Eerder verschenen in De Gelderlander van 23 maart 2026
De Graafse Vincentiusvereniging heeft halverwege de 19e eeuw een gaarkeuken – spijskeuken genoemd – waar de armen van december tot en met april terecht kunnen voor een warme maaltijd. Uiteraard kost zo’n keuken veel geld. Hoe komt de vereniging daaraan? Door ‘bonnen’ te verkopen. Graafse burgers die het beter hebben, kopen bonnen à 5 cent per week. Elke bon staat voor één maaltijd voor een minderbedeelde.
De vereniging gaat met een intekenlijst langs de deur. Elke weldoener schrijft zijn naam op de lijst en daarachter het aantal bonnen. Dat is slim. Wie het goed heeft, wil natuurlijk niet achterblijven bij burgers uit hetzelfde milieu.
Zo wordt de lijst van de winter van 1854/1855 aangevoerd door pastoor Adam Bernts. In de kolom ‘Aantal portiën per week’ noteert hij: 20. Reken maar dat de volgende bij wie wordt aangeklopt, dat is Henricus de la Geneste, rector van het gesticht voor slechtziende meisjes, óók intekent voor 20 bonnen à 5 cent en dus wekelijks 1 gulden gaat betalen. De pastoor zet de norm en de welgestelden volgen hem braaf, althans een tiental ingezetenen, totdat H. Keijenberg als eerste voor een lager aantal durft in te tekenen (10). Daarna durven ook andere burgers een lager bedrag op te schrijven.
De ongeveer tachtig inschrijvers staan samen garant voor 524 bordjes warm eten per week. Dat vindt de pastoor na de rondgang door het stadje niet genoeg: hij zet er nog eens 30 porties op zijn kosten bij. Ook de Graafse legerkapitein, Cox van Spengler, blijkt, als laatste, bereid om van zijn soldij wekelijks 35 cent af te staan.
Zo’n systeem vereist administratie. Alle inkomsten en uitgaven worden keurig bijgehouden. Uit het overzicht van de winter van 1852/1853 maken we op dat sommige armlastige Gravenaren een eigen bijdrage betalen (iets van 2 cent) en de ècht armen de maaltijden gratis krijgen. Ook leren we dat op slechts drie dagen per week, op maandag, woensdag en vrijdag wordt gekookt. Op de andere dagen moeten de armen zichzelf zien te redden. Of met een rammelende maag naar bed.
Tussen begin december en begin mei worden 9.750 maaltijden gekookt, waarvan er 2.650 helemaal gratis zijn. De weldoeners brachten 353 gulden bij elkaar in die wintermaanden. Een enkeling deed een gift in natura. Een onbekende bracht een runderkop, een tweede kwam met een zijde spek aanzetten, weer een ander had een halve ton bier over en een vierde schonk drie pond siroop.
Zo scharrelde de Vincentiusvereniging de benodigde middelen bij elkaar zodat meel, groenten, erwten, gerst en zout kon worden aangeschaft. Ook het brandhout moest betaald worden. Ten slotte kregen de ‘keukenmeiden’, de vrouwen die de maaltijden – waarschijnlijk was het meestentijds soep – loon: 52 gulden in totaal. Aan het eind van de winter kon decpenningmeester met een voldaan gevoel de boeken afsluiten. De club had 341 gulden uitgegeven, maar 358 gulden ontvangen. Zodat de Vincentiusvereniging met een positief saldo van 17 gulden met een goed vooruitzicht uit kon kijken naar de volgende winter. Wordt vervolgd.
Illustratie: De soepuitdeling, aquarel van Vincent van Gogh uit 1883 (publiek domein).