Op weg naar Friesland, als de vlucht uit Egypte

Aflevering 20 van Bevrijding Stap Voor Stap.

Niet álle inwoners van Gennep zijn in oktober 1944 geëvacueerd. De Duitsers weten in die dagen niet goed wat ze aan moeten met de tbc-patiënten in sanatorium Maria Oord en nazorghuis Zonlicht-Heide. De ziekte is immers erg besmettelijk. Ze hebben weinig zin om met de zieken te gaan zeulen en zo de ziekte in eigen land of onder de troepen te verspreiden. Dus laten ze de patiënten, en de nonnen en het burgerpersoneel, maar aan hun lot over.
Met alle gevaren van dien. Want de geallieerden betalen de Duitsers, die onophoudelijk vanuit Noord-Limburg granaten op het Land van Cuijk afvuren, met gelijke munt terug. Zodat de zieken genoodzaakt zijn dag en nacht in kelders te liggen. Biddend dat de granaten overvliegen. Zelfs de kelder van het oude stadhuis aan de Markt ligt vol tbc-lijders.
In december vindt de Duitse legerleiding eindelijk dat er iets moet gebeuren. Vlak voor Kerstmis wordt met behulp van het Rode Kruis een evacuatie van zieken en personeel op gang gezet. Via Goch trekt een lange stoet naar de Achterhoek. In een nood-ziekenhuis in Harreveld worden de zieken opgevangen.
Het is nu de tweede week van januari 1945. Sommige Gennepenaren zijn nog steeds op de vlucht. Zoals de 26-jarige Diny Abels. Met haar familie heeft ze tot zaterdag 23 december onderdak gevonden in één van de twee sanatoria, Zonlicht-Heide. Toen de patiënten werden geëvacueerd, moest ook het gezin Abels vertrekken. Hun reis naar een veilig oord is nog steeds niet geëindigd. In haar dagboek vergelijkt Diny de nu al wekenlange tocht, die richting Friesland gaat, met het bijbelse verhaal over de vlucht uit Egypte van het joodse volk.
Die zaterdag de 23e december was Diny in een naar paardenmest stinkende wagon naar Winterswijk gereisd. Vandaar gaat het nu langzaam noordwaarts. Soms lopend, soms achterop een kar. Er is steeds onzekerheid: waar slapen we vanavond, krijgen we wat te eten? En dan dat eeuwige wachten. Gék word je ervan. Zoals maandagmorgen 15 januari, als Diny wakker wordt in Balkbrug, een dorp in Overijssel. Ze krijgt te horen dat om 10 uur paard en wagen zullen komen. Maar om 12 uur is er nog geen paard te zien geweest. ‘We wachten ons een ongeluk’, zo schrijft ze in haar dagboek. ‘En krijgen alweer honger. Om 1 uur krijgen we brood. Pater heeft daarvoor gezorgd.’ Eindelijk, dan is het al vijf uur ’s middags, als het al schemert, komt de beloofde wagen aangereden. Op de kar is slechts plaats voor 21 mensen, terwijl de groep Noord-Limburgse vluchtelingen uit 26 mensen bestaat. Diny moet lopen. Als van paard wordt gewisseld, gaat de kar sneller vooruit en dan kan Diny het niet bijbenen. Ze heeft erg veel last van pijn aan haar linkerbeen. Gelukkig heeft de voerman medelijden en ze mag bij hem op de bok zitten. ‘Een aardige jongeman. Hij trakteert mij op een heerlijke boterham, eigen gebakken brood met dik boter en boerenkaas, zalig hoor.’
Tegen 9 uur komt de stoet aan in De Wijk. Geen warme bedjes, maar een graanschuur wordt hun onderdak. En toch is iedereen blij. Want er is een bord warm eten met jus.’

Geraadpleegde bronnen:

  • Dagboek van Diny Abels, zoals gepubliceerd op de website gennepnu.nl
  • Artikel op de website van Omroep Gelderland

Bij de foto: Sanatorium Zonnelicht-Heide op een prentbriefkaart uit de jaren veertig.