Skip to content
Menu
Geurt Franzen
  • Activiteiten
  • Profiel
    • Media
  • Columns
    • Dwarskijker
    • Geen nieuws
    • Theater.nl
    • Vakantie
    • Weekwoord
  • Over kunst
  • Fabels
  • Historie
    • Bevrijding Stap Voor Stap
    • Diverse historische artikelen
    • Plagen & Tegenslagen
    • Sprekend Verleden
  • Lezingen
  • Mijn boeken
    • Duiveldans
    • Tot frontgebied verklaard
    • Zeven Dagen
    • Bijdragen aan boeken van derden
    • Werk in uitvoering
  • Songteksten
    • Carrousel
  • Contact
  • THEATER
Geurt Franzen

Extraatje voor Cuijkse sneeuwruimers

Posted on 18 januari 202122 januari 2021

Aflevering 102 van Sprekend Verleden

De winter van 1962/1963 is een ware beproeving. In weekblad Peel en Maas lezen we een ingezonden brief: ‘Waarom stoken de Nederlandse Spoorwegen hun oliekachels in de wachtkamers van de stations niet hoger op? Weten ze niet dat het buiten hartstikke koud is? Het is dat een vriendelijke dame, daags voor Kerstmis, haar auto ter beschikking stelde aan enkele wachtende reizigers bij het station in Venray, anders waren ze misschien wel doodgevroren. Tot overmaat van ramp wachtten ze voor niets: de stationsbus kwam niet opdagen!

In dezelfde krant adverteert de bioscoop met een warm aanbod: ‘Zit u in de kou? Kom lekker opwarmen in onze verwarmde bioscoopzaal bij één van onze films.’ 

Er is een groot tekort aan kolen. In januari hebben veel gezinnen hun wintervoorraad al door de schoorsteen zien verdwijnen. De kolenboer heft machteloos de handen in de lucht: op is op! Er is te weinig aanvoer. In de Rotterdamse havens wordt vergeefs gewacht op kolen uit het buitenland en de Limburgse mijnen hebben niet genoeg voorraad aangelegd. De eierkolen worden gewassen met water en bevriezen. Dan duurt het langer eer ze op transport kunnen. Vervolgens kunnen de kolentreinen door sneeuw en vorst slecht vooruit.

In Cuijk, waar je over de dichtgevroren Maas naar de overkant kunt lopen – een kwartet Cuijkenaren heeft zelfs een potje kaart gespeeld op het ijs – heeft het personeel van de buitendienst het moeilijk. In de bittere kou van de strengste winter van de eeuw moeten ze sneeuwruimen en de straten ijsvrij maken. De vakbond, de Katholieke Bond van Overheidspersoneel (KABO), komt voor ze op. Op 16 januari 1963 krijgen B en W van Cuijk een brief van de bond. In 1956, toen Koning Winter ook onbarmhartig toesloeg, bepleitte de bond met succes een koudetoeslag. Toen was 25 gulden per man uitgekeerd (anno 2021 gelijk aan een waarde van 83 euro). Zou het gemeentebestuur daar nu, acht jaar later, weer wat voor voelen? Zou het niet reëel zijn om de mannen die bij dit hondenweer buiten moeten werken een bonus te geven? De KABO vindt het dubbele van 1956 te verdedigen: 50 gulden dus (waarde nu: 136 euro).

Op 18 januari buigen B en W zich over het voorstel. De bestuurders gunnen de buitendienstmedewerkers wel een extraatje. Maar 50 gulden is te veel, het wordt 35 gulden. Dat bedrag krijgen ook rijksambtenaren die in de kou moeten werken. Er zijn enkele ambtenaren ziek en een enkeling heeft alleen binnengewerkt. Die krijgen een tientje minder. Verschil moet er wezen. 

Op 21 februari – de winter wil van geen wijken weten – besluit de minister al het rijkspersoneel dat kostwinner is – uitgezonderd de goedbetaalde topambtenaren – ook een tegemoetkoming in de brandstofkosten te verstrekken: 50 gulden.  

De Cuijkse gemeenteraad vindt dat ook het Cuijkse personeel zo’n brandstoftoeslag verdient. Alle ambtenaren, ongeacht of ze binnen of buiten het gemeentehuis aan de slag zijn, krijgen 50 gulden. 

Iedereen tevreden, zou je denken. Maar de mannen van de buitendienst staat het huilen nader dan het lachen. Van hun uitkering wordt de eerdere koudetoeslag afgetrokken. Ze houden 15 gulden over…

Bij de foto: Kaarten op de Maas bij Cuijk in 1963. Foto: Foto Archief Dienst Cuijk

©2026 Geurt Franzen | WordPress Theme by Superb WordPress Themes