(Eerder verschenen in De Gelderlander in de rubriek Plagen & Tegenslagen)
De Tiendaagse Veldtocht, de opmars van Nederlandse troepen in het opstandige België, op 2 augustus 1831 begonnen, verloopt voorspoedig. Het Belgische leger is niet opgewassen tegen de ruim 30.000 Hollandse soldaten. Op 11 augustus lijkt de victorie nabij als de voorhoede van het Scheldeleger wordt verslagen. Maar dan schieten de Fransen de Belgen te hulp…
Op die donderdag slaat de inwoners van het Land van Cuijk de schrik om het hart. Terwijl de militairen die de streek bewaakten nu meedoen aan de Veldtocht, zien de Belgen hun kans schoon. Het Land van Cuijk wordt aangevallen, vanuit het zuiden én het oosten.
Op maandag 8 augustus was een officier met twintig manschappen nog langs de Maas naar Maashees getrokken. Een verkenningstocht. Ze ontdekten aan de overkant posten van de Garde Civique, de Belgische burgerwacht, maar omdat die zich stilhielden, meende de patrouille dat er geen gevaar dreigde. Voor de zekerheid bleef een klein detachement achter in Maashees. De rest was teruggekeerd naar het garnizoen in Grave.
Maar om half zes op donderdag de 11e wordt Maashees overrompeld door drie compagnieën Belgische milities en mannen van de Garde Civique. Die dragen de blauwe kielen die de afscheidingsbeweging als uniform heeft gekozen. Ze komen uit de richting van Geijsteren. Het handvol Hollandse kurassiers – infanteristen te paard – heeft geen schijn van kans. Een enkeling weet te ontsnappen en haast zich naar het Grave om hulp in te roepen. Eén van de achtergebleven marechaussees wordt door de knecht van gemeentesecretaris Bovens verstopt in een stal. Die soldaat weet later Boxmeer te bereiken. Er gaat ook het verhaal dat de man zich onder het hooi verstopte en gewond raakte toen een Belg zijn piek in het hooi stak.
Enkele Belgen beklimmen de kerktoren van Maashees en hijsen daar de zwart-geel-rode Belgische vlag. Ook maken ze de kas van de belastingontvanger buit.
Rond de klok van negenen trekt vanuit Venray ook een Belgische meute naar Vierlingsbeek. Al snel wappert ook daar de Belgische driekleur aan de kerktoren. Geholpen door twee inwoners van het dorp, later blijken dat Hendrik Ponjée en Peter Cuijpers te zijn, gaan de opstandelingen van deur tot deur op zoek naar wapens. De zoektocht levert twintig pistolen en zeven geweren op. De mannen kloppen ook op de poort van kasteel De Hattert, waar de gepensioneerde luitenant-generaal Jan Stedman woont. De oud-militair moet zijn degen inleveren.
In Maashees en Vierlingsbeek eisen de Belgen onderdak en eten. Ze hebben flinke honger en dorst, getuige de eis dat er niet minder dan 1600 pond brood moet worden geleverd. Ook 4 ossen voor de slacht, 16 flessen wijn om alles mee weg te spoelen en 300 pond spekkoek als nagerecht. Na de bezetting van Vierlingsbeek en Maashees worden de ogen op Sambeek gericht (wordt vervolgd).Bijschrift: Een blauwe kiel, het gevechtstenue van de Garde Civique, de Belgische vrijwillige burgerwacht ten tijde van de Belgische Opstand. Foto: