meegerekend. Toch eens met de adjunct over hebben.

Enquête

(24 augustus 2002)

Vroeger viel er met enige regelmaat een kaartje in de bus. Doe mee met onze enquête en u ontvangt gratis een fraaie ballpoint! stond er met grote letters op. Of een ander fraai aangeprijsd kleinood waar je eigenlijk wel buiten kon, maar ach, het was gratis en als rechtgeaard Hollander laat je dat niet liggen. Braaf gaf je antwoord op een stuk of tien eenvoudige vragen waarvan ik me er geen enkele meer kan heugen. Behalve de laatste. Die luidde steevast: bent u al in het bezit van een encyclopedie? En dan wist je het weer: behalve een ballpoint in de brievenbus kon je binnen enkele dagen ook een vertegenwoordiger met zware koffer op de stoep verwachten met daarin deel één van een schier oneindige reeks voor de eeuwigheid en dus in bijna niet van echt leer te onderscheiden skai ingebonden naslagwerken. Weg met die kaart; weg met die enquête. Ik heb al ’n boek.

De encyclopedie is door internet een museumvoorwerp geworden, de enquête leeft echter als nooit tevoren. Elk bedrijf van naam, elk instituut en zelfs deze krant wil dolgraag van alles van u weten en de enquête, in wat voor vorm ook, is een veelgebruikt instrument.

Ik vind het een mooi woord, enquête. Ook al houd ik meer van de brave, onopgesmukte Nederlandse woorden, voor het van de Fransen geleende enquête maak ik graag een uitzondering. Komt vooral door het dakje op de tweede e, officieel accent circonflexe geheten Het maakt het typen van het woord weliswaar wat omslachtiger, maar het dwingt je wel even aandacht te schenken aan het woord. Of het even zachtjes uit te spreken, zo Frans mogelijk, die tweede lettergreep zolang mogelijk aanhoudend, net zolang totdat de geur van stokbrood en het stof van een Zuid-Frans kerkplein in de middagzon je zintuigen weer prikkelen.

Zonde dat het dakje aan het verdwijnen is. Staat zo leuk. Op de o komt het in Nederland al niet meer voor. Zône, depôt, compôte, controle en entrepôt keurt mijn spellingchecker niet meer goed.

Hoe zou je enquête trouwens fatsoenlijk kunnen vertalen? Rondvraag zou kunnen, maar dat woord is zonder scrupules ingepikt door vergadertijgers. Verhoor is eigenlijk de beste betekenis. Oorspronkelijk was een enquête namelijk voorbehouden voor een officieel onderzoek door ambtenaren of een rechter. De parlementaire enquête naar de bouwfraude, het onderzoek van de Tweede Kamer dat donderdag van start ging, komt het dichtst bij die oorspronkelijke betekenis in de buurt. Het is de zestiende keer inmiddels dat onze volksvertegenwoordiging dit zware middel van stal haalt om de onderste steen boven te krijgen. Het recht van enquête ligt sinds 1848 in de Grondwet verankerd. De eerste parlementaire enquête was in 1851 en betrof de accijns op zout. In de beginjaren greep de Kamer vaak naar het instrument. Na 1887 duurde het tot na de Tweede Wereldoorlog voordat er weer een enquête werd gehouden (1947) en sinds 1982 lijkt het een jaarlijks terugkerend festijn te worden. Er wordt in ieder geval vaak mee gedreigd. Zolang het maar geen folklore wordt. En ze van mijn dakje afblijven, bouwfraude of niet.

Europa

(26 oktober 2002)

Herodotus vroeg zich 2500 jaar geleden al af waarom de drie tot dan bekende werelddelen, Europa, Azië en Libië (Afrika), toch niet veel meer dan ordinaire landmassa’s, de namen hadden gekregen van drie befaamde schone dames uit de mythologie. Of ze het wel waard waren, vroeg hij zich af. En hoe het kwam dat niemand wist te vertellen wie ze die namen had gegeven.

Nog steeds heet ons deel van de wereld naar die klassieke dame, de prachtige dochter van de Phoenicische koning Agenor en zijn echtgenote Telephassa. En nog steeds zou je je kunnen afvragen of dit samenraapsel van landstreken, waar de laatste eeuw zoveel bloed heeft gevloeid dat, ware het rechtstreeks in de Rijn gestroomd, er geen retentiebekken aan geholpen had, wel zo’n mooie naam heeft verdiend. Nu het kruitdamp van de slagvelden is opgetrokken en ijzeren muren zijn doorgeroest, heeft het gesteggel zich verplaatst naar de regeringskamers en parlementen. En sinds deze week kruipen wij Nederlanders, ooit zulke notoire Europeanen, ineens in onze schulp.

Je zou bijna denken dat de Tweede Kamerleden van VVD en LPF, die de uitbreiding van Europa met name tegenwerken, vrezen dat Zeus, nu in de gedaante van Polen of Hongarije, opnieuw snode plannen heeft met Europa. Hoewel… deze pluchezitters zijn zelden te betrappen op enige kennis van de Griekse mythologie. Terwijl de  Klassieken, samen met Christendom en Jodendom, nog wel het fundament vormen van de door deze partijen zo bejubelde Westerse cultuur. Maar dat terzijde.

We hadden het over de schone Europa. Zeus, die scrupuleuze oppergod, had het meisje opgemerkt en was tot over zijn oren verliefd geworden. Of gewoon geil, dat kan ook. In ieder geval wilde hij haar bezitten en om haar niet af te schrikken – je zult de oppergod maar ineens op je stoep krijgen – nam hij de gedaante aan van een prachtige stier. Op het strand waar Europa met haar vriendinnen aan het spelen was, legde hij zich aan haar voeten. Europa klom op zijn rug en voordat ze er erg in had, liep hij met haar de zee in. Hij zwom naar Kreta, waar ze niet kon vluchten, en verwekte drie zonen: Minos, Rhadamanthys en Sarpedon.

Waar het woord zelf vandaan komt? Niemand die het zeker weet. Sommige taalvorsers menen dat het woord Phoenicisch is voor avondland, het land waar de zon onder gaat. Anderen denken dat er een Griekse oorsprong aan ten grondslag ligt en dat Europa oorspronkelijk ‘het donkere land’ betekent. Het lijkt erop dat zij gelijk krijgen.

Excuustruus

(19 januari 2002)

Als de eindredacteur die dit stukje onder ogen krijgt zorgvuldig is – reken maar! (red.) -, zal hij twijfelen over het kopje boven dit stukje. Is het misschien excuus-Truus in plaats van het aaneengeschreven excuustruus?. Het Groene Boekje en het Witte Boekje (dat van het Genootschap Onze Taal) steggelen er een beetje over. Laat maar staan, is mijn advies. De persoonsnaam fungeert niet als zodanig. Heeft dat ook nooit gedaan. Er heeft nooit een Truus geleefd die de twijfelachtige eer te beurt viel naamgeefster te zijn. Het rijmt gewoon lekker op excuus.

Van de week mochten we constateren dat het woord zelfs is doorgedrongen tot het toch al twijfelachtige idioom van de lijsttrekker van de rapaljepartij die Nederland leefbaar wil maken. Voor Pim – at your service – Fortuyn hoeft het niet zo nodig: vrouwen op zijn kandidatenlijst. De vrouwen die voor andere partijen in de Tweede Kamer zitten, zijn allemaal excuustruzen, zei Pim in het Journaal.

Dat was wat onbeleefd tegenover de vrouwelijke Tweede-Kamerleden, maar Pim weet waar hij het over heeft. Hij is immers zelf de grootste excuustruus die Leefbaar Nederland heeft kunnen vinden.

Excuustruus is hevig geëvolueerd, misschien wel gedevalueerd. Ooit werd het als volgt omschreven: “Een liefst allochtone, invalide, lesbische vrouw die door politici gebruikt wordt om boven 0 uit te komen op de feministische meetlat.” Overdreven natuurlijk, maar waar het op neerkomt is dit: een excuustruus is een fopspeen. Laat anderen denken dat je progressief en geëmancipeerd bent door een vrouw of een allochtoon of een homo in dienst of in een fractie te hebben. Zoals gezegd, het begrip is in waarde gedaald want wordt te pas en te onpas gebruikt. Patiëntenbewegingen die niet serieus genomen worden, voelen zich excuustruus. Dissidenten van de Vlaamse Volksunie die door hun partij gedoogd worden, voelen zich excuustruus. De studentenvakbond LSVb voelt zich excuustruus. Gehandicapten die maar een beetje inspraak krijgen, voelen zich excuustruus. Zelfs borden in Haarlem die begrip oproepen voor verkeersoverlast, worden excuustruus genoemd.

Voor de honderden lokalo’s die zich via de kandidatenlijst van Leefbaar Nederland omhoog willen werken, is inmiddels ook een term bedacht: de klimpim (of klim-Pim, zo u wilt).

Geld

(15 januari 2004)

Na de week van de inzameling kwam de week van de verdeling. Wie krijgt wat? En denken we alstublieft ook aan de ellende elders op de wereld (Congo, Darfur… de volledige lijst past niet tussen twee haakjes)? Als straks de beelden van opgezwollen lijken op tropische stranden van ons netvlies zijn gewist, moet ons liefdadig hart evenzeer geprikkeld blijven. Daar hebben vluchtelingencommissaris Lubbers en VN-coördinator Egeland van de VN gelijk in.

Ruim zes miljard valt er te verdelen. En dan nog. De 35.000 verweesde kinderen van Atjeh krijgen er hun ouders niet mee terug en de Zweden hun 3500 vermiste toeristen evenmin. Als er ook maar wat euro’s gaan naar een waarschuwingssysteem voor tsunami’s. Wat de rijke landen rondom de Stille Oceaan voor een zondvloed behoedt, verdienen de arme rondom de Indische evengoed. Kan Bill Gates – de rijkste van de wereld en desondanks even sterfelijk als een Srilankeese visser – dat klusje niet op zich nemen? De technische knobbel van de Windowsgoeroe komt er volledig mee tot zijn recht en geld speelt geen rol.

Geld. Geld maakt niet gelukkig, dat heeft het met armoe gemeen (Carmiggelt). Wie er de beroemde en minder beroemde citaten over geld op naslaat, ontdekt dat de paradox als stijlfiguur de overhand heeft. Ze horen bij elkaar, geld en tegenstelling en het is dan ook een vreemd ding van zichzelf. Het vodje papier waarop ‘honderd euro’ staat gedrukt, is nauwelijks iets waard en de girale honderd euro  op uw internetrekening nog minder. Maar je kunt er dagen van eten.

Vroeger ruilden we tien kippen tegen een varkenspoot, maar als je niet van kippen hield, moest je op zoek naar iemand die dat pluimvee wilde ruilen tegen een brood en een vat bier. Dat werd allemaal wat onhandelbaar en daarom hebben we het geld maar uitgevonden. Eerst klompjes goud en zilver en toen die vervalst werden, kwamen er platgeslagen muntjes met een waarmerk van de overheid voor in de plaats.

Laat ons dit misverstand eerst uit de weg ruimen: de betekenis van ons woord geld heeft niets van doen met de gulden (kent u die nog?). Het is verleidelijk, omdat we eerst met klompjes goud betaalden en het woord gulden zelf wel degelijk van goud (‘geelglanzend metaal’) is afgeleid. Bij de Fransen is die ontwikkeling zo klaar als een klontje: argent (zilver) werd bij hun ook de aanduiding voor geld. Maar ons woord vindt zijn oorsprong in oude cultische gebruiken. ‘Vergelding’ of ‘offer’, dat waren de oorspronkelijke betekenissen en pas later kwam daar ook die van ‘betaling’ bij. In de Middeleeuwen schreven we het nog als ghelt. Onze Germaanse taalbroeders en –zusters gebruikten eeuwen daarvoor vergelijkbare woorden: het Oudfries had het over jelt, het Oudhoogduits kende het woord gelt, de Oudengelse taalspreker had het over gield en de Oudnoorse sprekers noemden het gjald. Aan de oorsprong ligt een werkwoord: gelden (betekenis: ‘vergelden’) met als stam het Germaanse gildia. Dat betekende ‘bijdrage tot een gemeenschappelijk maal’, waarmee we niet aan een gezellige zondagavondstraatbarbecue moeten denken, maar aan een offermaaltijd ter herinnering aan de doden. In de middeleeuwen ontstond zo ook het woord gilde. Ook die broederschappen hielden nog lange tijd gildemaaltijden om de gestorven leden te herdenken.

We hadden het over ruim zes miljard, weet u nog? Misschien zijn we met onze geldelijke gaven terug bij de oorsprong. Misschien hebben we met zijn allen, onbewust, een offer willen brengen aan de ongelukkige doden. Dat we de god(en) ondertussen gunstig gestemd mogen hebben.

Gezellig

(8 december 2001)

Ze zeggen dat alleen wij het woord gezellig kennen. Onzin natuurlijk. De Duitsers hebben het gemütlich en de Britten cosy, en ze kruipen als het buiten koud wordt net zo lekker bij elkaar als wij. Heeft gezelligheid met slecht weer te maken? In zekere zin. De hang naar het tegen elkaar aan schurken lijkt steeds evenredig toe te nemen met negatieve gevoelens over gebeurtenissen buiten de gemeenschap: dreigende recessie, terroristische aanslagen, de wraak van Sharon, drie graden vorst of storm op komst. Het schijnt dat we sinds 11 september zelfs meer wol zijn gaan kopen, niet zozeer om budgettaire redenen als wel om het gezellige tik-tik van breinaalden weer te horen. En de goedheiligman heeft van de week een record aan bordspelen gereden. Als het maar gezellig wordt. Bent u trouwens al in het tuincentrum geweest? Ze wachten al weken op u.

Zijn ze in Oldenzaal gezelliger dan elders in het land? Niet echt. Maar er is wel een verband tussen de plaatsnaam en ons woord van de week. Gezellig heeft wortels in het middeleeuwse gheselle. Dat stamt op zijn beurt af van het Germaanse ga-sal-jan, hetgeen zaalgenoot betekent. Denk nu niet dat onze verre voorouders al buurthuizen, wijkcentra en andere gezellige zalen kenden. Een zaal was in die tijd geen grote ruimte, maar eenvoudig het woord waarmee een onderkomen, een huis, een onderdak werd aangeduid. Nog te herkennen in Oldenzaal, maar evengoed in plaatsnamen die eindigen op –sel.

Er is een belangrijke voorwaarde voor gezelligheid: de ander. Gezelligheid heeft alles te maken met samenzijn, met aangenaam verkeer tussen mensen, een genoeglijk samenzijn. In de loop der tijd is gezellig gedevalueerd, in waarde gedaald. We gebruiken het niet meer alleen voor avondjes rondom de haard, met een glas wijn, goede vrienden, een after eight en een spelletje euromonopoly. Ook het praatje bij de koffieautomaat of het meenemen van een lifter wordt al als gezellig getypeerd. Grote bedrijven proberen in hun reclamespotjes een sfeer van gezelligheid op te roepen zodat hun merk met gezellig wordt geassocieerd. Je kunt gezellig een sigaretje roken en als er ergens ruzie dreigt, is er altijd wel iemand die roept ‘Laten we het wel gezellig houden!’

Kennen het Arabisch en het Hebreeuws het woord eigenlijk?

Fluweel

De revolutie in Georgië wordt een fluwelen genoemd. Een omwenteling zonder bloedvergieten. Dat is goed nieuws in een tijd die gedomineerd wordt door bomaanslagen en kogels door redactieruiten. De laatste decennia, zeg maar vanaf 1989, heeft het aan fluwelen revoluties niet ontbroken. Die van Praag, waar de communisten in 1989 met zachte hand terzijde werden geschoven, geldt nog steeds als voorbeeld voor een geweldloze omwenteling. De rest van het Oostblok volgde snel.

Nederland heeft ook ooit een fluwelen revolutie gekend. Dat die nog steeds tot de verbeelding spreekt, heeft u vorige week nog kunnen lezen in een artikel over de laatste stadhouder, Willem V. ‘Onze’ fluwelen revolutie vond plaats in 1795, toen de patriotten, weliswaar gesteund door de Fransen, zonder bloedvergieten de macht overnamen van de Oranjes. De Bataafse Republiek hield het maar tot 1806 vol. De revolutie leverde, net als in Georgië nu, vrije verkiezingen op en een belangrijk mensenrecht: vrijheid van godsdienst.

Dat het woord fluweel wordt gebruikt voor een zachtzinnige omwenteling is te begrijpen voor iedereen die wel eens met zijn hand over een fluwelen stof heeft gestreken. Fluweel is per definitie zacht. Het is een uit zijde, katoen of wol geweven stof waarvan één zijde opstaande draden of lissen heeft. Vanwege de zachtheid als kenmerk worden andere zaken ook wel fluweel genoemd: fluwelen wangen bijvoorbeeld. Wie op fluweel zit, hoeft niet letterlijk in een luxe fauteuil te zitten: hij heeft een gemakkelijk leventje.

Voor de herkomst van het woord moeten we naar het Oudfrans: veluel is het woord waar ons fluweel van is afgeleid. De Latijnse oervorm villus is wel herkenbaar; daarmee duidden de Romeinen de huiden van dieren aan. Het oude Germaans kende een woord dat veel verwantschap vertoont: fella, dat ‘vel’ betekende en waar fellian van was afgeleid, waarmee ‘villen’ werd bedoeld. Die overeenkomst in vorm en inhoud maak het wel heel verleidelijk om het huidige fluweel ook met het nog steeds bestaande villen in verband te brengen.

In de taal waar de beeldspraak zich van bedient, is fluweel opgenomen als metafoor voor alles wat als zacht kan worden beschouwd. Vandaar dat het in gedichten veelvuldig voorkomt. Een bekend gedicht is dat van Lucebert, getiteld School der poëzie, waarin hij zich bekent als dichter van een nieuwe generatie, die van de Vijftigers. In het gedicht wijst hij de gevestigde poëzie, van de brave dichters, af. Hij noemt hen fluwelen dichters en bedoelt dat weinig lovend:

“Ik bericht, dat de dichters van fluweel/
Schuw en humanistisch dood gaan./
Voortaan zal de hete ijzeren keel/
Der ontroerde beulen muzikaal opengaan.”

 

(uit Verzamelde Gedichten van Lucebert (1924-1994)

 

Gouverneur

Hadden wij maar een acteur als gouverneur. Wij hebben niet eens een gouverneur. Alleen Limburgers genieten die eer. Daar heet het provinciehuis nog steeds gouvernement. Hoe modern het gebouw aan de Maas ook oogt, de naam is achttiende-eeuws en de Limburgers blijven hun commissaris van de koningin trouw gouverneur noemen.

Als er één Amerikaanse staat is, die een acteur als gouverneur verdient, is het Californië. Het mag dan een economische macht van jewelste zijn, het is toch ook de bakermat van de film, van Hollywood. En dat Schwarzenegger van oorsprong Oostenrijker is, hoeft geen beletsel te zijn. Er heeft wel vaker een Oostenrijker aan het roer gestaan van een ander land.

Zijn we meteen waar we wezen moeten: het roer. Gouverneur komt uit het Frans en betekent “degene die leidt, die bestuurt”. Het is afgeleid van het werkwoord gouverner dat letterlijk staat voor “naar het roer luisteren”. De Fransen kennen zelfs de uitdrukking “il gouverne bien sa barque” wat staat voor “hij regelt zijn zaken goed” en wat letterlijk betekent dat iemand zijn bootje (vergelijk het Nederlandse bark) goed bestuurt. Zoals wel vaker is er een Latijnse oorsprong: gubernare betekent “sturen, leiden” en gubernum is Latijn voor “roer, stuur, leiding”. Maar het oerbegrip kan ook het Griekse kubernaoo zijn: “een schip besturen”.

Gouverneur is een term die van oudsher ook wel gebruikt wordt voor iemand die ver weg van de regeringszetel de baas is over een gebied. Een landvoogd of landvoogdes bijvoorbeeld. In het vroegere Nederlands Oost-Indië was het dagelijks bestuur in handen van een gouverneur-generaal.

Mocht u eens op het ontbijt worden genood bij de Californische gouverneur en zijn eega, bega dan niet de fout mevrouw Schwarzenegger met gouvernante aan te spreken. Dat is heel iets anders. Een gouvernante is een kinderverzorgster of huisonderwijzeres. Verwantschap met gouverneur is er natuurlijk wel, want ook de gouvernante heeft tot taak een huishouden goed te besturen of goed op de kinderen te letten.

Als wij ooit een gouverneur mogen kiezen (als de burgemeester straks gekozen mag worden, waarom zouden we dan niet ook gaan stemmen voor de commissaris van de koningin en de minister-president?), dan hoop ik dat onze nationale toneelspelers vervuld worden van plichtbesef en zich massaal op de zeepkisten zullen storten. Zul je zien dat onze enige echte terminator, Rutger Hauer, gaat winnen.

 

Handsfree

(30 maart 2002)

Dit mag u na vandaag nog wel achter het stuur: een cassettebandje wisselen, een ander radiostation opzoeken, een rolletje pepermunt uit het handschoenenvak halen, het stratenboek vissen uit het zijvak van het rechterportier, het kenteken noteren van die onbeschofte medeweggebruiker die rechts inhaalt, zoeken naar die halfopgerookte peuk van uw vorige stop-met-rokenpoging, een snotje opbergen in een papieren zakdoekje dat u na veel wroeten aantreft in het vakje achter de passagiersstoel en een tik uitdelen aan de kinderen op de achterbank die ondanks uw herhaalde waarschuwingen elkaar nog steeds in de haren zitten. En bellen mag natuurlijk ook nog, maar alleen handsfree.

Mobiel bellen heeft ons, zoals wel meer technologische vernieuwingen dat hebben gedaan, met een serie nieuwe leenwoorden uit het Engels opgescheept. Blijkbaar zijn we nog steeds te lui om Nederlandse woorden te verzinnen voor nieuwe snufjes. Het mobiele telefoontje zelf is een mobile, het geluid dat eruit komt heet ringtone, het kaartje in het kastje dat het telefoonnummer bevat is beveiligd met een simlock en als je de draagbare telefoon in de auto wilt gebruiken, mag dat alleen nog als je een headset of een carkit gebruikt. Oftewel: handsfree. Het grappige is dat het Engelse woord in het woordenboek Engels niet terug te vinden is; we hebben het verengelst.

En het is zo gemakkelijk, Nederlands spreken. Handsfree is hetzelfde als handenvrij, of, van mijn part, zonder handen. Deze week werd bekend dat veel automobilisten zich niet veel aan zullen trekken van het verbod op handmatig mobiel bellen in de auto dat vanaf dit weekend geldt. Vinden ze de inbouwtelefoon te duur en het oortelefoontje  misschien niet stoer genoeg?

Vroeger was zonder handen juist uitermate stoer. In mijn pubertijd kon het stuur van mijn fiets niet breed of hoog genoeg zijn. Maar je maakte nog meer indruk op de meisjes door dat stuur vooral zo min mogelijk aan te raken tijdens het fietsen. Het toppunt van stoerheid was al fietsend een sjekkie draaien. Hetgeen ook mij na enige oefening aardig lukte. Tot die dag waarop ik in deze stoere pose door de megafoon van een politieauto bestraffend werd toegesproken. Ik schrok zo hevig van de stem die over de straat galmde dat ik mijn evenwicht verloor en mij enkele tellen later terugvond naast mijn fiets. Met een bloedende bovenlip en een krom stuur. Motto van dit verhaal: roken is slecht voor de gezondheid. TERUG

Hek/muur

Wie vóór is, noemt het een hek, wie tegen is, muur. Schrijver Leon de Winter ontpopte zich in Het Buitenhof onlangs als hekzegger. Hij was ter plekke geweest en had gezien dat een groot deel van de omheining uit gaas

bestaat. ‘De firma Heras zou er trots op zijn,’ grapte hij. Het is goed dat de schrijver er geweest is; op de foto’s in de krant zien wij enkel betondelen. Geen gaas.

Hek of muur, feit is dat het de één scheidt van de ander en de ander van de één. De bouwer is de één en hij wil dat de ander zijn bommengordels thuishoudt. Vriendelijk vragen helpt niet meer in het Midden-Oosten en daarom bouwt Sharon een hek/muur (doorhalen wat niet van toepassing is).

Een hek klinkt vriendelijker dan een muur. Muur draagt een massieve schaduw met zich mee die herinnert aan Berlijners die niet meer bij elkaar op de Kaffee konden. Hek als woord heeft ook een vriendelijke historie. Het is zelfs verwant aan het aangename woord behagen. Onze voorouders noemden het hec, die van onze oosterburen heck en de oude Engelsen haec. En waarover spraken zij? Over een heg. Misschien een stekelig soort van heg, een heg van doornstruiken. Dat ons huidige hek en heg verwant zijn, ligt in ieder geval voor de hand. Een hegghe was een ander woord voor haag en daar werd een omheining mee aangeduid. Maar ook de ruimte die omheind werd. Een hagi was in het Oud-Noors zelfs een ander woord voor weide. Het werkwoord behagen is van haag afgeleid. Omheinen kun je immers ook koesteren noemen. Sharon zal het er mee eens zijn.

Voor de geschiedenis van muur moeten we naar het klassieke Rome. Niet verwonderlijk want steenstapelen was een geliefde hobby van de Romeinen. Net als huidige staatshoofden hadden ook de Romeinse heersers de grootste moeite om veroverd gebied veroverd te houden. Keizer Hadrianus (76-138 na Chr.) metselde niet alleen het Pantheon, maar ook de naar hem genoemde muur in het noorden van Engeland. Van kust tot kust, 117 km lang. Om de Schotten buiten de deur te houden. Ons woord muur is afgeleid van het Latijnse murus, dat de Romeinen niet alleen gebruikten als aanduiding voor een stenen afscheiding maar ook voor een aarden wal. Die Hadrianus wordt in de geschiedenisboekjes trouwens niet alleen afgeschilderd als een hardwerkende murenbouwer en stedenstichter. Hij staat er ook om bekend korte metten te hebben gemaakt met joodse opstandelingen in Jeruzalem. Nadat zijn legionairs huisgehouden hadden, was er in de stad geen levende jood meer te bekennen. Metselaar Sharon kent het verhaal. (In De Gelderlander van 28 februari 2004).

Hoer

 

Tussen station en school lag de Spijkerbuurt. Tweemaal per week leidde ons bezoek aan de avondopleiding tot een stiekeme tocht langs de ramen. Kijken, alleen maar kijken en ook nog besmuikt. In de avondschemering lichtten de neonlampen vurig en vrolijk op. Donkere schaduwen haastten zich langs de gevels, hier en daar werd er een opgeslokt door een vensterloze deur. Ooit was schoolgaan spannend.

De hoer gaat verdwijnen uit de Spijkerbuurt. Maar hebt u ontdekt dat ze terug is als nooit tevoren? Decennialang werd het meisje van plezier, de lichtekooi en de tippelaarster in krantenkolommen, televisiereportages en keurige rapporten alleen maar met de politiek correcte term prostituee aangeduid. De seksuele revolutie van de jaren zestig en zeventig bracht ook het oudste beroep van de wereld op een hoger plan. Het meisje van plezier kreeg de status van gediplomeerd, geregistreerd en gefiscaliseerd. Maar ineens is ze terug bij af. Ineens heet ze weer hoer en haar cliënt hoerenloper. De affaire-Oudkerk was wat dat betreft een echte  eyeopener. Zo open als de wethouder over zijn private escapades sprak, zo vanzelfsprekend was ook weer het gebruik van het woord hoer. Is het meisje van plezier van haar voetstuk gestoten? Is de legalisatie van het hoerdom net iets sneller gegaan dan de evolutie van onze moraal?

Laat ons er positief naar kijken. Nu de notabelen toegeven dat ze de bordelen en tippelzones frequenteren, is hoer ineens geen scheldwoord meer. Eerder een geuzennaam.

Vroeger was een hoer niet vanzelfsprekend een dame die tegen betaling mannen tot hun gerief liet komen. In de zeventiende en achttiende eeuw werden er heuse juridische en theologische discussies aan de term gewijd. Met hoererij werden ruimere praktijken dan tegenwoordig aangeduid. Ontucht plegen, in de betekenis van seks buiten het huwelijk, maar ook zich in het openbaar afficheren als seksueel toegankelijk. Of betaald moest worden en of dat het beroepsmatig werd gedaan, waren niet ter zake doende criteria. Nog eerder, in de Middeleeuwen, werd de term hoere alleen nog maar gebruikt om een wulpse, wellustige vrouw aan te duiden. Maar dan wel als scheldwoord. Hoe verder we teruggaan in de tijd en hoe preciezer de taalhistorische ontleding, des te ruimer wordt de omschrijving. Hoere lijkt schatplichtig aan het Gotische hors en het Oud-Noorse horr. Dat betekende destijds echtbreker. Ook zien taalkundigen verwantschap met het Latijnse carus (lief, dierbaar) en het Oud-Ierse caraim. Dit woord werd gebruikt om te zeggen dat je iemand liefhad en betekende feitelijk minnaar of minnares. Mooier kunnen we het niet maken.

Idool

(1 februari 2003)

Tot op de dag, kortgeleden, dat ons gezin ontdekte dat je op een computer met verschillende gebruikersprofielen kunt werken, was het bureaublad van de pc onderwerp van heftige discussies. De jongste stond erop dat een foto van de frisse meiden van K3 als bureaublad diende. De middelste hield het op Ross, Chandler en Joey van Friends en de oudste wilde elke keer dat ze de pc opstartte verwelkomd worden door Shakira. Virtueel dan. Het moge duidelijk zijn dat een appetijtelijke Mick Jagger (vergeef mijn echtgenote deze zwakheid) en een unieke foto van een lachende Bob Dylan (sorry) regelmatig ten onder gingen in deze strijd der idolen. Inmiddels zijn wij, dankzij de profielen, herenigd in hevige harmonie en vinden wij ons elke zaterdagavond in eenheid terug voor de buis. Wij hebben nieuwe idolen ontdekt: de idols van RTL4. De zangers en zangeresjes in de dop hebben onze harten gestolen en ook vanavond zullen wij weer juichen of boe roepen als het Nederlandse publiek per sms weer een kandidaat heeft afgevoerd.

Een idool, wie kan nog zonder? De moderne idool is geboren in de jaren zestig en is onlosmakelijk verbonden met de popcultuur. Met de popmuziek verschenen de posters van de zangers en bands boven de tienerbedden. Beatles, Stones, Doe Maar en Dolly Dots, de beelden van huilende of in katzwijm vallende tieners, in de ban van hun idolen, zijn genoegzaam bekend.

Een aanbeden figuur, dat is de moderne omschrijving van idool. Wie in vroeger tijden over idolen sprak, bedoelde echter afgoden. Idolatrie is afgoderij, of de godsdienstige verering van een stoffelijk voorwerp. Mozes moest er niets van hebben, zo weten we uit het Oude Testament, want toen hij met de tien geboden terugkeerde van de top van de Sinaï en zijn volk ondertussen een gouden kalf had gemaakt om te aanbidden, ‘barstte zijn gramschap los’. Niet alleen het kalf moest er aan geloven, ook zo’n drieduizend volgelingen overleefden zijn gramschap niet. In later eeuwen is het binnen het christendom voorwerp van heftige discussie geweest, met de beeldenstorm (1566) als anticlimax. Het mag dan ook niet verbazen dat het kerklatijn de oorsprong is van de woorden idool en idolatrie, die beide terugvoeren naar de Latijnse stam idolon, dat behalve afgodsbeeld ook schim en spook betekent.

Goed beschouwd zijn de moderne idolen, of het nu popidolen zijn of autocoureurs of politici, ook schimmen. Wat wij vereren zijn niet de mensen van vlees en bloed, maar de maskers waar zij zich achter verschuilen, de maskers die verhullen dat de idolen net zulke nare eigenschappen hebben als gewone stervelingen. Ze kunnen goed zingen, meestentijds, en ze zien er goed uit, meestentijds. Wie het tv-programma Idols tot nu toe heeft gevolgd, weet wat wordt bedoeld. De jury heeft het vaak over de zangkwaliteiten van de deelnemers, maar nog vaker over hun uiterlijk. De dikkerds zijn er inmiddels uitgestemd, en Jim, een 15-jarige blonde god, gaat het zeker winnen van de veel leukere, maar niet zo knappe Jamaï. Kijk vanavond zelf maar.

K

(25 augustus 2001)

Tegenwoordig mag het kanker heten. Dertig jaar geleden, lopend achter de kist van mijn vader, hoorde ik het fluisteren als kaa. En zelfs kaa werd nooit luid uitgesproken. Het werd gefluisterd en ging altijd vergezeld van een veelbetekenend ophalen van de wenkbrauwen.

Je ging er ook nog aan dood.

Het woord is zijn taboe geleidelijk aan ontgroeid, een ontwikkeling die zo’n beetje gelijke tred hield met de stijgende kans om de ziekte te overleven. Maar sommigen gaan er nog steeds aan dood. Zoals Sylvia. En sommigen raken zo verstrikt in de valkuilen van hun fantasie dat ze denken dat ze er aan dood gaan. Zoals Tara.

In beginsel is elk woord onschuldig. Woorden fungeren als boodschappers, als intermediair tussen het idee aan de ene kant en de taalspreker aan de andere kant. Maar sommige woorden hebben de pech dat ze als etiket fungeren voor de vervelende kanten des levens. Het is moeilijk in hun onschuld te geloven. Kanker is zo’n woord. Het heeft alles tegen. Het klinkt te hard, zeker in onze taal. In het Engels lijkt de ziekte veel menselijker: cancer klink toch heel wat zachtaardiger dan kanker.

Kanker heeft het Latijnse cancer als bron. Het heeft meer betekenissen dan alleen kwaadaardig gezwel. De Romeinen duidden er de kreeft en het gelijknamige sterrenbeeld mee aan, maar gebruikten het ook voor grote hitte en het zuiden. Onze middeleeuwse voorouders waren ook al bekend met het gevreesde woord. Ze kenden het als cankere en ze duidden er een woekergezwel mee aan. Ook cancerpuust en cankeren behoorden tot het Middelnederlandse idioom. Cankeren stond voor invreten, voortvreten, te vergelijken met het voortwoekeren van een kankergezwel.

Het mag geen verbazing heten dat een ziekte waartegen nauwelijks een kruid gewassen is, ook in de taal van alledag een andere, even verbeten rol gaat spelen. Zoals typhus, pest en cholera (krijg de klere!) is ook kanker een geliefde bron geworden voor wie eens vreselijk tegen een ander wil uitpakken. Kankerlijer. Kankerzooi. Kankerweer. En de mopperaar die van geen ophouden weet, solliciteert al snel naar het predikaat kankeraar.In figuurlijke zin wordt kanker gebruikt als metafoor voor een kwaad dat voortwoekert en om zich heen grijpt. Drugsgebruik is de kanker van de samenleving. TERUG

Koe

(27 april 2002)

Als we een dubbeltje meer voor een liter melk betalen, zien we over vijf jaar ook nog eens een koe in de wei. Dat zei een serieus kijkende mevrouw van Milieudefensie deze week op tv. Boeren en milieului luidden samen de noodklok, zei het Journaal. De wei wordt te duur.  Het is efficiënter om de koe op stal te houden. Een boer zei ook nog: “Als de koe in de wei scheit, wordt de stront niet verspreid.” De moderne koe is blijkbaar erg honkvast. In de wei van mijn jeugd lagen de vlaaien overal.

De koe is een oud huisdier. Beetje sullig. Sterk voor het werk, nuttig voor de melk. Waar we de naam aan te danken hebben, weten we niet zeker. De Engelsen noemen het een cow; dat heeft veel weg van ons Middelnederlandse coe. Andere uitgestorven talen noemden het beest kô, chuo en kû. Het oud-Ierse bô toont verwantschap met het Latijnse bôs en het Griekse bous. Het is een belangrijk woord, in ieder geval lange tijd geweest. Je ziet het aan de vele samenstellingen (koebel, koeiendokter, koehandel), zegswijzen (een waarheid als een koe) en afgeleide betekenissen (stomme koe!, je bent een rund als je met vuurwerk stunt!). Als we op zijn alledaags de soort aanduiden, hebben we het over koeien. Maar dat is feitelijk niet juist. De koe, zij is vrouwelijk. Samen met haar mannelijke partner, de stier, vormt zij het runderras.

Een Duitse ingenieur met pensioen, ene meneer Jahns die zich ‘bioakoesticus’ noemt, maakte deze week een belangrijke ontdekking bekend: het ene ‘boe’ is het andere niet. Als de koe boe zegt, zegt zij de ene keer ‘ik heb honger’ en de andere keer ‘boer wat draag je charmante klompen’. Zelfs in het opheffen en schudden van de kop schuilt een diepe betekenis. Jahn heeft zich in een stal geïnstalleerd om zich de koeientaal eigen te maken. Uiteindelijk wil hij een afluistersysteem ontwikkelen zodat de koe in de moderne koeienstal – waar het drukker en drukker wordt – toch nog persoonlijke aandacht kan krijgen. Het loeien nader geanalyseerd. Als Bertha 6 een octaafje hoger loeit, zorgt de computer ervoor dat ze even op haar rug wordt gekrabt.

Zondag zagen wij koeien in de wei. Ze waren bruin, van top tot hoef. Wij zien steeds vaker bruine koeien. Mijn moeder snoof afkeurend. De pinken en vaarzen uit de potstal van haar jeugd waren rood-bont en rood-bont hoort een koe te zijn. Zwart-bont mag ook nog. Maar voor zo’n Franse koe heeft ze geen dubbeltje over, vrees ik. Ze verstaat ze niet.

Kok

(1 september 2001)

Een ziedende Kok is wat anders dan een ziedende kok. De eerste is een woedende minister-president, de ander staat te koken in de keuken. Wat niet betekent dat het ene zieden veel van het andere zieden verschilt. De letterlijke betekenis is koken, en wie uit zijn vel springt van woede, kookt van binnen.

Zouden we de Romeinen nooit op bezoek hebben gehad, dan hadden we waarschijnlijk nooit leren koken en hadden we dat mooie woord zieden nooit uit het oog verloren. Onze Germaanse voorouders hadden het over sieden als ze vlees stonden te roosteren boven hun primitieve vuurtjes of een visje gaar lieten worden in heet water. Maar met de Romeinen kwamen andere zeden en gewoonten; de wijze van eten bereiden veranderde, en daarmee de naam: sieden werd koken en een sieder werd een kok. Als coc is het een heel vroege ontlening van het Latijnse coquus (kok) dat op zijn beurt weer van coquere (koken) is afgeleid.

Was onze geschiedenis een andere geweest, dan hadden we wellicht een Wim Zieder als minister-president gehad. Klinkt niet gek. Melkert volgt Zieder op. Zieder naar Brussel. Het kwartje van Zieder.

Met Melkert als opvolger maakt Kok het er niet gemakkelijker op voor onze koppenmakers. Van Kok kun je fikse chocoladeletters maken in een tweekolommer. Melkert slokt in zijn eentje heel wat ruimte op. Voor de Pvda  zelf, arbeiderspartij, is het leuk dat de ene handwerksman, de kok, plaatsmaakt voor een andere: de koeienmelker. Liefhebbers van taalspelletjes kunnen trouwens wel beter met de opvolger uit de voeten. Probeer eens een anagram uit op W. Kok en je loopt dood op kwok. Gooi je de letters van A. Melkert om, dan krijg je kalmeert. Da’s een rustgevend idee voor een mogelijk premier.

Kwaad

(14 september 2002)

Ach, kon ik maar tekenen als Tom Jansen, Peter van Straaten of Stefan Verweij. Ik tekende de volgende cartoon: een ruige zee, rechts een fiere negentiende-eeuwse walvisvaarder, links de wijdopengesperde baleinenmuil van een witte walvis en op de voorplecht van het schip een verbeten kijkende kapitein. U raadt het al: kapitein Achab en zijn aartsvijand Moby Dick. De trekken van de kapitein zouden niet geheel toevallig lijken op die van George Bush jr. en die van de walvis op die van Saddam Hoessein.

Herman Melville is de schrijver van het boek waaruit wij de twee personages lenen: Moby Dick. Ongetwijfeld de modernste roman die de negentiende eeuw heeft voortgebracht, en nog humoristisch ook. Stond kapitein Achab, die ooit een been verloor tijdens een strijd op zee met de witte walvis, voor de personificatie van de Wraak, Moby was het vleesgeworden Kwaad.

Deze week zijn de schijnwerpers van de wereld definitief verplaatst van de zandbak van Ground Zero naar die van Irak. Saddam is het Kwaad waarop George, na de vergeefse zoektocht naar die andere partner van de duivel, Bin Laden, zijn pijlen heeft gericht.

Het kwaad is van alle tijden en wie denkt dat we ooit zonder zullen leven, gelooft in sprookjes. Sinds de vermaledijde appel waarmee de slang Eva en zij vervolgens Adam verleidde, is het kwaad onder de mensen en sinds de klap waarmee Kaïn zijn broer Abel de hersens insloeg, weten we wat dat betekent: een hoop ellende.

Een oud woord, kwaad, maar vroeger werd het veel mooier geschreven. Het vloeide in de middeleeuwen als quaet en quade uit de ganzenveer van klerken en monniken. Quaet stond voor ‘slecht, zondig, gemeen en toornig’. Maar ook, en daarvoor gebruiken we het tegenwoordig niet meer, als aanduiding voor vuilnis , drek en mest. In de middeleeuwen spraken ook onze oosterburen van quaet, maar om onverklaarbare redenen bestaat het woord daar niet meer. De Engelsen hebben zich wat taalconservatiever opgesteld en koesteren de woorden quad, quade en quat, in de betekenis van slecht en naar, nog wel. Een vervelend, waardeloos persoon heet een quat.

Ooit, zo rond de twaalfde eeuw, was quaet een scheldnaam en er moet iemand zijn geweest die er niet in geslaagd is die naam van zich af te schudden. De naam Quade, later Kwaad, is sindsdien een achternaam waar, volgens het telefoonboek, nu nog steeds een kleine dertig gezinnen of personen mee opgescheept zitten. Maar ze hoeven zich niet te schamen. Als het kwaad al erfelijk is, dan geldt het voor ons allen.

Normen en waarden

(31 augustus 2002)

In Den Haag loopt een ongeschoren, langharige stropdasloze minister rond die wil dat agenten weer strak in het uniform, zonder oorringetjes, zonder staartjes en vast en zeker ook zonder hoofddoekjes gezag gaan uitstralen. Hij wil dat patiënten de huisarts weer met u aanspreken en vindt dat leraren kinderen met behulp van oorvijgen hun plaats moeten wijzen. Ouders die daartegen protesteren moeten gestraft worden. Deze minister, rijk geworden door de in- en verkoop van het een en ander, vindt dat de overheid via een intensieve mediacampagne normen en waarden in onze samenleving moet her-implementeren. Elk product is verkoopbaar, zegt deze handelaar-in-ruste, dus normen en waarden ook.

Zelden in de taal een zo onafscheidelijke tweeling ontmoet als normen en waarden. Zelden ook een woordgroep zo vaak zo gemakkelijk uitgesproken horen worden door jan- en-alleman op tv en radio. Iedereen die wat te mopperen heeft over de wijze waarop we onze samenleving hebben ingericht, haalt er de normen en waarden bij. Waar hebben ze het over?

Normen zijn regels en feitelijk niet meer dan dat. Jij blijft van mijn spullen af, ik van de jouwe. Sociologen hebben ervoor gestudeerd en omschrijven het uiteraard iets anders: “min of meer bindende verwachtingen inzake het handelen of niet-handelen van leden van een samenleving of groepering”. Zit wat in: we verwachten dat iedereen zich aan de regels houdt. Anders moeten we bij alles wat we doen zo op onze hoede zijn dat we doodgaan aan de stress, alsof we weer aan de lianen hangen en onder ons de wijdopengesperde bek van leeuw en tijger weten. Het probleem is, zeggen opnieuw de sociologen, dat voor sommigen een norm pas realiteit wordt als hij of zij bestraft wordt bij het niet naleven ervan. Vandaar de noodzaak van strak geüniformeerde politie.

Dan de waarden. Ligt wat ingewikkelder. Voor een geoliede samenleving is niks zo prettig als iedereen daar hetzelfde over zou denken, maar helaas/gelukkig* (*doorhalen wat niet van toepassing is) is dat niet zo. Deskundigen omschrijven waarden als: “collectieve voorstellingen die wij aanduiden met termen als trouw, moed, nut, schoonheid, rechtvaardigheid, eerlijkheid en andere woorden die op –heid eindigen.” (Daar heb je de zwakte. Eigenwijsheid? Domheid? Slimheid? Boosheid? Wreedheid?) In ieder geval gaat het om dingen die je zou willen of moeten zijn. Nog maar eens: zijn. Daarin schuilt nu net de oorzaak van het probleem van onze samenleving. Vroeger was het belangrijk om iets te zijn. Tegenwoordig is het belangrijk om iets te hebben. En vooral véél daarvan. Pas als je alles hebt, een villa, een Bentley, de luxe om ja of nee te zeggen tegen een onderbetaald overheidsbaantje, ga je je weer druk maken over het zijn. Tenminste, over het zijn van de ander. En als die ander uit zichzelf niet braaf wil zijn, want dat is eigenlijk waar de ongeschoren minister naartoe wil: naar braafheid, dan verkopen we hem die waarde toch gewoon? Als het moet met een oorvijg toe.

(Geraadpleegde literatuur: Dr. H. de Jager en dr. A.L. Mok, Grondbeginselen der sociologie, Leiden, 1978).

Oog

(23 november 2002)

Voor de invoering van de doodstraf worden veelal drie argumenten aangevoerd: potentiële moordenaars afschrikken, de samenleving voorgoed zuiveren van een moordenaar en het idee van oog om oog, tand om tand. In zijn ijdele pogingen om de neergang van zijn partij te keren, heeft minister Nawijn de doodstraf van stal gehaald. De minister, jurist van beroep, laat vooral zijn oergevoel spreken, zo blijkt uit zijn motivatie. Als iemand een ander vermoordt, heeft die moordenaar ook geen recht meer op leven, zegt hij. Oog om oog dus. En wij maar denken dat wij de primitieve samenleving zijn ontstegen door het regeren over te laten aan lui met een diploma.

Oog om oog en tand om tand, dat is het jus talionis, het recht van wedervergelding. Dat klinkt eigenlijk helemaal niet primitief, het klinkt zelfs heel verheven. Het ligt dan ook verankerd in het Oude Testament. Het maakt onder andere deel uit van wat de mozaïsche wetgeving wordt genoemd, de door God via Mozes aan de uit Egypte vluchtende Israëlieten overgebrachte regels. Lees Exodus 21:23-24: “Maar indien er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult gij geven ziel voor ziel, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.”  Zo staat het in de moderne vertaling. In de oude Statenvertaling klinkt het nog verhevener: “Maer indiender een dootlick verderf sal sijn: so sult ghy geven ziele voor ziele. Ooge voor Ooge: tant voor tant, hant voor hant, voet voor voet.”

Al sinds mensenheugenis bakkeleien theologen en humanisten over de uitleg van deze en andere bepalingen in de bijbel waar al dan niet het recht van vergelding, in zijn ultieme vorm: dat van de toepassing van de doodstraf, op zou zijn gebaseerd. Nu is het Oude Testament, ondanks moderne vertalingen, toch vooral een gedateerd document en is de mens geëvolueerd, zeker in zijn denken over rechtvaardigheid. Het bijbelse oog-om-oogprincipe wordt nu toch vooral strikt religieus opgevat.  Vriend en vijand van de bijbel zijn het erover eens dat de doodstraf alleen al vanwege de kans op foute afwegingen een straf is die in een beschaafde samenleving niet zou moeten gelden. Het recht op leven hebben wij verankerd in universele verklaringen.

Wat de herkomst van oog betreft: het gotische augô, (vergelijk ook het Duitse Auge) maar ook het Latijnse oculus wedijveren om de eer. Interessant is dat ons werkwoord tonen (laten zien) afgeleid is van oog. Het gotische at-augjan betekende ‘iets voor ogen brengen’. Augjan werd  bijvoorbeeld zougen in het Oudhoogduits, taunen in het Middelengels en tônen in het Middelnederlands.

Ontslag

(27 oktober 2001)

De ooit zo trotse KPN heeft zich verslikt in de UMTS-veilingen en draagt nu een last van vijftig miljard guldens op de toch al niet meer zo brede schouders. Bijna vijfduizend werknemers krijgen de zwartepiet toegespeeld, worden de laan uitgestuurd, krijgen de zak, worden weggesaneerd, zijn overbodig geworden, ‘laten we gaan’, dienen hun carrière elders voort te zetten, zijn overbodig geworden, worden bedankt, maken deel uit van een inkrimping, worden weggestuurd, komen op straat te staan, ontspringen dit keer de dans niet, krijgen hun congé, worden verwezen naar het arbeidsbureau, vallen buiten de boot, hoeven zich maandagmorgen niet meer te melden, zijn onderdeel van een reorganisatie, kortom … krijgen ontslag.

Een fiks aantal jaren bleven we er behoorlijk van verschoond, van meldingen over inkrimpingen, reorganisaties en ontslagen. Maar het lijkt er op dat we er weer regelmatig mee geconfronteerd zullen worden. En welk synoniem of eufemisme er ook voor uit de kast wordt gehaald, het blijft ontslag.

Het woord draagt een soort van vlaggetje bij zich. Of het uitgestoken is en wappert in de wind, bepaalt hoe serieus we de melding moeten nemen. Dat vlaggetje wordt gevormd door het woord gedwongen. Staat dat er bij, dan weten we dat het menens is: die mensen komen echt op straat te staan.

Het bestaan van gedwongen ontslag, zet je wel op het verkeerde been. Alsof er ook ongedwongen ontslag bestaat. Als we het over massa-ontsagen hebben, zoals hier, is dat natuurlijk nier aan de orde. Misschien mag je blijven werken bij het concern, maar dat je in de kantine of in de portiersloge beland, is volstrekt niet denkbeeldig.

Ont- is een voorvoegsel dat we gebruiken voor een negatieve taaluiting: van wat hierna volgt is het tegenovergestelde waar. Ont-wennen is stoppen met wennen, ont-haasten is stoppen met haasten. Doorgeredeneerd zou ont-slaan betekenen dat er een einde komt aan slaan. Zou in de slaventijd misschien een treffende betekenis zijn geweest, maar nu toch niet. Het slaan waar slag en ontslag naar verwijzen, heeft niets met klappen uitdelen te maken, maar met ‘beslag leggen op’. Onze middeleeuwse voorvaderen kenden het begrip al als zodanig. Je kon beslag leggen op iets of iemand, bijvoorbeeld als die je iets schuldig was, maar dat beslag kon ook weer ongedaan worden gemaakt: ontslaen. Vertaald naar de huidige tijd, zou je de relatie tussen werkgever en werknemer ook een beslag van de een (de baas) op de arbeid van de ander (de werknemer) kunnen noemen. En als dat beslag eindigt, wordt er ont-slagen.

Welbeschouwd legt degene die iemand van de plicht ontslaat om voor hem te werken, zijn beslag op een ander: de samenleving. Want als er geen ander werk in het verschiet ligt, zal de overheid zich over de ontslagene moeten ontfermen, met een ww- of bijstandsuitkering. Zo legt hij die ontslaat een beslag op een deel van de schatkist. Maar goed dat die, dankzij de UMTS-veilingen uit de eerste zin, goed gevuld is.

Patriot

(22 september 2001)

In een hoekje van ons stoffige woordenarchief hebben we deze week een woord teruggevonden waarvan niemand vermoedde dat we het nog hadden: patriot. Kleverig van de spinrag, maar alle letters waren er nog. Kende u het nog?

Een woord dat jarenlang niet is gebruikt, hooguit nog eens terloops werd uitgesproken door een geschiedenisleraar die, wellicht wars van de moderne geschiedenisboekjes, meende aandacht te moeten besteden aan een roerige partijstrijd die eind achttiende eeuw in Nederland woedde. Al was het maar om weer eens een ander schitterend woord hardop te kunnen uitspreken: Goejanverwellesluis.

Deze week moest patriot worden opgegraven, afgestoft en van een nieuw verfje voorzien zodat het weer kon schitteren in onze kolommen en fier kon wapperen als kop boven onze verhalen. Want de aanslag op het World Trade Center in New York heeft in Amerika een saamhorigheidsgevoel opgerakeld waarvoor dat woord als geen ander geschikt is.

Patriot is, dat zal niet verbazen, een woord dat we geleend hebben van de Fransen. Een patriot is iemand die zijn vaderland bemint en met toewijding dient. Patriottisme is vaderlandsliefde. Maar wel in een extreme vorm. Alleen de driekleur uithangen op Koninginnedag is niet genoeg.

Voor de oorsprong van het woord moeten we verder terug. Het Frans is een Romaanse taal en dat betekent dat een groot deel van de taal is afgeleid van het Latijn dat in de oudheid in Rome werd gesproken, het vulgaire Latijn zogezegd. Patriot heeft het Latijnse patria als stam en dat betekent vaderland, pater staat voor vader. We kennen nog de uitdrukking pater familias, de huisvader of het gezinshoofd, en ook een rooms-katholiek priester noemen we pater. Tegenover de pater staat de mater, de moeder. Maar iemand die van zijn moederland houdt, heet desondanks geen matriot. Helaas.

Even terug naar Goejanverwellesluis. Daar hielden patriotten in 1787 de echtgenote van de Prins van Oranje tegen. De patriotten, geïnspireerd door de vrije burgerij die in Amerika aan de macht was gekomen, wilden geen Oranje meer als staatshoofd. De vaderlandslievende lieden verloren de strijd, maar, vreemd genoeg, sindsdien is de meest patriottische daad in Nederland zwaaien met…  oranje.

Pelgrim

(11 september 2004)

“De kerk zit geregeld mudvol met pelgrims,” zegt een politieman uit het Duitse Kevelaer deze week in onze krant. Hij reageerde op het bericht dat zondag in de kerk in het bedevaartsoord een vuurwerkbommetje onder een kerkbank was ontploft. Het vermoeden bestaat dat het bommetje is geplaatst door een Duitse vrouw die van mening is dat er veel te veel Nederlanders in de kerkbanken in de Basilika van Kevelaer plaatsnemen. Is er sprake van een anti-Nederlandse houding in het devote grensplaatsje? Gelukkig niet, zo constateerde onze verslaggever deze week ter plekke.

Voor de herkomst van het woord pelgrim moeten we naar Rome. Pelgrim is afgeleid van het Latijnse peregrinus hetgeen betekent ‘uit het buitenland’. Daar werd dus de vreemdeling mee aangeduid. Met de komst van het Christendom en het ontstaan van de christelijke bedevaart, kreeg het in de kerktaal de betekenis van ‘de naar Rome trekkende pelgrim’. In de middeleeuwen werd een pelgrim ook wel pelegrijn genoemd. Dat woord heeft waarschijnlijk de voornaam Piligrim als oervorm, samengesteld uit bili (zwaard) en grim (helm), de naam voor een strijder.

Pelgrims heb je in alle soorten maten. Om op te koken bijvoorbeeld. Pelgrim is en was immers een gerenommeerd merk als het gaat om gasfornuizen. Maar de pelgrims die met enige regelmaat naar Maria in Kevelaer trekken, of naar St. Joseph in Smakt, de Zoete Lieve Moeder van Den Bosch, St. Christoffel in Elsendorp, Dorothea in Olburgen of het Heilig Bloed in Boxmeer zijn van een andere soort, het zijn devote lieden die ter bedevaart gaan. Zij knielen voor een gebed en steken een kaarsje aan ter ere van Maria of een van die andere heiligen.

Een groeiende groep pelgrims zoekt het verderop en treedt letterlijk in de voetsporen van de bedevaartganger uit de Middeleeuwen en vroeger eeuwen. Steeds meer gepensioneerden, of mensen die een sabbatical nemen, een paar maanden vrij van het werk, trekken eropuit naar een van de populairste bedevaartsoorden van Europa, Santiago de Compostela in het noorden van Spanje.

Al eeuwenlang wordt hier Jacobus de Meerdere, leerling van Christus, vereerd. Al in de negende en tiende eeuw, zo blijkt uit de vondst van Friese munten ter plaatse, trokken er pelgrims uit de Nederlanden naar de plek waarvan wordt gezegd dat zich er het graf van Sint Jacob bevindt. In de twaalfde eeuw was de populariteit van Jacob op zijn hoogtepunt. De stad kreeg toen jaarlijks een half miljoen pelgrims te verwerken. De belangstelling liep in de eeuwen daarna sterk terug. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de pelgrimstocht naar Santiago weer in trek. In 1993 kwamen bijna 100.000 mensen in Santiago aan, in 1999 waren dat er ruim 150.000.

De pelgrims van weleer volgden een eeuwenoude route. Het Nederlandse deel daarvan is enkele jaren geleden nieuw leven ingeblazen en is een officiële  langeafstandswandeling geworden. Het goedbewegwijzerde Pelgrimspad loopt van Amsterdam via Den Bosch naar de Zuid-Limburgse grens en sluit daar aan op het oude pad naar Santiago. Kerken, kapellen en wegkruizen markeren de route en overal langs het pad staan banken voor de vermoeide reiziger. U hoeft niet onder die bankjes te kijken als u gaat zitten. De Heilige Christoffel, de beschermheilige van de reizigers, waakt immers over u.

 

Piëteit

(19 oktober 2002)

Uit piëteit, zo werd ons woensdag herhaaldelijk bezworen, uit piëteit was het dat het kabinet niet al op dinsdag was gevallen. Uit piëteit aan het koningshuis dat op die dag afscheid nam van prins Claus, hadden de fractievoorzitters van CDA en VVD besloten niet al dinsdag de minister-president mede te delen dat zij de stekker eruit zouden trekken.

Met moeite hebben ze het tot die dinsdag gered. Al een dag of tien, sinds het overlijden van prins Claus, werd de vaderlandse politiek gegijzeld door het fenomeen piëteit. De LPF, in roerig vaarwater, zag zich genoodzaakt de roeispanen stil te houden tot de prins-gemaal in Delft was bijgezet en Jan-Peter Balkenende had de meeste moeite om de twee karakterologisch zo verschillende Pim Fortuynhondjes Eduard en Herman aangelijnd te houden. Maar de rouwstoet had  de hielen nog niet gelicht of Jan-Peter had al het nakijken. Keffend en bijtend glipten de spaniëls uit zijn handen.

Het heeft verschillende betekenissen, dit uit het Frans geleende woord piëteit, maar hier wordt vooral bedoeld de liefdevolle gedachtenis, de eerbied of het respect jegens de doden of dingen uit het verleden. Ook vroomheid of verering wordt wel met hetzelfde woord aangeduid. In het Frans heet het piété en de Fransen hebben het op hun beurt geleend uit het Latijn: piêtas betekent plichtsgevoel, maar ook trouw en eerbied.

Het probleem met piëteit is dat het zo moeilijk is te bepalen tot waar het begrip reikt. Vroeger, althans in sommige streken of gemeenschappen, was rouwbeklag keurig vervat in regels en voorschriften. De mate van piëteit vloeide automatisch voort uit de regeltjes die golden. Tegenwoordig is het rouwbeklag van het gemeen, van het publiek, van protocol ontdaan. We kennen niet eens een officiële periode van rouw bij het overlijden van een staatsman of lid van het koningshuis. Het is nu aan het individu om te bepalen welk eerbied hij of zij in acht neemt en evenzeer aan welk ontbreken van eerbied hij of zij zich stoort.

Portier

(9 november 2002)

“De portier is een invalide.” Zo luidt een van de mooiste beginzinnen uit de Nederlandse literatuur. Een kort zinnetje, gevolgd door een witregel en zodoende in zijn uppie zin, alinea en paragraaf tegelijk. Gevolgd door een beschrijving van de mankementen die het lichaam van de portier kenmerken: een afgescheurd oor, linkerhand zonder vingers, rechterhand alleen een stompje en een duim, en achter zijn goedkope zonnebril een stel uitgedoofde ogen. Een blinde als portier. Wie verder leest in Nooit meer slapen (W.F. Hermans) zal leren dat die blindheid een slecht voorteken is voor de hoofdpersoon.

Deze invalide portier kan ondanks zijn gebreken zijn taak nog aardig vervullen. Hij is dan ook de receptionist van een duf wetenschappelijk instituut dat zelden bezoekers krijgt. De hedendaagse portier heeft het een stuk moeilijker. Zeker die van de discotheek. Zoals afgelopen weekend helaas weer eens duidelijk werd in een Nijmeegs uitgaanscentrum, moet hij niet alleen fysiek in een uitstekende staat verkeren, maar zich ook hullen in een kogelwerend vest.

Portier is een woord dat we ontlenen aan de tijd waarin hier de eerste steden ontstonden. Die steden zochten bescherming tegen aanvallen van buitenaf door wallen en muren te bouwen. Er kwamen poorten in die muren waar iedereen door naar binnen en buiten kon. ’s Nachts, en als er vijanden op komst waren, gingen de poorten op slot en werden bewaakt door portiers, in de Middeleeuwen ook wel portenaers geheten. Poorters was de benaming voor de lieden die binnen de muren van de stad woonden, de burgers. Niet iedereen mocht zich poorter noemen; het was een zeker voorrecht voor de burgers van een stad die er waren geboren of de stedelijke rechten hadden verworven.

Zowel van poorters als van poort en portier is de talige oorsprong te vinden in het Latijnse porta. Vergis je niet: de betekenis van dit woord was niet ‘poort’ of ‘toegang’ maar ‘haven’ of ‘stad’. In het Engels, maar ook in andere talen, betekent port nog steeds haven. Een stad, voorzien van muren of beschermd door een kasteelheer, was een beschermde haven, een veilige porta, met poorters als bewoners. Later heeft het woord de betekenis gekregen van toegang tot de stad en degene die de toegang moest bewaken werd de portier.

Het zou mooi zijn als onze cafés en disco’s ook weer veilige havens konden zijn. Anders hebben we straks enkel nog maar invalide portiers. Of geen meer.

Provincie

(29 september 2001)

Neem nou Holland. Heeft zich in de zeventiende eeuw op economisch, militair en politiek terrein dusdanig weten te manifesteren, dat haar naam ook nu nog wordt gebruikt om ons hele land mee aan te duiden. Niks The Netherlands. In het buitenland heten we Holland. Tijdens de Olympische Spelen lopen we de polonaise in het Holland House.

In de zestiende en zeventiende eeuw had een provincie nog spierballen. Zeven provincies zeiden samen ‘lekker puh’ tegen de Spaanse koning en gingen heerlijk dwarsliggen. En geld verdienen. Tegenwoordig is de provincie verwaterd tot een administratief orgaan. Wat er nog rest aan bevoegdheden, kan niet in de schaduw staan van de macht die de gewesten in vroeger tijden hadden. En wat er gebeurt achter de dikke deuren van het provinciehuis, is voor de meeste burgers een groot vraagteken. Provincies vinden dat niet leuk. Ze doen verwoede pogingen dat stoffige imago op te poetsen. En dat gaat wel eens fout zoals deze week bleek in Gelderland.

Ooit was Nederland nog geen staatkundige eenheid, maar maakte het deel uit van een provincie van het Romeinse rijk. Uit die tijd stamt ook het woord provincie. Het komt van het Latijnse provincia, waarmee oorspronkelijk de taakomschrijving van de consul werd bedoeld. De consul was degene die namens Rome het overwonnen gewest bestuurde. Later werd met provincia ook het gebied zelf aangeduid. De bewoners van de provincies hadden het overigens minder goed getroffen dan de bewoners van Rome. Zij konden geen burgerrecht verwerven, maar moesten wel belasting betalen.

Als het volk morde in het oude Romeinse rijk, dan wisten de keizers daar wel raad mee. Ze gaven het gepeupel op zijn tijd panem et circenses, brood en spelen. Het lijkt wel of de theaters en circussen van weleer er nog steeds zijn, al heten ze nu domes. En de gladiatorengevechten zijn vervangen door paardenconcoursen en poeka-poeka.

Racisme

(8 september 2001)

Laat ons eerst een misverstand uit de weg ruimen. Het is racisme en niet rascisme. Die s hoort er niet in, ook al hóór je hem wel en ook al schrijven we ras, waar racisme natuurlijk van alles mee te maken heeft, wel met een s. En u mag ook niet verwijzen naar het verderfelijke tweelingbroertje van racisme, fascisme, dat wél met die s mag pronken. Verschil moet er zijn, zullen we maar veelzeggend zeggen.

Dat onderscheid tussen beide zit ‘m in de stam (ook al zo’n beladen woord). Fascisme komt van het Italiaanse fascimo dat weer afgeleid is van het Latijnse fascis (roedenbundel). In het oude Rome was dat het symbool van machtsdragers, in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw een vals sentiment waarin dictators een excuus zochten voor dood en verderf.  Racisme heeft niet ras als stam, maar het Franse woord race (ras, geslacht). Beide begrippen zijn op dezelfde wijze gevormd, dat wil zeggen door aan de stam  het achtervoegsel –isme te plakken. De stam  van fascisme is fasc en dat krijgt met –isme zijn definitieve vorm. De stam van racisme is rac(e) en dat wordt met –isme een s-loos racisme.

“Het kwaad zit niet in het woord racisme, maar in de praktijk daarvan”, schreef de cultureel antropologe Philomena Essed ooit. Steggelen over de schrijfwijze van racisme is inderdaad onschuldig, zeker als je het vergelijkt met het gesteggel op de antiracisme-conferentie in Durban, eerder deze week. Het lijkt er zelfs op dat met het weglopen van deelnemers aan de conferentie de uitbanning van racisme verder weg is dan ooit.

Een ander woord voor racisme is, aldus Van Dale, rassenwaan. Een waan is een verzinsel, iets dat waar lijkt, maar het niet is. Geen  objectief feit, maar een verzonnen idee, namelijk dat het ene ras superieur zou zijn aan het andere.

Nederland stond met schone handen in Durban. Onze minister betuigde diepe spijt voor het leed dat onze verre voorouders de slaven ooit hebben aangedaan. Maar hij vergat te vertellen dat de Landelijke Vereniging van Antidiscriminatie Bureaus en Meldpunten vorig jaar 3300 meldingen van racisme te verwerken kreeg; acht procent meer dan het jaar daarvoor. En als je bruin bent, kom je in Utrecht nog steeds geen disco in.

Rage

(24 november 2001)

Dus nu moeten we allemaal naar de film! Uren in de rij voor een kaartje, onder druk van de kinderen ja zeggen tegen de laatste nog vrije plaatsen op de eerste rij en vervolgens twee uur lang in een zweterige zaal vol stomende herfstregenjassen een stijve nek ophalen omdat mevrouw J.K. Rowling – wat een kapsones om haar voornaam niet voluit op de kaft te willen – het nodig vond haar ongetwijfeld meesterlijk geschreven boeken over tovenaarsleerling Harry, die haar toch al geen windeieren hebben gelegd, te verzilveren met een vet filmcontract. We moeten wel, anders kunnen we er niet over meepraten. Maar even onder ons: is het niet veel leuker om de virtuele plaatjes in het leesboek zélf in te kleuren?

Nederland is in de ban van Harry Potter. Dat kan niet anders, want de hele beschaafde wereld is in de ban van de tovenaarsleerling en wij willen altijd en overal meedoen. Zelfs als een boze tovenaar in een Afghaanse grot moet worden uitgerookt staan we klaar.

Van de week ging de lang verbeide film eindelijk in première. De pakhuizen van Kruidvat, Albert Heijn en V&D liggen tot aan de nok toe gevuld met Potterprullaria, in de boekhandel liggen de oorspronkelijke boeken inmiddels verscholen achter stapels Potterkalenders en Potteragenda’s en waar je ook kijkt in een gemiddelde winkelstraat, overal doemt het eigenwijze bebrilde kostschoolgezicht op van Harry Potter. Aan alle voorwaarden wordt voldaan: dit is een rage.

Nederlanders zijn er dol op, op rages, maar toch is het van origine geen Nederlands woord. Het is Frans, maar dat had u al ontdekt aan de uitspraak. Het Latijn is de werkelijke bron: rage komt van rabere en dat betekent, schrik niet, razend zijn. Rabiës, hondsdolheid, is uit dezelfde schoot afkomstig. Razend zijn, in razernij ontsteken is wat dik aangezet, maar ligt ook weer niet zó ver van wat we met rage bedoelen. Een beetje gek moet je toch zijn om je aan een rage over te geven. Even de ratio aan de kant en je laten meesleuren in de stroom van de massa. Wat je er werkelijk van vindt, doet er even niet toe. Je wilt even ondergedompeld worden en je één voelen met de kudde. Moet kunnen, maar niet te vaak alstublieft. Laat Harry Potter Part Two nog maar even wegblijven. Onze placemats zijn nog niet versleten.

Retoriek

2 maart 2002)

Met bakken tegelijk worden ze deze dagen weer over ons heen gestort: de holle woorden en lege frasen, de in gloedvolle betogen verpakte beloften en ferm klinkende plannen. Verkiezingstaal, dat is, helaas, vaak retoriek.

Voor dit lekker klinkende weekwoord hebben we een welluidende omschrijving: retoriek is het onbezielde gebruik van overspannen taal met clichés en bombast. De negatieve lading moge duidelijk zijn, het is vormwelsprekendheid. Van buiten mooi, van binnen leeg, kortom: gebakken lucht.

De retoriek is voortgekomen uit de retorica. Dat is de leer van het doeltreffend betogen en daar werd in vroeger tijden niet op afgegeven maar tegenop gekeken. In de Griekse en Romeinse oudheid vormde de retorica een belangrijk onderdeel van opvoeding en scholing. Wie iets wilde zíjn in de samenleving, moest toch eerst en vooral goed kunnen spreken. Op de Latijnse scholen en universiteiten in de Middeleeuwen was de retorica het belangrijkste vak dat werd onderwezen. Het maakte deel uit van de zeven vrije kunsten; de andere zes waren rekenen, meetkunde, sterrenkunde, muziek, grammatica en logica. In het hoofdvak retorica werd de aanstaand spreker geleerd hoe hij een betoog in fasen moest opzetten, van een pakkende inleiding (exordium) tot en met een gedegen afsluiting (peroratio).

Die verplichte, en tot in den treuren geoefende opbouw van het betoog, stond er borg voor dat in de inhoud zo min mogelijk gaten konden worden geschoten. Niet voor niets kregen de studenten tegelijkertijd les in de leer van de logica.

Bij de retorica lag de nadruk op de vorm, juist om de inhoud recht te doen. Retoriek heeft haar naam te danken aan deze vrije kunst omdat de vorm zo belangrijk is. Maar de inhoud wordt versluierd.

Het probleem van retoriek is dat we vaak pas achteraf ontdekken dat de woorden wel mooi klonken, maar geen inhoud hadden. Is er iemand die deze dagen alle beloften over speelveldjes en meer veiligheid noteert om over vier jaar de dames en heren op het pluche met hun beloften te confronteren? U hoeft niet te antwoorden; het is slechts een retorische vraag.

Secretaris

Mijn eerste secretaris heette sik. Hij was de netnietbaas, de hoogste ambtenaar in rang. Hij gleed zwijgend en statig door de gangen, liet zelden van zich horen en leidde de organisatie op stille wijze. In diezelfde gangen werd gefluisterd over zijn eigenaardige wijze van carrièresturing. Hij riep je niet bij zich voor een functioneringsgesprek of een ernstige berisping. Je vond op maandagochtend een advertentie op je bureau. Waarin je elders een meer dan geschikte baan werd beloofd. Dat je op die advertentie schreef, stond buiten kijf.

Jaap wordt de sik van de Navo. Maar geen gewone. Hij wordt de belangrijkste secretaris, de secretaris-generaal. Dat u maar weet dat het generaal hier niets met een geüniformeerde legerfunctie te maken heeft, maar enkel betekent: de algemene, de belangrijkste secretaris. Zo kun je ook directeur-generaal zijn, of vicaris-generaal, of thesaurier-generaal.

Het woord secretaris hebben wij ontleend aan het Frans, maar aan de basis ligt het Latijnse werkwoord secernere, wat onder meer afzonderen betekent. Afleidingen zijn secretio (scheiding, afzondering) en secretarium (geheim vertrek, vergaderzaal). In afzondering, in het geheim je werk doen, dat vinden we terug in woorden als secreet, dat in de Middeleeuwen werd gebruikt voor geheim, maar ook voor geheim gemak (het toilet, de ruimte waarin je je terugtrok). Ook het Engelse secret (geheim) zult u gemakkelijk herkennen. In vroeger eeuwen hadden vorsten en belangrijke bestuurders geheimschrijvers in dienst. Dat waren lieden die belast waren met de geheime of persoonlijke briefwisseling van de staatshoofden en staatscolleges. Geheimschrijver is uiteindelijk verfranst tot secretaris. Van degene die schrijft is het verworden tot degene die de baas is over het gehele schrijvende apparaat, zoals de gemeentesecretaris en de secretaris-generaal van een ministerie.

Is Jaap de Hoop Scheffer straks als secretaris-generaal van de Navo ook de hoogste baas van de club? Net als zijn collega van de Verenigde Naties, Kofi Anan, zal hij naar het pijpen moeten dansen van de landen die gezamenlijk de verdragsorganisatie vormen. George Bush fluit het hardst. Niet voor niets tekende een cartoonist deze week de Amerikaanse president met een hondje aan de lijn met de trekken van Jaap. Een ding is zeker: De Hoop Scheffer heeft zijn kandidaatschap lange tijd voor zich kunnen houden. Dus als geheimschrijver van de Navo zal hij geen gek figuur slaan. En als hij niet al te hard keft, blijft zijn Brussels bureau van personeelsadvertenties verschoont.

Sjoemelen

(28 februari 2003)

Dat de ineenstorting van een kaartenhuis zo’n herrie kan opleveren! De Amsterdamse beursvloer trilt nog na van de klap van maandagochtend, toen de Ahold-top aftrad vanwege al te rooskleurig voorgestelde cijfers. Accountants van het wereldconcern zouden in de VS iets te vrijmoedig aan creatief boekhouden hebben gedaan. Ergens in het grijze gebied tussen waarheid en leugen verandert creatief boekhouden in: de zaak besodemieteren. In gewoon Hollands: sjoemelen.

Hoewel, Hollands? Pas sinds 1975, en dat wordt in taalkringen nog maar als kort geleden beschouwd, figureert het woord in de Nederlandse taal. We hebben het geleend van onze oosterburen. In het Duits heet het schummeln. De oude betekenis van het Duitse woord is ‘heen en weer rennen’, ook wel: ‘stilletjes wegwezen’. De huidige betekenis, tevens die waarvoor wij het woord gebruiken, is ‘bedrog plegen, knoeien, valsspelen’.

De herkomst van het Duitse woord is niet zeker. Vermoedelijk heeft het een  jiddische oorsprong en is de oeroude betekenis in verband te brengen met handelen, schuren en schrobben. Ook een wat beladen, volkse verklaring doet in Duitsland de ronde. Ooit waren de Duitse steden Speyer, Worms en Mainz plaatsen waar heel veel joden woonden. De afkorting voor de drie samenwerkende steden was SWM, en omdat de W in geschriften ook wel als U werd geschreven, ook SUM. Omdat de joden vroeger een zekere gewiekstheid bij de handel werd toegedicht, zou daaruit het woord summeln of schummeln zijn geboren. Met als betekenis: uit een handeltje bovengemiddeld voordeel weten te behalen. Taalkundigen halen hun schouders op voor deze verklaring.

Is sjoemelen minder erg dan de zaak besodemieteren? Nee, want het is hetzelfde. Maar het woord heeft iets vriendelijks over zich, een onschuldige toets, opgeroepen door dat bargoense begin van het woord: sj, gevolgd door een olijke oe-klank. Het ademt de sfeer die ook andere sj-woorden oproepen: sjaal en sjacheraar, sjalotje en sjanker, sjasliek en sjekkie, sjoege en sjokken. Vriendelijke, wat oosters klinkende woorden, die we niet al te serieus nemen, een beetje sjofel zelfs. Zoals het aandeel Ahold.

Tank

(6 april 2002)

Een van de honderden tanks die Sharon deze week door de straatjes van Bethlehem en Ramallah liet denderen, reed zomaar over een Palestijns autootje heen. De straten zijn er niet al te breed, maar er was ruimte genoeg – met elke nieuwe intifadah worden ze trouwens breder en breder – en het autootje had met gemak gespaard kunnen blijven. Maar wie meer respect voor de doden heeft dan voor de levenden, neemt het niet zo nauw als het om blik gaat.

Blik legt het altijd af tegen een tank, het weekwoord dat zich deze week met enig geweld toegang verschafte tot de kolommen van uw krant. Waarom heet een tank eigenlijk tank? Omdat-ie hol is, zoals een lege olietank of een generaalshoofd? Nee. Het verhaal gaat dat het gepantserde voertuig op rupsbanden, want zo zou je het ding kunnen omschrijven, de naam al kreeg toen het nog in de kinderschoenen stond. In de Britse fabriek waar de onderdelen voor de eerste tanks werden gefabriceerd, mochten de arbeiders niet weten wat voor oorlogstuig ze aan het maken waren. Het was 1915, de Eerste Wereldoorlog was in volle gang en de Britten waren waarschijnlijk doodsbenauwd dat de details van hun oorlogsspeeltje in handen van de vijand vielen. Daarom werd de arbeiders voorgehouden dat ze onderdelen maakten voor grote benzinetanks. Zo kwam het rijdende wapen aan zijn naam.

Als aanduiding van vat voor vloeibare producten bestond het Engelse woord al langer. Al in 1646 wordt het genoemd in de betekenis van waterreservoir. Het Portugees kent een oud woord met dezelfde betekenis: tanque. Ook in Voor-Indië werd een waterreservoir tânkh genoemd en dat doet vermoeden dat we met een behoorlijk antiek woord van doen hebben.

De taalgebruiker is van nature liever lui dan moe. Voor een naam voor de handeling die we met een ding verrichten, zoeken we niet ver. Tanken, de benzinetank vullen, is een voorbeeld van deze taalluiheid. Ook van wie zich laaft aan de bierkraan wordt wel gezegd dat hij aan het tanken is.

U kent vast wel de gymnastiekoefening die tank wordt genoemd. Dat is een duet waarbij de twee personen elkaar bij de enkels vasthouden. De twee gymnasiasten kunnen zich zo al rollend voortbewegen en met een beetje inlevingsvermogen herken je in de kluwen ledematen en holle ruggen inderdaad de vorm van een tank. De twee deelnemers zijn wel tot elkaar veroordeeld: als er één loslaat, stort de kluwen ineen. Sharon en Arafat kennen de oefening als geen ander. Geen van beiden laat als eerste los.

Terreur

(15 september 2001)

De Amerikaanse regering heeft ooit in een uitgebreide en gedetailleerde definitie vastgelegd wat ze onder terrorisme volstaat. Maar hoe fraai en juridisch correct die volzinnen ook zijn, ze kunnen niet verhelen dat er eigenlijk maar één kernachtige beschrijving is waarmee alles ie gezegd: angst aanjagen. Plus dat ze hooguit effectieve werking hebben achteraf, in de rechtzaal, als de moordpartijen al niet meer te voorkomen zijn.

Terreur is een leenwoord uit het Frans. In die taal betekent het schrik, ontzetting en het heeft het Latijnse werkwoord terrere, verschrikken, als bron. Wij gebruiken het woord als we het over georganiseerde geweldpleging hebben ter bereiking van politieke doelen, of als we een bewind willen typeren waarbij de bevolking voortdurend leeft in voortdurende angst voor moord en geweld, een schrikbewind (Van Dale).

Ook een bewind, een regering kan dus terreur uitoefenen, maar wij denken bij terreur of terrorisme toch vooral aan bewegingen die zich tégen regeringen richten. Terroristen zaaien dood en verderf, maar vreemd genoeg is het doden van andere mensen geen doel op zich. Waar het terroristen vooral om gaat, is het creëren van een sfeer van angst. Afschuwelijke daden verrichten om een situatie te verkrijgen waarin een deel van de bevolking in een permanente staat van angst verkeert. Met als tweede doel: zoveel mogelijk publiciteit krijgen voor ‘de goede zaak’. Dat is ook een belangrijk onderdeel van die Amerikaanse juridische definitie: publiciteit vergaren als doel. De terroristische actie kan niet omvangrijk of spectaculair genoeg zijn: des te groter is de aandacht van de media. Daarom is het dirigeren van een Boeing naar een 400 meter hoge torenflat waar een camera van CNN staat te snorren veel effectiever dan het vergiftigen van de waterleiding van een grote stad. Het tweede kan tot veel meer slachtoffers leiden, maar je ziet er zo weinig van op tv.

De Israëlische oud-premier Barak liet van de week doorschemeren dat het terrorisme met gerichte actie binnen een jaar of vijf, zes verdwenen zou kunnen zijn. Wie op internet de lijst van actieve terroristische organisaties aanschouwt, zal dat als ijdele hoop betitelen. De lijst van A tot Z, van het islamitische Abu Nidal tot de Georgische Zviadists, kent meer dan honderd namen.

Traan

(12 oktober 2002)

De aandachtige beschouwer van de foto van Willem-Alexander op onze voorpagina van afgelopen dinsdag heeft het gezien, ook al zat de prins dan wat verscholen achter het vensterglas van zijn auto. Er blonk een traantje in zijn oog. Een eigenwijs traantje dat het cordon van decorum en plichtplegingen dat wij om de hoogheden hebben gelegd, doorbrak. Ook prinsen huilen om gestorven papa’s.

Nederland huilt ook, maar zonder veel tranen. Er is veel lof voor de gestorven prinsgemaal en eenieder prijst zijn talenten. Maar behalve die in de kroonprinselijke oogkas hebben we weinig tranen mogen aanschouwen. Misschien maar beter zou. Het zou de dichter des vaderlands, Gerrit Komrij, die in zijn afscheidsgedicht openlijk twijfel uitsprak over de oprechtheid van Nederlands rouwbeklag, toch niet hebben overtuigd. Hij zou ze als krokodillentranen hebben afgedaan.

Wat zijn dat eigenlijk, krokodillentranen? Waarom heten geveinsde tranen zo, waarom verwijzen we bij ongemeend medeleven naar het traanvocht van dit reptiel? Volgens een oud fabeltje uit de twaalfde eeuw is de krokodil een huichelachtig wezen dat zich overdag voorbeeldig gedroeg en gezapig aan de oever lag te zonnen, maar ’s nachts de een na de andere prooi in zijn grote kaken vermorzelde. Mooie verhalen leveren mythes op, maar er is ook een fysieke verklaring. Krokodillen hebben wel degelijk traanklieren die ervoor zorgen dat de ogen niet uitdrogen. Er wordt wel eens een druppeltje te veel geproduceerd, en dat loopt er dan uit als ware het een heuse traan. Combineer daarbij de onveranderlijke grijns van het gevaarlijke beest en het lijkt inderdaad alsof je met een echte huichelaar te maken hebt. Shakespeare laat zich in Othello weinig vrouwvriendelijk uit over de tranen die vrouwen plengen. Kon de aarde bevrucht worden door vrouwentranen, zo schrijft hij, dan zou iedere druppel een krokodil worden.

Tranen worden er al eeuwenlang gehuild en in oude taalvormen is de oervorm van het woord traan nog steeds zichtbaar. De Germanen hadden het over tragnu, de Middeleeuwse Duitser noemden het traher, het Oudfries had het over târ en in het Oudengels heette het zilte oogvocht têar, zonder accent nog steeds in omloop bij de Britten. Maar afgezien van de talige verwantschap weten we niets over het ontstaan van het woord. Wat we wel weten is waarom we vroeger, als de r in de maand zat, met de neus dicht een eetlepel vieze, dikke, gelige vloeistof naar binnen moesten werken. Dat was gezond, zeiden onze ouders. Die levertraan werd gewonnen door de lever van kabeljauwachtige vissen te koken en vervolgens uit te persen. Het goedje kwam druppelsgewijs vrij, vandaar de verwijzing naar ons edele oogvocht. Of het echt gezond was, weet ik niet. Wel dat de dagelijkse gang naar de kelder, waar het goedje werd bewaard, in tranen werd afgelegd.

Turkije

De kans dat Turkije ooit lid wordt van de Europese Unie is deze week een stukje groter geworden nu de Europese Commissie heeft besloten met het land over lidmaatschap te gaan onderhandelen. Ook al zijn aan dat besluit diverse voorwaarden verbonden en ligt het CDA dwars. De christen-democraten zijn niet de enige tegenstanders, en de argumenten die tegen het lidmaatschap worden genoemd, zeer divers. De een maakt zich zorgen over het democratisch gehalte van de staat, een ander wijst op de conclusies van The Medical Foundation for the Care of Victims of Torture dat er in het land nog steeds gemarteld wordt en een derde is bang dat de 20 miljoen werkelozen Turken in het westen asperges komen plukken of bloembollen komen pellen. Ondanks, of liever: dankzij het gekrakeel, heeft Turkije deze week toch één ding gewonnen: de strijd om het woord van de week.

Turkije heet officieel pas Turkije (de Turken zelf schrijven Türkiye) sinds 1923. In dat jaar werd onder leiding van Mustafa Kemal (1881-1938) afscheid genomen van de sultans die eeuwenlang het oude Osmaanse of Ottomaanse rijk hadden bestuurd. Mustafa Kemal richtte de nieuwe staat in naar westers model. Turkije werd een seculiere natie waarin kerk (islam) en staat gescheiden werden. Vanwege zijn verdienste en omdat hij de eerste president van Turkije was, noemen de inwoners hem vader der Turken, ofwel Atatürk.

De term Turk of Turks heeft een veel ruimere betekenis: het slaat niet alleen op de huidige inwoners van het land. Turken zijn eigenlijk een groep volkeren die nauw verwant zijn aan elkaar. Ze spreken een Turkse taal en wonen in Centraal-Azië, een groot gebied dat zich uitstrekt van Azerbeidzjan in het westen tot de Chinese provincie Sinkiang in het oosten. Het gebied wordt ook wel Turkestan genoemd, het ‘land van de Turken’. De term doemde al op in de veertiende eeuw. Tot de Turkse volkeren worden onder andere gerekend de oezbeken, de kazakken, Turkmenen en Kirgiezen. Maar ook de Oeigoeren, een moslimminderheid in het China is een Turks volk. Ook in Polen en op de Balkan wonen Turkse volken en zelfs Rusland telt grote Turkse gemeenschappen, zoals Basjkieren en Tataren. Deze volkeren spreken 33 verschillende Turkse talen; in totaal gaat het om zo’n 120 miljoen mensen, waarvan de helft in Turkije zelf woont.

Het oorspronkelijke woongebied van de Turkse stammen is waarschijnlijk Mongolië. Al zijn er ook wetenschappers die menen dat ze uit het westen komen of zelfs van de Hunnen afstammen. Vanaf de zesde eeuw verspreidden de Mongoolse Turken zich over Centraal-Azië. De oudst bekende vermelding van de benaming Turk stamt ook uit die tijd. In een brief van de Chinese keizer, in 585 geschreven, noemt hij het stamhoofd Isbara ‘de grote Turk’. Ook de term Turuk zou naar de Mongools-Turkse stammen verwijzen. Al in een kleitablet uit 2000 voor Christus, gevonden in het noorden van Irak, wordt gerept over een volk genaamd Turuk.

In de eeuwen die volgden zijn de Turkse stammen steeds verder westwaarts getrokken. De Arabieren en Perzen waren onder de indruk van hun kracht: ze vormden Turkse elitekorpsen en wezen de Turken aan tot lijfwachten voor hun leiders.

De westwaartse beweging lijkt, gelet op de hardnekkige pogingen lid te worden van de Europese Unie, nog steeds niet gestopt. En gezien de in Turkije zelf zeer populaire betekenis van het woord Turk (wetenschappers weten het niet), ‘sterk’ en ‘machtig’, mag je gerust aannemen dat die beweging zich niet zo gemakkelijk laat keren.

(De Gelderlander, 9 oktober 2004)

Vals

De hond van een kennis van een verre vriend was maar een klein opdondertje, maar hij was vals. Niet altijd geweest overigens. Op zeker moment knapte er iets in zijn koppie. Aanvankelijk, toen het hondje van de kennis van een verre vriend nog maar een puppie was, zó uit het nest, was het meer dan alleen een aardig beessie om te zien. Hij had mooie bruine haren en donkere, wat treurige ogen die je hondstrouw aankeken. Je kon hem rustig optillen, over zijn lange haren strijken, aan zijn lange oren trekken zelfs. Ooit trok ik hem aan zijn staart overeind.

Nadat ik de kennis van een verre vriend een tijd niet had gezien en weer eens onaangekondigd door de achterdeur naar binnen wilde komen, was het mis. Er klonk gegrom van de drempel, scherpe tanden blonken bloot in het vale middaglicht. En ik wist dat de hond van de kennis van een verre vriend die drempel beschouwde als de zijne. De kennis van een verre vriend kwam er gehandschoend aan te pas. “Hij is vals”, sprak de kennis. “De dierenarts zegt dat het ras te ver is doorgefokt.” Het hondje heeft de drempel nog drie maanden bewaakt. Toen sliep hij in, met enige hulp.

Liever een vals gebit dan een valse hond. Beter vals zingen dan vals kijken. Liever een vals biljet van 50 euro dan een vals schilderij. ’t Is veel vals wat de klok slaat, de laatste tijd. Het kleine woordje vergezelt ons al eeuwen en eeuwen en dat zegt meer over ons dan over het woord zelf. Met elke generatie lijkt er weer een betekenis of begrip bij te komen en toch is alles terug te voeren naar een vals met een oer-betekenis in drie variaties: niet te vertrouwen, onwaar en nagemaakt.

Voor de herkomst van het woord moeten we terug naar de Romeinen. Vals is terug te voeren op het Latijnse falsus, dat behalve onwaar ook de betekenis droeg van onoprecht. Falsus is te herleiden van het werkwoord fallere (bedriegen). Destijds, in het oude Rome, waren er tientallen woorden in omloop die terugvoerden naar fallere. Al kreeg niet elke keizer een dolkstoot in de rug, intriges waren aan de orde van de dag en voor elk ´valsigheidje´ ontstond wel een nieuwe afleiding: fallacia (list), fallax (bedrieglijk), falsarius (vervalser), falsidicus (leugenachtig), falsiparens (met een verzonnen vader) et cetera. Ook ons woordje fout is afgeleid van fallere.

In onze vroegere taal komt vals voor als valsc en valsch. Misschien hebben onze Germaanse voorouders het woord rechtstreeks aan het Latijn ontleend, maar het kan ook via de omweg van het Oudfranse fals zijn geweest. Dat de taal van onze oosterburen het woordje falsch heeft en zelfs het Zweeds het herkenbare falsk, schijnt allemaal te danken te zijn aan de middeleeuwse Limburgse dichter Hendrik van Veldeke. Zijn teksten zijn in de twaalfde eeuw oostwaarts verspreid en daarmee ook het woordje vals. We mogen toch hopen dat onze voorouders enkel het woord hebben geëxporteerd en niet het gedrag dat ermee wordt aangeduid.

Vertrouwen

(10 november 2001)

Alleen al de vrees voor een recessie lijkt voldoende om er een te doen ontstaan. Het vertrouwen in de economie was al aan het slinken, maar na 11 september gaat het werkelijk als een speer omlaag. De ondernemers in het midden- en kleinbedrijf toonden zich eerder deze week weinig optimistisch over het komende jaar, het Centraal Planbureau heeft de groeicijfers opnieuw naar beneden aangepast en ook de consumenten – wij dus – blijken er weinig fiducie in te hebben dat het op korte termijn nog goed komt met de economie.

Ondertussen geeft onze minister-president blijk van weinig vertrouwen in zijn grote broers, de regeringsleiders van de grote Europese landen. Zijn collega’s dachten vorig weekend even knus te kunnen bijpraten op Downingstreet 10, de ambtswoning van Tony Blair, maar onze Wim vertrouwde het onderonsje voor geen barst en noodde zichzelf ook maar even uit.

Vertrouwen is het toverwoord. Een duurzaam woord, dat, met enige aanpassingen, eeuwen van taalgeschiedenis heeft doorstaan en zich even standvastig heeft betoond als een eiken meubel uit Oirschot. Een vergelijking die niet zomaar uit de lucht komt vallen, getuige de oorsprong van het woord. In het Middelnederlandse trouwe vinden we de stam terug en in nog oudere taalfamilies komen verwante vormen voor als trúwian (Oudengels) en trauan (Gotisch). De oervorm is het indogermaanse dreu of drou, hetgeen betekent ‘zo hard als een eik’.

Wie de verhalen van koning Arthur en zijn ridders van de ronde tafel kent, weet dat trouw als bindmiddel diende voor de relatie tussen de vorst en zijn manschappen. Aan de koning zwoer de ridder eeuwige trouw en de uitwerking was wederzijds: beiden konden op elkaar vertrouwen. Het fungeerde als een verzekeringspolis die in barre tijden met graagte uit de dekenkist werd opgediept.

In ons beroemdste geuzenlied, het Wilhelmus, heeft het vertrouwen zich vast verankerd: “Den Vaderlant ghetrouwe blijf ick tot inden doet” zingen we in het stadion. Het ‘betrouwen’, weggestopt in een strofe verderop die geen supporterskeel ooit bereikt, (“Mijn Schilt ende betrouwen sijt ghy, O Godt mijn Heer”), is een verouderde vorm uit de zestiende eeuw met dezelfde betekenis. Vertrouwen op de bescherming van de Heer. Dat is heel iets anders dan vertrouwen in de economie. Maar misschien bestaat er wel een omgekeerd evenredig verband tussen de twee. Want sinds 11 september worden de kerken weer voller en zijn, in de VS althans, de bijbels niet meer aan te slepen.

Voet

 

Als de voet van de premier ontstoken is, heeft het hele land koorts. Niet echt natuurlijk, want ook zonder de aanwezigheid van de minister-president was de troonrede van afgelopen dinsdag een echte troonrede, was de hoed van Hare Majesteit weer een echte eyecatcher en blonk de gouden koets er geen spatje minder om.

Terwijl er wel degelijk koortsgloed was in Den Haag. Die lichtte op in de gelaten van Lodewijk de Waal en Doekle Terpstra, vakbondsmannen in wier ad’ren de aloude arbeiderskracht vloeit van weleer, toen vakbondslui nog barricadenbouwers en stakingsleiders waren. Lodewijk en Doekle gaan voorop in een hete herfst met een nobel doel: de afbraak van de sociale zekerheid tot staan brengen.

Ondertussen heeft de gecombineerde infectie van streptococ- en stafylococbacterie heel wat voeten in de aarde. Een premier die zijn Prinsjesdag beleeft in een ziekenhuisbed in Capelle aan de IJssel en algemene beschouwingen die uitgesteld moeten worden. De voet van Jan-Peter dook op in menig krantenkolom en heeft het zelfs geschopt tot woord van de week.

Voet komt in herkenbare vorm in vele talen voor en dat betekent dat er een sterke oervorm is geweest. De moderne Engelsen hebben het over foot, hun voorvaders spraken over föt. De oude Duitsers noemden het fuoz, hun nageslacht heeft het over fuss en de Gothen, u kent ze misschien van Asterix en Obelix, noemden hun onderdanen fotus. In het register van het Proto Indo Europees (een gereconstrueerde, vermoedelijke taal waar veel moderne talen van afstammen) is een stam opgenomen die als basis voor al die ‘voet-vormen’ geldt: pod/ped.

Of dat nog op ons voet lijkt, vraagt u? Zeker wel. Als u maar accepteert dat de klanken van de F en de V en de B en de P op dezelfde wijze worden gevormd, namelijk met de lippen. De P en de F zijn de stemloze varianten van de stemhebbende B en V. En daarom is ons huidige voet familie van het Latijnse pes en het Griekse pous/podos.

Dat was een lange omweg. Alleen maar bedoeld om nog eens te kunnen verhalen van de tragische Oidipous. Dat was de klassieke voorloper van onze huidige premier. De mythische figuur had namelijk ook een ontstoken voet. Hij heeft er zelfs zijn naam aan ontleend want het Griekse oidi-pous betekent ‘gezwollen voet’. Oidipous staat voor tragiek in het kwadraat. Zijn vader, koning Laïus, liet hem met doorboorde voet in het bos vastbinden want het Orakel van Delphi had voorspeld dat zijn  eigen zoon hem zou vermoorden. Maar de wilde beesten vraten het kind niet op; hij werd door een herder gevonden die het kind naar zijn kinderloze koning bracht. Toen Oidipous een jongeling was kwam hij op een landweg een paardenmenner tegen die niet aan de kant wilde. Oidipous was al behoorlijk opgefokt want hij kwam net van het Orakel van delphi dat hem had voorspeld dat hij ooit zijn eigen moeder zou huwen. In het gevecht dat ontstond, stak de jongeling de man dood en u en ik weten wie die menner was… Later, na in Thebe grote heldendaden te hebben verricht, krijgt hij uit dankbaarheid de zuster van de koning tot vrouw. U en ik weten wie die vrouw was…

Zo zie je maar, met zo’n gezwollen voet, daar kan het verkeerd mee aflopen. Vooral uitzieken dus, Jan-Peter. (De Gelderlander, 25 september 2004)

Vogelpik

(12 januari 2002)

Af en toe verdient onze moerstaal een kleine oppepper. Daarom verkozen wij, eigenwijs als we zijn, deze week niet darts tot woord van de week, maar vogelpik. Het is zo’n beetje hetzelfde, maar het klinkt leuker. Spannender ook. Het vriendelijke caféspelletje is reuze populair nu steeds meer Nederlanders het walhalla van het vogelpik, The Lakeside Country Club in het Engelse Firmley Green, weten te bereiken.

Het mag dan opvallend heten dat Hollanders het zover hebben geschopt in wat voor een typisch Engels kroegvermaak moet doorgaan, historisch gezien is het niet zo vreemd. Want volgens onbevestigde berichten is vogelpik van oorsprong een Nederlands tijdverdrijf. Om precies te zijn: Gronings. Met dien verstande dat de pijltjes vroeger niet werden gegooid, maar door een buis geblazen. Het Groningse dartbord heette poestbret; poesten betekent blazen.

Ook bij hun tegenvoeters, de Limburgers, is het vogelpik een oud volksvermaak. Al draaiden ze in het zuiden, zoals wel vaker, de woorden om. Het heet er niet vogelpik, maar pikvogele. Als het beestje maar een naam heeft. Zeker is dit: onze taal kent al eeuwen het woordje pik in de betekenis van een spits voorwerp. In de Middeleeuwen was een pike een lans met een platte, ijzeren punt. Het glinsterende kleinood dat u vorige week uit de nok van uw kerstboom haalde, heet om dezelfde reden piek: ook een spits geval.

Een piek die u overigens niet moet verwarren met die waarvan we twee weken geleden afscheid hebben genomen: de gulden. Waarom de bejaarde munt met het Bargoense piek wordt aangeduid is niet voor honderd procent zeker. Misschien omdat er vroeger munten in omloop zijn geweest waarop de Hollandse Maagd prijkte die een lans, een piek dus, in haar hand had.

Het spelletje vogelpik komt u in Nederland alleen nog maar tegen in de catalogi van bedrijfjes die personeelsavondjes organiseren. Het staat, samen met sjoelen en barakken, bekend als oud-Hollands spel. Terwijl er waarschijnlijk nog nooit zoveel beoefenaars zijn geweest als nu, in cafés en dorpshuizen in het hele land. Maar daarvoor moest het eerst de naamsverandering ondergaan van vogelpik naar darts. ‘Zullen we een potje darten?’ klinkt weliswaar minder kneuterig, maar ‘Wat dacht je ervan, jij en ik een potje vogelpik?’ heeft toch ook wel wat.

Voornaam

 

Opstootje in de gang. Twee van de drie dochters trekken om het hardst aan een Postbankenvelop. De derde, de jongste, kijkt geamuseerd toe, de firma Blauw heeft haar nog niet ontdekt.

‘Hij is voor mij’, schreeuwt dochter één. ‘Nietwaar, voor mij’, huilt de ander. Nog net voordat de envelop in stukken uiteenvalt, laat ik mijn vaderlijk gezag gelden, eis de briefomslag op en maak hem zelf open. Deze inbreuk in hun privacy is een noodzakelijk kwaad. Toen de schatjes geboren werden, hielden hun moeder en ik vast aan een halsstarrigheid die zelfs de betweterige bemoeizucht van de  ambtenaar van de burgerlijke stand wist te weerstaan. Ze hebben alledrie maar één voornaam en daarvan is de beginletter bij alledrie dezelfde. ‘En als ze straks post krijgen?’ was de meest gestelde vraag aan de twee laatste kraambedden. Waarop ik steevast met misplaatste vooruitziende blik antwoordde: ‘Tegen die tijd worden zelfs er toch geen liefdesbrieven meer.’

Ach ja, een naam kiezen voor een baby. Ongetwijfeld hebben Alex en Máxima er avonden aan besteed. Ze zullen familieleden de revue hebben laten passeren, namen van vrienden en bekenden op de tong hebben geproefd en in boekjes hebben gebladerd op zoek naar de betekenis van een naam. Ze hebben vast niet gesnuffeld in een boekje waarin voornaam werd verklaard.

Nu is die betekenis ook niet zo schokkend. Naam is een senior in onze taal, zeker als we de Middeleeuwse vorm, name, meetellen. Er moet een oervorm zijn geweest die een grote verbreiding heeft gehad. Anders zou het woord niet in zulke verwante vormen in verscheidene talen zijn opgedoken. Het antieke Engelse kende noma, het Oudgrieks had het over onoma, een Romeinse soldaat had een nomen  en ouders uit de Oudindische tijd kozen voor hun pasgeborene een naman. Pas toen Napoleon ons verplichtte een burgerlijke stand bij te gaan houden, werden de achternamen van belang. Veel voornamen stonden model voor een achternaam. Het woordje zoon erachter en klaar was Kees. Deze achternamen (Jansen, Thijssen, Klaassen) heetten patroniemen.  Het omgekeerde mag overigens niet in Nederland: een voornaam mag geen bestaande achternaam zijn. Leuke bijkomstigheid van een patroniem: de naamgevende voorvader verwierf de eeuwigheid. Zo ben ik nog steeds op zoek naar ene Frans. Mijn stamboom is niet zo zorgvuldig opgetekend als die van onze kroonprins.

Een bescheiden advies aan het kersverse ouderpaar: geef de volgende royale spruit toch vooral een andere beginletter. Toen ik om de zustertwist te beëindigen de giro-envelop opende, greep ik vergeefs naar het bankafschrift. De brief van de Postbank was noch voor dochter één, noch voor dochter twee. Hij was voor nummer drie! ‘Hoi C! Wordt het niet eens tijd voor een pennierekening? Dat is pas vet!’

Winnie

(5 oktober 2002)

Het was een mooie herfstdag en de zon schilderde fraaie kleuren in het bos. Knorretje, die in een deftig huis woonde onder in een grote beukenboom, midden in het woud, zette zijn brilletje op en keek naar buiten. ‘Er liggen veel bladeren onder de boom,’ zei hij tegen zichzelf. ‘Moet er niet eens flink gebezemd worden?’ En toen hij geen antwoord kreeg van zichzelf, hetgeen hij ook niet had verwacht, want hij had nog nooit een antwoord van zichzelf gekregen als hij tegen zichzelf had gesproken, besloot hij zijn scheerbeurt, net als de dag daarvoor, over te slaan. Hij sloeg zijn dasje om zijn halsje, nam de bezem uit de kast en ging naar buiten. Kalm en bedaard sloeg hij aan het bezemen. De bladeren vlogen alle kanten op. Ze  weigerden op een stapeltje te blijven liggen, maar Knorretje ging onverstoorbaar verder. “Deze taak moet volbracht,” sprak hij zacht. “ ’t Is in de geest van Janneman Robinson.”

Toen hij toevallig even opkeek, zag hij Winnie-de-Poeha aldoor in een kringetje rondlopen, zonder naar iets anders te kijken dan naar de grond.

“Hallo Winnie!” riep Knorretje uit. “Wat voer je daar toch uit?”

“Ik ben iets op dat spohr,” sprak Winnie geheimzinnig, zonder op te kijken. Knorretje moest even glimlachen. Je kon nog steeds goed horen dat Winnie lang in het Andere Woud had gewoond.

“Wat voor een spoor bedoel je?” vroeg Knorretje, terwijl hij zijn bezem weglegde.

“Dat vraag ik mij af, wat voor ein spoor,” zei Winnie.

“En wat denk je dat je jezelf zult antwoorden?” vroeg Knorretje, die zelf nog nooit een antwoord van zichzelf had gehad en sinds het verdwijnen van Janneman ook niet meer van anderen.

“Als ik het weet, zal ik het zeggen,” zei Winnie. “Maar kijk eens hier, wat zie jij daar?”

“Sporen!” riep Knorretje uit. Hij maakte een sprongetje van schrik en moest daarna zijn brilletje rechtzetten.  “Zouden het sporen van de Ander kunnen zijn?”

“Het kan zijn en het kan niet zijn,”  zei Winnie, die de sporen verder vervolgde. Knorretje sloot zich bij Winnie aan en keek ook voortdurend naar de grond.

Na een tijdje stond Winnie plotseling stil. “Da’s vreemd. Nun zie ik ineens twee paar sporen.” Knorretje zag het ook. Hij had het al eerder gezien, maar dorst het niet te zeggen.

Boven, in het topje van de beukenboom, zat Janneman Robinson. Hij zag Winnie en Knorretje stilstaan en elkaar verwonderd aankijken, hij zag twee paar sporen in het zand rond de boom, hij zag de bladeren die alle kanten opwoeien en niet op een bergje wilden blijven liggen en hij glimlachte.

(Met dank aan A.A. Milne)

Zweven

(18 januari 2003)

´t Is eigenlijk niet eerlijk. De zwevende kiezer heeft het voor het zeggen. De zwevende kiezer bepaalt volgende week wat voor regering we krijgen en de standvastige, trouwe stemgerechtigde die bij elke verkiezing op het knopje van dezelfde partij drukt, heeft het nakijken. Misschien moeten we de trouwe stem maar zwaarder mee laten  tellen. Wie vier keer achtereen op dezelfde partij heeft gestemd, mag woensdag twee keer op het knopje drukken. Trouw moet beloond worden, trouw staat vast op het lijstje normen en waarden dat de premier in de binnenzak van zijn colbert bij zich draagt. Zweverigheid vast niet.

Daidalos en Ikaros waren misschien wel de eerste zwevende kiezers. Ze kozen er voor te ontsnappen aan het juk van koning Minos, liever het risico van de dood door als vogels van het eiland af te zweven dan een levenslange gevangenschap in diens labyrint. Met zelfgemaakte vleugels, van was en veren, zweefden vader en zoon van het eiland af en alles ging goed totdat zoonlief Ikaros te hoogmoedig werd. Hoogmoed komt voor de val en dus toen hij te dicht bij de zon kwam, smolt de was en keilde hij als een komeet naar beneden. De zee waarin hij jammerlijk verdronk, werd naar hem genoemd, maar dat is een schrale troost. Er bestaat een prachtig schilderij van Pieter Brueghel de Oudere uit 1558 waarop we nog net de beentjes van Ikaros boven de golven uit kunnen zien steken terwijl hij in zijn eigen zee plonst.

Het woord zweven stamt af van het Oudengelse swifan en het Oudnoorse svifa. De oorspronkelijke betekenis heeft niets met door de lucht glijden te maken, maar met keren, slingeren en draaien. Dat klopt dan weer wel als we het over zwevende kiezers hebben. Zij komen immers steeds weer bij een andere partij uit, keren en draaien tussen de een en de ander.

Zweven is de zwaartekracht uitdagen. Met een moeilijk woord ook wel levitatie genoemd. Als we mediterende yogi´s even buiten beschouwing laten, kunnen we stellen dat je niet zonder hulp kunt zweven. Je hebt er wind voor nodig of thermiek, het opstijgen van warme lucht. Daarin schuilt ook het verschil met vliegen, want wie vliegt, levert zelf energie om stuwkracht en vervolgens beweging door de lucht op te wekken. Sommige vogels zijn ware meesters in het zweven en vooral voor grote vogels is het een uitkomst want het kost veel energie om te klapwieken met grote vleugels. Albatrossen zijn heer en meester op zweefgebied. Hun vleugels hebben zelfs een ingebouwde rem die ervoor zorgt dat als de vleugels worden uitgestrekt, ze blokkeren en zolang mogelijk gestrekt blijven.

Voor wat meer rust op het peilingenfront en voor de gemoedsrust van de lijsttrekkers ware het misschien geen gek idee om een eigen partij voor zwevende kiezers op te richten. De lijst ALBATROZ. Voor alle bange trouwe zwevers.

 

© Geurt Franzen/De Gelderlander