(Eerder verschenen in De Gelderlander in de rubriek Plagen & Tegenslagen)
Meevechten tegen de Belgen? Daar voelen veel Brabanders niet voor tijdens de Belgische Opstand. Er is sympathie voor de zuiderlingen, die net zoals zij katholiek zijn en zich achtergesteld voelen door door Hollandse machthebbers. Dus als in augustus 1830 de Belgische Opstand begint en koning Willem I de mobilisatie afkondigt, zeggen velen: ‘Bekijk het maar!’
Wat wellicht meespeelt, is dat de soldaten expres ver van huis worden gelegerd. Als ze tegen hun buren moeten vechten, misschien kennen ze die lui persoonlijk, dan zouden ze zomaar hun geweer kunnen weggooien. Daarom komen soldaten uit het oosten van Brabant terecht bij onderdelen in West-Brabant en Zeeland.
Er blijven zoveel mannen weg, dat de koning eind december 1830 een ongebruikelijke maatregel afkondigt. Wie zich alsnog meldt, hoeft niet bang te zijn voor een straf. Normaliter worden deserteurs zwaar gestraft. Maar de legerleiding geeft ze alsnog een kans.
In het ‘brave’ Land van Cuijk zijn najaar 1830 niet veel deserteurs. Johannes Bongers uit Beugen, Johannes van den Boom uit Cuijk, Antoon Vos uit Velp en Cornelis Abels uit Wanroij, die komen niet opdagen. In totaal weigeren in die maanden 315 Brabantse jongens de dienstplicht.
Een jaar later is de situatie anders. We hebben gezien – zie vorige afleveringen – dat er vuurgevechten waren in augustus 1831 in het Land van Cuijk. Misschien speelt dat mee. Feit is dat nu veel meer jongemannen uit het district Boxmeer (Land van Cuijk en omgeving) het vertikken om een uniform aan te trekken. De Opregte Haarlemsche Courant schrijft op 18 oktober 1831: ‘Met leedwezen bespeurt men, dat de tot de dienst bij de schutterij opgeroepenen van Boxmeer niet, gelijk anderen, aan hun verpligting voldoen.’
Een deserteur komt uit Beers, een andere uit Escharen, vijf uit Beugen, twee uit Boxmeer, twee uit Sambeek, drie uit Wanroij, zes uit Cuijk, twee uit Haps en maar liefst zeven uit Oploo.
Ook bij de ‘vijand’, in de kop van Noord-Limburg, is weinig animo voor het legeruniform. Mook en Middelaar en Gennep hebben zich eind 1830 snel bekeerd tot de Belgen. Maar de inwoners kregen niet wat ze hoopten. Opnieuw blijken ze in een uithoek van een staat te wonen; nu worden ze genegeerd door de Belgische machthebbers, vanuit Hasselt. Jongens uit Mook zoeken daarom een baantje op vijandelijk grondgebied, in Heumen en Malden bijvoorbeeld. Ze laten zich zo min mogelijk zien in hun eigen woonplaats waar de Belgen de baas zijn. Ook leeftijdsgenoten uit Gennep, Ottersum, Heijen, Horst en Venray verschuilen zich op Nederlands grondgebied.
De Nederlandse legerleiding treedt nu wel hard op. Tussen 1830 en 1839 verschijnen 244 mannen voor de krijgsraad in Den Bosch. Een enkeling wordt heel zwaar gestraft: Johan Dapper bijvoorbeeld, die, anders dan zijn naam doet vermoeden, geen zin had om te vechten. Op 12 april 1833 wordt hij op de hei in Heeze opgehangen. Wordt vervolgd.
Illustratie: Aanplakbiljet van 21 december 1830 waarin de gouverneur van Noord-Brabant deserteurs oproept zich alsnog bij hun legeronderdeel te melden. Ze zullen bij wijze van uitzondering niet gestraft worden. Bron: BHIC ‘s-Hertogenbosch