Weer kost een achtergebleven mijn een leven

Aflevering 30 van Bevrijding Stap Voor Stap.

De honderden mijnen die na de gevechten zijn achtergebleven, vormen een groot probleem. De gemeentebesturen roepen mannen op om mee te helpen met het opsporen van de gevaarlijke projectielen. De risicovolle klus wordt beloond met 15 gulden per dag (vergelijkbaar met 80 euro anno nu).
Ook Stoottroepers van de Binnenlandse Strijdkrachten helpen mee. Op witte donderdag, 30 maart 1945, loopt dat verkeerd af voor één van hen. Joop Korner, zo heet de ongelukkige. Hij is samen met W. Franssen uit Oploo bezig met een mijn in een weiland aan de Maasstraat in Beugen, de weg naar het veer van Beckers. Bij het ontmantelen gaat het mis. De mijn ontploft en de Stoottroeper is op slag dood. Het moet er afschuwelijk hebben uitgezien. Franssen begraaft de overblijfselen van Korner, diens romp en wat andere lichaamsresten, in een geïmproviseerd graf langs de kant van de weg.
Het veldgraf zal tot ver in het volgend jaar voorbijgangers herinneren aan het noodlottig ongeval. Als in 1946 namens het rijk een inspecteur rapport opmaakt, krijgt de gemeente Boxmeer een tik op de vingers. Waarom ligt het graf er zo onverzorgd bij? En waarom worden de stoffelijke resten niet overgebracht naar een begraafplaats of ereveld? Eerst probeert de gemeente zich ervan af te maken met een smoesje: dat van de arme ziel weinig over is om nog te herbegraven. Maar na enig aandringen wordt de verklaring van Franssen uit Oploo erbij gehaald en wordt alsnog besloten tot herbegraven. Korner vindt zijn uiteindelijke rustplaats op een begraafplaats in Rotterdam.
Wie eind maart 1945 in Sambeek terug is van evacuatie, veegt de kapotte dakpannen aan de kant en maakt zijn huis wind- en waterdicht. Maar de dorpelingen hebben ook oog voor de ander. Voor de rooi nonnen bijvoorbeeld, die nog steeds met zijn allen op een kluitje bij hun zusters in Velp logeren. Met man en macht zorgen de Sambekenaren ervoor dat het klooster aan de Grotestraat weer bewoonbaar wordt. Op 1 april 1945, het is paaszondag, kan moederoverste de nonnen in Velp het goede nieuws vertellen: er is hard gewerkt, de eerste vijf zusters kunnen terugkeren. Fiat voluntas tua, noteert de kroniekschrijfster in het kloosterdagboek: ‘Uw wil geschiede…’. En zo stappen die paaszondag Emmanuëla, Machtildis, Imelda, Gerardina en Clara in de auto die welwillend beschikbaar is gesteld door de Boxmeerse ondernemer Wim Hendrix (Wimke de Körver) en rijden met kloppend hart naar hun geliefde klooster.
In Sambeek wordt ondertussen ook alweer gewerkt aan herstel van stuw en sluis en het bevaarbaar maken van de Maas. Een drijvend bok dat dankzij een ongehoorzame sluismedewerker gespaard is gebleven – hij had in het najaar van 1944 herhaaldelijk een opdracht van de Duitsers geweigerd om de bok naar de oostoever te varen, zodat de Duitsers de bok niet hebben kunnen opblazen – doet daarbij goed werk. Alle obstakels in de vaarweg tussen Gennep en Sambeek zullen dankzij de drijfbok en tien hardwerkende mannen binnen enkele weken zijn opgeruimd.

Bij de foto: Model van een waarschuwingsbord dat de gemeenten in 1945 kunnen gebruiken om te waarschuwen voor achtergebleven mijnen.

Geraadpleegde bronnen:

  • Tot frontgebied verklaard (2019), Guido Siebers & Geurt Franzen
  • Dagboek zusters Redemptoristinnen Sambeek, via Erfgoedcentrum Sint Agatha