Op een zaterdag in maart sloeg ik de krant dicht, pakte een pen en schreef op de voorkant: ‘Bewaren!’ Ik was dermate onder de indruk van het grote aantal artikelen over corona én over de ernst van het virus dat ik wist: deze krant moet ik bewaren. Ooit zal ik mijn nageslacht willen laten zien hoe ernstig deze besmettelijke ziekte is geweest, dacht ik. Ongetwijfeld is corona dan een voetnoot in de geschiedenis geworden. ‘Och ja, die pandemie. Dat was even schrikken.’
Een week later moest ik opnieuw op zoek naar een pen. Ook díe zaterdagkrant verdween in mijn archief.
Vrij snel daarna stopte ik ermee. Werd er moedeloos van. Ik realiseerde me ook dat mijn nageslacht straks helemaal niet op een vergeelde krant zit te wachten. Straks is alles digitaal, tot in de kleinste details, inclusief fake news, terug te vinden.
Gisterochtend moest ik terugdenken aan die naïeve bewaaractie van dit voorjaar toen ik door de krant bladerde, op zoek naar een onderwerp voor deze column. Ik hoopte vurig op een onderwerp te stuiten dat níet met corona te maken had. Had het tevoren even geturfd: heb het in 33 columns over corona gehad. Genoeg is genoeg.
Maar mijn hoop bleek ijdel: ook in de krant van gisteren, zeven maanden na het begin van de pandemie, waren het vooral coronaverhalen die de kolommen domineerden. Ook in dit regiokatern. Mondkapjes op onze middelbare scholen. Een coronateststraat in Cuijk. Mondkapjesplicht in het Maasziekenhuis. Zelfs het verslag van de installatie van de nieuwe Gennepse burgemeester kon niet om corona heen.
En zo moest ik moedeloos concluderen dat het virus niet alleen mensen besmet, maar ook de verhalen die hen bindt. Met column nummer 34 als bewijs.