(Eerder verschenen in De Gelderlander in de rubriek Plagen & Tegenslagen)
Als op 17 november 1830 Nederland en het opstandige België besluiten voorlopig de wapens neer te leggen, betekent dat niet dat er een einde komt aan de spanningen aan de grens tussen beide. Vanaf Belgische grond steken regelmatig groepjes ‘muitelingen’, zoals de Nederlandse regering en de regeringsgezinde pers hen noemen, de grens over. Het zijn geen georganiseerde Belgische troepen die proberen land te veroveren, maar lieden die onder het mom van de opstand persoonlijk voordeel proberen te behalen.
Vooral in de eerste maanden van 1831 is het raak. Op 26 januari steken muitelingen de grens over bij het Brabantse Putte, in de buurt van Woensdrecht. De opstandelingen kloppen voor geld en kleren aan bij de boerderij van Peter Graffe. De schoonzoon van de boer krijgt een steek van een bajonet en de muiters trekken de boerenknecht door een vuur, waardoor zijn voet ernstige brandwonden oploopt. De rovers maken 90 gulden buit en stelen kleding en linnengoed ter waarde van 100 gulden. Als Belgische militairen, gelegerd in Antwerpen, dat horen, sporen zij de rovers op en zorgen ervoor dat het gestolen goed terugkeert op de boerenhoeve.
In het Zeeuwse Eede komen muitelingen angst zaaien. Ze dwingen de pastoor en de burgemeester om de Belgische vlag uit te steken. Als ze dat weigeren, worden ze ernstig bedreigd, maar de muitelingen vertrekken zonder daadwerkelijk gewelddadig te zijn.
In Rijsbergen steken zes opstandelingen de grens over voor een rooftocht. Maar die worden opgewacht door een patrouille militairen. Alleen door in de rivier de Aa te duiken, kunnen de rovers ontsnappen aan de kogels die op hen worden afgevuurd.
Ook Maashees, grensplaats tegen wil en dank, krijgt ongenode gasten op bezoek. Dat gebeurt op de avond van 8 februari 1831. Vijf muitelingen, geholpen door twee mannen uit de buurt, een Venraynaar en een Vierlingsbekenaar, overvallen met wapens in de hand het dorp. Ze bezetten de toegangswegen en kloppen aan bij burgemeester H. Janssen en eisen sterke drank. Ook eisen ze van de burgemeester dat hij een verklaring ondertekent waarop staat dat de opstandelingen in Maashees zijn geweest. Dat doen opstandelingen in die periode vaker. Waarschijnlijk om zich met de vuist op de borst te kunnen kloppen: kijk eens hoe moedig en sterk we zijn, we durven zomaar de grens over te steken en onrust te zaaien!
Daarna gaan ze op zoek naar een ambtenaar van het rijk die belast is met het innen van belastingen. Als ze de belastinginner vinden, krijgt ie te horen dat ze hem gevangen zullen nemen en mee zullen nemen naar de Belgische kant. Als ze erachter komen dat de ambtenaar geen kantoor houdt in Maashees en er dus ook geen belastinggeld bewaart, gaan de muitelingen er teleurgesteld vandoor. De ambtenaar wordt toch niet ontvoerd. Wel stelen de mannen een kar en vuren enkele waarschuwingsschoten af. Daarna trekken ze zich terug in de richting van Venray. Wordt vervolgd.
Illustratie: Kaart uit 1831 waarop de grensscheiding staat aangegeven tussen Noord-Brabant en het Belgisch geworden Limburg. Door J.E. van Gorcum. Bron: Bibliotheque Nationale de France.