Vlaggen

De zondag deed zich somber gelden, een auto reed stapvoets door de straat. Zo’n grote jongen was het, een brok zelfvertrouwen op wielen. Stevige man met een zonnebril op zijn neus achter het stuur, de rest van de familie op de ruim bemeten achterbank. Ik stond op de stoep en zag het vehikel naderen. Toen de chauffeur me in de gaten kreeg, trapte hij op de rem. Het raampje zakte geluidloos weg in het portier.
‘Meneer, mijn dochter wil u wat vragen.’
Zijn tongval verklapte dat hij van elders kwam. Hij wees met zijn duim naar de achterbank.
Daar zat een bakvis uitbundig te blozen. Blijkbaar was ze danig overvallen door papa’s spontane actie. ‘Nee, papa, laat maar!’
Waarop papa zelf de vraag maar stelde die zijn gezelschap had beziggehouden tijdens hun ritje door de straat. Waarom er gevlagd werd. Er was toch niemand jarig van het koningshuis?
Ik keek de straat in. Hij had gelijk. Aan nogal wat gevels wapperde de Nederlandse vlag. Het gaf kleur aan de grijze zondag.
‘Het is de Vaart, meneer. De jaarlijkse processie. Die trekt normaal op deze zondag door de straat. Maar vanwege corona nu niet. Denk dat ze het missen.’
‘O. Dus we worden voor de gek gehouden!’, zei de man met een brede grijns.
‘Zo is het’, zei ik.
Het raampje gleed dicht, de grijns werd opgeslokt door getint glas en weg zweefde de suv.
Natuurlijk worden we voor de gek gehouden, dacht ik. Niet alleen dat bloedwonder is een mythe, álles waar we in geloven, is verzonnen. Een mens kán niet zonder mythes.
Ik keek nog eens naar die kleurige gevels en vervolgens naar mijn eigen huis. Zag dat een tak van de bloedrode klimroos op weg was naar mijn eigen lege vlaggenstokhouder en wist dat het goed was.