Skip to content
Menu
Geurt Franzen
  • Activiteiten
  • Profiel
    • Media
  • Columns
    • Dwarskijker
    • Geen nieuws
    • Theater.nl
    • Vakantie
    • Weekwoord
  • Over kunst
  • Fabels
  • Historie
    • Armoede
    • Belgische Opstand
    • Bevrijding Stap Voor Stap
    • Diverse historische artikelen
    • Sprekend Verleden
  • Lezingen
  • Mijn boeken
    • Plagen & Tegenslagen
    • Duiveldans
    • Tot frontgebied verklaard
    • Zeven Dagen
    • Bijdragen aan boeken van derden
    • Werk in uitvoering
  • Songteksten
    • Carrousel
  • Contact
  • THEATER
Geurt Franzen

2. Strenge winters en aardappelziekte bron van armoede

Posted on 30 september 202630 september 2026

Eerder verschenen in De Gelderlander van 9 maart 2026

In januari 1853 ontvangt M. van de Wiel uit Grave van de plaatselijke Vincentiusvereniging – een kerkelijk armenbestuur – een jas. Hij is te arm om er zelf een te kunnen kopen en het is koud. Later die maand krijgt hij ook nog een borstrok voor een van zijn kindjes. Van de Wiel is niet de enige die hulp krijgt. Tientallen Graafse gezinnen houden hun hand op. Het gezin van Evers krijgt lakens en een deken, Jan van Driel een jongensjasje en de weduwe Vos wordt blij gemaakt met een tweepersoons strozak. In het eerste kwartaal van 1853 doet de vereniging 44 giften.   

Tot aan de Franse tijd (1794 tot 1814) vergaat het de meeste bewoners van wat nu Nederland heet, best goed. In de 19eeeuw neemt de armoede toe. De economie gaat niet in gelijke tred op met omliggende landen. Stoom en ijzer zijn de drijvende krachten achter de mechanisatie, maar daar heb je steenkolen voor nodig en die worden in ons land nog nauwelijks gedolven.

De 19e eeuw brengt vernieuwingen, maar ook epidemieën en strenge winters. Er worden veel kinderen geboren, maar ook de sterftecijfers zijn hoog en de gemiddelde levensduur laag. Eén op de vijf kinderen haalt zijn eerste verjaardag niet. De levensverwachting ligt halverwege de eeuw rond de 35. Wie de kinderleeftijd overleeft, wordt hooguit 50 of 60 jaar.  

Niet alleen strenge winters, een haperende economie en epidemieën lijden tot armoede. Er zijn ook individuele factoren. Wie in zijn jeugd te weinig of te eenzijdige voeding krijgt, wordt niet sterk en zal als minder goede arbeidskracht later minder geld verdienen. Slechte voeding in je jeugd maakt je als volwassene veel ontvankelijker voor ziekten. Ten slotte geeft een gebrekkige opleiding je minder kansen op goedbetaald werk. Veel inwoners van het Land van Cuijk en Noord-Limburg zijn afhankelijk van een gezinslooneconomie: vrouw en kinderen moeten meewerken.

De situatie verbetert langzaam, de economie is gevoelig voor internationale gebeurtenissen. Zoals de aardappelziekte in 1845 die tot hongersnood lijdt in heel Europa. Of het goedkope graan waarmee de VS in 1877 de Europese graanmarkten in een depressie brengt. Eind 19e eeuw gaat het beter: minder mensen sterven aan tbc, tyfus en cholera, de voeding is sterk verbeterd en de regering schaft de belasting op voedingsmiddelen, zoals brood, af. De paradox? Meer kinderen en ouden van dagen die in leven blijven betekent ook: meer monden te voeden.  

Hoe wordt de armoede te lijf gegaan? Armenbesturen, in onze regio vooral kerkelijke, nemen de armenzorg op zich. Maar wel… als gunst. Wie zich niet dankbaar opstelt, de zondagse mis overslaat of te lui is om te werken, krijgt niets. Arme gezinnen krijgen brood. Dat is roggebrood. Alleen oudjes die met hun slechte gebit dat taaie brood niet weg kunnen krijgen, ontvangen het duurdere witbrood. Weduwen, bejaarden en invaliden krijgen een paar dubbeltjes in de week en ’s winters turf voor de kachel. ‘Afgeleefde’ bejaarden, zoals dat in die tijd heet, worden opgenomen in gestichten waar nonnen zich om hen bekommeren. Wordt vervolgd.

Illustratie: Aardappelrooiers. Aquarel van Anton Mauve (1838-1888). Een aardappelziekte lijdt in 1845 tot grote hongersnood in Europa. Bron: Rijksmuseum Amsterdam 

©2026 Geurt Franzen | WordPress Theme by Superb WordPress Themes