Geen medelijden met Jacob die de weg kwijt is

Aflevering 116 van Sprekend Verleden

Veediefstal werd vroeger zwaar bestraft. Er moest een afschrikwekkende dreiging vanuit gaan. Van een koe, geit of paard van een ander bleef je af, daar was die boer immers van afhankelijk.

Geen wonder dus dat de Graafse Vierschaar, de rechtbank in de achttiende eeuw, op 16 juli 1738 weinig medelijden heeft met Jacob Aarts, een man van in de zeventig die een koe heeft gestolen. Aarts wordt aan een galgpaal gebonden en flink gegeseld. Daar blijft het niet bij. Hij krijgt ook een brandmerk in zijn huid gebrand én wordt levenslang verbannen uit het Land van Cuijk. Met een bootje wordt hij naar de andere kant van de Maas gebracht. Zo, die veedief heeft zijn lesje wel geleerd.

Jacobs diefstal was twee maanden eerder ontdekt. Hij was samen met die koe, die hij gestolen had uit een wei in Grave, naar Mill gelopen. Bij het huis van Jan Pluk had hij het dier vastgebonden en gevraagd of iemand wat voer had. Ze mochten het beest ook melken. Die van Mill fronsten de wenkbrauwen. Wat was dat nou voor een rare gast? Loopt doodgemoedereerd met een koe aan de hand het dorp binnen en stapt vervolgens de kerk binnen, waar vanwege Pinksteren een mis wordt opgedragen.  

De richterbode, die over de openbare orde ging, werd gewaarschuwd en die liet Aarts uit de kerk te halen. Toen duidelijk werd dat de koe uit een Graafs weitje gestolen was, werd hij gearresteerd. 

Je zou denken dat je, met bloedende striemen op je rug en net gebrandmerkt, wel twee keer nadenkt voordat je je weer in het Land van Cuijk laat zien. Maar Jacob Aarts is duidelijk de weg kwijt. Het lijkt er sterk op dat hij kinds geworden is, dement. Nog op de avond van de dag dat hij verbannen is, laat hij zich door de pontbaas in Middelaar overzetten naar Cuijk. Hij zoekt onderdak bij Aart Aben. Diens vrouw biedt hem de schuur als slaapplek aan, maar Jacob wil per se in het bakhuis. Dat mag hij niet, waarop hij scheldend en tierend vertrekt.  

De volgende dag duikt hij weer op in Mill. Hij lijkt verhaal te willen halen bij de mannen die hem met Pinksteren uit de kerk hadden gehaald, vraagt wie dat zijn geweest. Hij hoort dat er een soldaat bij betrokken was, die allang weer vertrokken is. Jacob maakt opnieuw iedereen voor rotte vis uit. Hij wil ook naar het huis van de richterbode, om samen met die ambtenaar een glas brandewijn te drinken. Het volk waarschuwt de oude man: ‘Wees toch kalm, je maakt het allemaal alleen maar erger!’ 

In de dagen die volgen, zwerft Jacob door het Land van Cuijk. Wie hem niet direct gunstig gezind is, krijgt een scheldkanonnade of wordt bedreigd. In Zeeland doet hij zich voor als een neef van Pieternella van Loon en zegt dat hij mee wil erven in een nalatenschap. 

Uiteindelijk wordt hij opgepakt en weer voor de Graafse Vierschaar gebracht. Zijn rechters trekken zich niets aan van het vreemde gedrag van de oude man. Er moet een voorbeeld gesteld worden. Je kunt niet scheldend en vloekend door het land trekken terwijl je bestraft en verbannen bent. Dat is minachting voor de justitie. Er is maar één passende straf: de doodstraf. Op 9 augustus 1738 wordt het vonnis voltrokken, de dood door de strop, op de markt in Grave.  

Illustratie:  Man met koe, tekening van Hendrik Voogd (1788-1839). Bron: Rijksmuseum Amsterdam

Geraadpleegde bronnen: archief van de Vierschaar van Grave bij het BHIC