Eerder verschenen in De Gelderlander van 2 maart 2026
Je hoeft maar naar de toeslagenaffaire te kijken en je weet: er is niet zo heel veel voor nodig om in armoede te vallen. Armoede is van alle tijden. Wel is de armoede in Nederland veranderd sinds begin vorige eeuw. In omvang, dus minder mensen leven in armoede, maar ook van absoluut naar relatief, oftewel: van honger naar weinig luxe.
Gelukkig hebben we in Nederland een overheid die een vangnet heeft gecreëerd zodat niemand hoeft om te komen van de honger.
Dat was vroeger niet zo. Kijk naar Deleana Gerrits. Die woont in 1737 in Beugen. Als haar man Hubert Gerrits Graet komt te overlijden, vervalt ze snel in armoede. Ze heeft kinderen te voeden uit het eerste huwelijk van haar man, geen inkomsten nu er geen kostwinner meer is en een aantal onbetaalde rekeningen te vereffenen. Ze ziet zich genoodzaakt om aan de ambtman van Grave en het Land van Cuijk, dat is in die dagen de hoogste bestuurder, toestemming te vragen om het weinig dat ze heeft aan ‘haeff en meubilaire goederen’ – have en goed – te verkopen. Die toestemming heeft ze nodig omdat die minderjarige kinderen alles hebben geërfd van hun vader; officieel heeft ze er geen zeggenschap over. Gelukkig stemmen ook Gerrit Graat en Jacob Ebben, de mannen die bij de dood van haar man tot voogd zijn benoemd over de kinderen, ermee in dat ze haar huisraad te koop aanbiedt.
De ambtman, Gerard Torsinck, geeft de gevraagde toestemming. Maar hij verbindt er wel de voorwaarde aan dat de voogden zich blijven bekommeren om het welzijn van de kinderen en stelt ook dat die twee, Graat en Ebben dus, ter verantwoording zullen worden geroepen als de kinderen dreigen te worden verwaarloosd.
Hoe wordt de situatie van Deleana Gerrits verbeterd? Zoals in die tijd gebruikelijk wordt er zo snel mogelijk een nieuwe kostwinner voor het gezin gezocht, oftewel: een nieuwe echtgenoot. Vermoedelijk heeft Deleana daar geen werk aan gehad, en evenmin veel zeggenschap. Haar familie, of de voogden, zullen op zoek zijn gegaan naar een geschikte kandidaat en die werd het jaar daarop al gevonden. Op 27 juni 1738 trouwt ze met een man uit Beugen die min of meer in hetzelfde schuitje zit: diens vrouw is vroeg overleden en ook hij heeft drie minderjarige kinderen. Hij kan wel geld inbrengen voor het gezin, maar voor de zorg, opvoeding en het huishouden geen tijd hebben gehad. Een verstandshuwelijk dus met als win-winsituatie: de armoede van het ene gezin opgeheven en het andere gezin krijgt een bonusmoeder, zoals we dat tegenwoordig noemen. Overigens wordt bij de ambtman wel iets vastgelegd: de drie kinderen van de man ontvangen als ze meerderjarig worden elk 3 gulden en 3 stuivers.
Weduwen met kinderen die nog niet aan het gezinsinkomen kunnen bijdragen, zijn in die 18e eeuw, maar tot ver in de 19e eeuw, op het Land van Cuijkse en Noord-Limburgse platteland de grootste slachtoffers van armoede. Daaraan komt pas een einde als de landelijke overheid ‘sociale politiek’ gaat voeren, vanaf 1890. Tot dan ligt het lot van de armen in de handen van familie, buren en (kerkelijke) armbesturen. De komende weken leest u daar meer over in deze rubriek.
Illustratie: De verbeelding van armoede en weelde. Prent van Arnold Houbraken, 1710-1719. Bron: Rijksmuseum Amsterdam