Groteske kunst om te lachen

Nu noemt ze zich ‘Monster Chetwynd’, eerder in haar carrière heette de Londense kunstenares Alalia Chetwynd (1973) ‘Marvin Gaye’ en daarvoor ‘Spartacus’. Een creatieve geest die van metamorfoses houdt en met de allergoedkoopste materialen groteske figuren en installaties maakt. Kunst om te lachen.

(Verschenen in het Financieele Dagblad, FD Persoonlijk, van 10 januari 2020)

Aan elk werk van Monster Chetwynd kleeft een lach. Soms een binnensmonds gegrinnik dan weer een gulle schaterlach, maar alles wat aan de creatieve geest van de Britse kunstenares ontspruit, is van humor doordrenkt. Wie naar een woord zoekt om haar performances, video’s of sculpturen te beschrijven komt uit bij grotesk. Haar creaties zijn carnavalesk en fantasierijk, gemaakt van eenvoudige, kleurrijke materialen en ze doen niet zelden kinderlijk aan. Omdat het poppen zijn of insecten die op buitenaardse wezens lijken. Dat kinderlijke wordt nog eens versterkt doordat de kunstenares een perfecte afwerking minder belangrijk lijkt te vinden. Een klodder hier, een scheef lijntje daar, Monster Chetwynd maalt er niet om. Ongetwijfeld kleurde ze op de kleuterschool al buiten de lijntjes. Wie het van dichtbij wil zien, kan deze winter terecht in Museum De Pont in Tilburg.

Net zoals de groteske werken is ook haar naam ontsproten aan dat creatieve brein. Nu noemt ze zich ‘Monster’, eerder tooide ze zich met artiestennamen als ‘Spartacus Chetwynd’ en ‘Marvin Gaye Chetwynd’. Maar geboren werd ze als Alalia Chetwynd, in 1973 in Londen. 

In haar jeugd luisterde ze naar de roepnaam Lali. Een jeugd die even kleurrijk zal zijn geweest als haar uiteindelijke werk: vader Rupert reisde de hele wereld over als hulpverlener terwijl haar moeder, Luciana Arrighi, succesvol was als ontwerper van film- en theaterdecors. Het verhaal wil dat Lali het grootste deel van haar jeugd in een VW-camper doorbracht. Al dat gereis verklaart misschien haar eerste studiekeuze: antropologie. Haar interesse voor uitheemse volken en culturen zie je terug in haar exotisch aandoende koppen en sculpturen van papier-maché. 

Na het behalen van haar diploma bleek de roep van haar eerste liefde, de kunst, toch te sterk. Ze volgde opleidingen aan Slade School of Fine Art en het Royal College of Art, beide in Londen. Met haar opmerkelijke performances en artistieke creaties wist ze al snel een groot publiek aan zich te binden. In 2012 sleepte ze een nominatie in de wacht voor de prestigieuze Turner Prize. 

Dat spel met wisselende namen, waar popmuzikanten ook zo van houden, oogt als aanstellerij, als een goedkope pr-truc. Maar Chetwynd is daar niet op uit, zei ze tegen het tijdschrift Art Weekly. Zoals ze zelf een rol speelt in haar performances – waaraan ook vrienden en familieleden deelnemen – zo beschouwt ze ook haar naam als een onlosmakelijk element van haar artistieke creaties. ‘Spartacus’ koos ze in 2006 toen ze een performance-groep leidde en op zoek was naar een naam waarachter ze zich kon verschuilen, maar die tevens het idee van ‘eerste onder de gelijken’ vertolkte. Spartacus leidde in het oude Rome een groep slaven die zo trouw aan hem was dat, eenmaal in het nauw gedreven, elke slaaf zei: ‘Mijn naam is Spartacus’. Om zo te voorkomen dat de leider eruit werd gepikt. 

In 2013 ruilde ze die naam weer in voor een andere. Op haar visitekaartje kwam te staan: ‘Marvin Gaye Chetwynd’. Ze was geobsedeerd geraakt door de levensgeschiedenis van soulzanger Marvin Gaye, die door zijn vader werd doodgeschoten. ‘Nu verander ik mijn naam nooit meer’, zei ze bij die tweede naamsverandering. Maar de innerlijke drang tot metamorfose bleek toch te sterk: sinds twee jaar noemt ze zich ‘Monster Chetwynd’. Denk niet dat het enkel om een artiestennaam gaat voor op de affiches. Ook in privékring voert ze de nieuwe namen door. Ze laat nog net haar geboorteakte niet wijzigen. Zelfs van haar ouders verlangt ze dat die haar bij haar nieuwe naam aanspreken, hetgeen hen soms tot razernij drijft, erkende Chetwynd in een interview met de National Galleries Scotland. Waarin ze ook verklapte dat de pseudoniemen een schild zijn waarachter ze zich kan verschuilen, dat ze van de transformatie houdt, graag een ander wil zijn. Tijdens performances hult ze zichzelf in kleurrijke kostuums en verbergt ze haar gezicht onder een dikke laag schmink.

Haar kunst is eclectisch: vele stijlen lopen door elkaar. Van een fijn gepenseelde serie miniaturen van vleermuizen tot robuuste installaties die de vloer van een grote hal volledig vullen, zoals St. Jerome’s Study (2019), dat momenteel in Museum De Pont te zien is. Ook beoefent ze vele kunstvormen, van performances, collages, installaties en schilderijen tot videofilmpjes waarin zelfgemaakte poppetjes een rol spelen. Ze houdt ervan te citeren uit het werk van anderen en verwijst net zo gemakkelijk naar pop art als naar schilderijen uit de vijftiende eeuw.  Ook andere kunstvormen weeft ze door haar werk. Romans van Doris Lessing of de eeuwenoude Canterbury Tales en dat ze een fan is van de Italiaanse cineast Pier Pasolini, befaamd om zijn fantasierijke, soms bizarre films, zal niemand verbazen. 

Alles maakt ze zelf. Komt ze in de bibliotheek een boek tegen met een interessante illustratie, dan verwerkt ze een fotokopie in een schilderij. Er is bijna geen bron waaruit ze geen inspiratie put, maar haar krachtigste drijfveer is haar intuïtie. Zelden ligt er een vooropgezet plan ten grondslag. Ze laat zich leiden door haar ingevingen, vertelde ze tegen de  BBC: ‘Eerst is er het idee. Dan ga ik op zoek naar een geschikte vorm. Moet het een performance worden of toch een schilderij? Of toch een film? Ik puzzel en puzzel, maar bijna alles gebeurt intuïtief.’  

Met haar carnavaleske creaties lijkt ze vooral de toeschouwer te willen verbazen. De werken mogen een kinderlijke vreugde uitstralen, ze hebben wel degelijk een volwassen context en engagement. De monumentale blikvanger in De Pont – St. Jerome’s Study – is op het eerste gezicht slechts een immense uitvergroting van een schilderij van Antonello da Messina uit 1475 waarop de heilige Hieronymus prijkt. We zien de geleerde in zijn studeerkamer aan het werk terwijl hij de bijbel in volkstaal omzet. Chetwynd laat haar publiek wandelen door een 3D-versie van het schilderij om het publiek ervan te doordringen dat de verlichte idealen uit de wel donker genoemde Middeleeuwen op een hoger plan staan dan de onverschillige manier waarop wij nu met de aarde omgaan.  

De teloorgang van de aarde gaat haar aan het hart en dat draagt ze ook in de keuze van haar materialen: die zijn simpel en ze gebruikt wat haar voor de voeten komt. Ze heeft er een hekel aan materialen te verspillen en als haar knutselmateriaal op is, improviseert ze liever dan dat ze op zoek gaat naar vervangend materiaal. 

Boven alles staat echter haar wens om in de van nature toch wat stijve musea een lach te laten klinken: ‘Ik kan niet zonder humor, ik houd van lachen en van plezier maken.’ 

De tentoonstelling Toxic Pillows van Monster Chetwynd is nog te zien tot 15 maart 2020 in Museum De Pont, Tilburg, www.depont.nl

Bij de foto: De studeerkamer van de heilige Hiëronymus, in Museum de Pont. Foto: Geurt Franzen