Er was wat gedoe, in Gennep en Boxmeer, over vergaderingen van de gemeenteraad. Zoals bij het meeste gedoe dezer dagen was corona de boosdoener. Is de gemeenteraad verplicht om bij elkaar te komen, dat was de kwestie die zelfs tot Kamervragen leidde.
Sommige raadsleden zijn er huiverig voor. Die willen alleen digitaal vergaderen. Zit wat in. Als Den Haag ons dagelijks voorhoudt dat we thuis moeten werken, waarom zou de raad dan wél in een zaal bij elkaar moeten komen? Om dat standpunt te huldigen, hoef je niet eens angstig te zijn of iets onder de leden te hebben. Alleen al de voorbeeldfunctie die je als lokale overheid hebt, billijkt dat standpunt.
Van de andere kant: digitaal vergaderen schijnt een crime te zijn. Ik vergader alleen met mezelf dus dat gaat gewoon fysiek. Ik heb het van horen zeggen. In het begin was het nog wel leuk. Je kreeg een kijkje in de keuken bij die collega thuis. Op de achtergrond zag je zijn vuile vaat nog op de aanrecht staan. Of zijn poes liep doodgemoedereerd over zijn toetsenbord. Lachen! Maar toen de vuile vaat verdween achter de digitale achtergrond waarvan die ene collega eindelijk ook ontdekte dat je die kon instellen – sindsdien zit hij zogenaamd op een palmenstrand – was de pret er snel af.
Je mist toch de lichaamstaal. Die voegt nuances toe aan een discussie. Als ik met anderen praat let ik op de reacties van mijn gehoor. Kan halverwege een zin er nog een wending aan geven als ik een schouder zie zakken of een wenkbrauw omhoog zie gaan.
Grootste probleem van digitaal vergaderen, lijkt me, dat je hoofd continu in de gaten gehouden wordt. Wegdommelen is er niet bij. Groot voordeel: niemand ruikt dat je nog niet gedoucht hebt.