(Eerder verschenen in De Gelderlander in de rubriek Plagen & Tegenslagen)
De rust keert terug in het Land van Cuijk, na de invallen van de Belgen op 11 en 12 augustus 1830. Maar dat geldt niet voor iedereen. Justitie is op zoek naar twee Vierlingsbeekse mannen die vermoedelijk de Belgen hebben geholpen bij de overval op het dorp.
De officier van justitie geeft de commissaris-speciaal te Boxmeer, dat is Jac. Gijsbert van der Werken, op 5 oktober opdracht om te mannen op te sporen. Hij wil ook dat als burgemeester Frans Verblackt van Venray zich ergens laat zien, dat hij wordt opgepakt. Verblackt wordt ervan verdacht de Garde Civique te hebben geleid toen die Maashees en Vierlingsbeek overviel.
De Venrayse burgemeester is wel zo verstandig om in Limburg te blijven. Maar de twee vermoedelijke verraders vertonen zich wel aan de Brabantse kant en worden in de loop van oktober gearresteerd. Het zijn Hendrik Ponjée, een 21-jarige schoenmakersknecht uit Vierlingsbeek, en Peter Cuijpers, een 24-jarige koperslagersknecht, die ook in Vierlingsbeek woont. Beiden hebben hun ‘roots’ liggen in het nu ‘Belgische’ Noord-Limburg: Ponjée is geboren in Bergen, Cuijpers in Venray.
Justitie wil bij de rechtbank een sterk pleidooi kunnen afsteken. Daarom moet Van der Werken zoveel mogelijk mensen verhoren. De predikant van Vierlingsbeek, Gerard van Bronckhorst, legt een verklaring af, maar ook de Vierlingsbeekse burgemeester Janssen en andere inwoners, zoals Jan Achten. Die zou zijn geweer op 11 augustus hebben moeten afstaan aan Ponjée. Ook wil de officier weten wie in Vierlingsbeek hebben gezien dat Ponjée zich met de gewapende Belgen zou hebben opgehouden. Ten slotte vraagt hij om bewijzen waaruit blijkt dat Cuijpers zich op die bewuste dag misdragen heeft.
Bij justitie leven ook vragen over de rol van burgemeester Janssen tijdens de inval. Hij zou Willem Janssen opdracht hebben gegeven om voor de Belgen wapens op te halen. Niet alleen Jan Achten raakte zo zijn wapen kwijt, het geldt ook voor onder anderen Piet van den Bosch, Peter Klaassen, Jan Hendrik van Bon en predikant Van Bronckhorst.
Maanden later, op 24 februari 1832, buigen de rechters van de rechtbank in Eindhoven zich over de zaak. Ponjée en Cuijpers worden ervan beschuldigd ‘in daadwerkelijke verstandhouding te zijn getreden met de vijanden van de Staat teneinde de voortgang hunner wapenen te bevorderen’. Ook zouden ze zich hebben gekleed in dezelfde ‘oproerige’ kleding als de opstandelingen. De rechtbank heeft vijftien getuigen opgeroepen.
Beide mannen worden vrijgesproken van het ‘zich vermengen met de roerlingen’. Dat ze daadwerkelijk hebben meegedaan aan het doorzoeken van de Vierlingsbeekse huizen, hetgeen justitie ze verwijt, acht de rechtbank niet bewezen. Maar de twee hebben wel opzichtig gesympathiseerd met de Belgen, vindt de rechtbank. Ponjée en Cuijpers moeten twee jaar de cel in en de kosten van de rechtszitting betalen: 57 gulden en tweeënhalve cent. Wordt vervolgd.
Illustratie: Vierlingsbeek op een tekening van Jan de Beijer, getekend in de achttiende eeuw.