De wandelaar: ‘Ik moet vóór negen uur thuis zijn. De overheid vreest dat ik corona krijg als ik in mijn eentje ’s avonds door het park loop. Of dat ik het verspreid als ik een praatje aanknoop met een andere wandelaar.’
De jager: ‘Ja, ja, dat corona is niet zomaar een griepje. Maar goed dat de overheid strenge maatregelen neemt.’
De wandelaar: ‘U lijkt er weinig moeite mee te hebben. Dubbelloops over de schouder, zie ik. Denkt u wel aan de avondklok?’
De jager: ‘De avondklok? Die geldt niet voor mij, hè. Ik heb een belangrijke taak. Ik sta op het punt de bossen in te gaan.’
De wandelaar: ‘Zo, zo. Een belangrijke taak. Bent u boa? Boswachter? Gaat u stropers opsporen? Joggers die de avondklok negeren in de kraag vatten?’
De jager: ‘Nee, nee. Ik ben jager. Ik mag ’s nachts in de bossen jagen op wilde zwijnen. Die zijn schadelijk. Zo meteen komt mijn collega en dan gaan we samen op pad.’
De wandelaar: ‘Schadelijk? Schadelijker dan corona?’
De jager: ‘Nou en of. Ze verspreiden Afrikaanse varkenspest. Stel je voor dat dat virus in een Brabantse varkensstal uitbreekt…’
De wandelaar: ‘Kijk aan. Wat een eervol beroep.’
De jager: ‘Nou, beroep… Het is een hobby, hè. Eerlijk gezegd is het ook leuk.’
De wandelaar: ‘Leuk? Zwijnen doodschieten?’
De jager: ‘Ach, dat oergevoel. Zoals vroeger, toen mannen nog echte mannen waren. Het vrouwtje bij de kookpot, de man op jacht naar vlees. In gevecht met de elementen, hè. En nu dus de mensheid beschermen.’
De wandelaar: ‘De mensheid? De varkens toch?’
De jager: ‘Eh, ja, dat bedoel ik. De varkens.’
De wandelaar: ‘En het risico corona op te lopen of te verspreiden neemt u op de koop toe! Wat een held! Maar nu moet ik rennen, de kerkklok slaat.’