Het kleine Linden houdt het lang vol

Het kleine Linden houdt het lang vol

Aflevering 6 van Van achttien naar één.

Al in 1820, officieel bestaat de gemeente dan nog maar een jaar of tien, vindt de provincie dat Linden opgeheven moet worden. Want die vijfhonderd zielen tellende gemeente – waartoe behalve Linden zelf ook Klein-Linden en Katwijk behoren – zal zichzelf toch niet kunnen bedruipen. Toch weet Linden de zelfstandigheid nog ruim een eeuw te behouden.

Begin 20 eeuw brengt de Brabantse Commissaris van de Koningin regelmatig een bezoek. Hij heeft geen hoge pet op van de inwoners, die hij omschrijft als zuinige, gierige en koppige Maaskanters. Hij heeft het dan vooral over het gemeentebestuur, gevormd door welgestelde boeren, dat het vertikt om de veldwachter en de onderwijzers fatsoenlijk te belonen. Ook is er sprake van nepotisme: burgemeester Vos laat de gemeenteadministratie doen door de minderjarige zoon van wethouder De Wildt. Die administratie is een zootje, constateert de commissaris. De gemeente groeit ook niet: er worden geen huizen gebouwd en er wordt nauwelijks getrouwd.

Er is ook sprake van afgunst tussen de drie dorpen. Als in 1876 een raadhuis gebouwd moet worden, kiest de gemeenteraad ervoor om dat in het midden te bouwen, in Klein-Linden, het gehucht ter hoogte van het huidige industrieterrein. Linden, het grotere dorp dat ook wel Groot-Linden heet, vindt dat maar niets. Als de bouw half gevorderd is, wijzigen de verhoudingen in de gemeenteraad zich en besluit die nieuwe raad, met één stem vóór, om het gebouw af te breken en het raadhuis in Linden zelf te bouwen. Daar steken gedeputeerde Staten echter een stokje voor.

De ‘vijandschap’ steekt opnieuw de kop op, als er in 1879 een kerk moet komen voor de gelovigen van Klein-Linden en Katwijk. Tot woede van de inwoners van Klein-Linden, bouwt de pastoor die in Katwijk. Omdat de boeren dáár meer geld willen bijdragen aan het gebedshuis. Als hij ook nog eens de kapel in Klein-Linden laat afbreken, zijn de rapen helemaal gaar.

In de jaren ’20 van de 20e eeuw probeert Cuijk en Sint Agatha het provinciebestuur warm te krijgen voor annexatie van Linden. Maar Linden laat weten dat áls het de zelfstandigheid al wil inleveren, dat ten gunste van Beers zal zijn, niet van Cuijk.

In 1938 komt de provincie met een ander voorstel: het grondgebied wordt verdeeld over Beers en Cuijk c.a. Gedeputeerde Staten vinden dat Linden een ‘zwakke plek in de Maasstreek is’ en daarom opgeheven moet worden. Er komen steeds meer taken op de gemeenten af en ze betwijfelen of Linden die wel aankan. Alleen door hoge belastingen te heffen, slaagt Linden er in het hoofd boven water te houden. Het dorp Linden zal naar Beers gaan en Klein-Linden en Katwijk naar Cuijk.

De raad van Beers vindt het prachtig, die van Cuijk is woedend. Niet alleen krijgen ze veel minder dan gevraagd, ze krijgen ook nog eens het minst waardevolle deel van de buurgemeente. De rijke boeren, met de vruchtbare grond, gaan naar Beers en de arme tak, met meer armlastige inwoners, die wellicht ook uit de armenruif gevoed moeten worden, krijgt Cuijk. Het financiële verschil is inderdaad groot: de grond die bij Cuijk komt, heeft een belastingopbrengst van 11.000 gulden. De opbrengst van wat naar Beers gaat, is vier keer zoveel. Het provinciebestuur legt de bezwaren naast zich neer: in 1942 gaat het plan gewoon door. Cuijk moet tot 1994 wachten. Via de opheffing van Beers komt de vruchtbare grond van Linden alsnog bij Cuijk. Aan die grond wordt dan al flink gehapt door de machines van ontzander Smals. Maar dat vindt Cuijk helemaal niet erg.

Het raadhuis in Klein-Linden op een foto uit 2011. Eén van de weinige 19e-eeuwse gemeentehuizen in het Land van Cuijk die bewaard zijn gebleven. Foto: Geurt Franzen 

Previous post Intimideren
Next post Het konijn, de rat en de kat