Engelen des doods

Column bij gelegenheid van de boekpresentatie van ‘Tot frontgebied verklaard’ op zondagavond 24 november 2019 in De Weijer te Boxmeer

Death angels, zo werden ze genoemd, engelen des doods. Het was de naam die de Britten tijdens de Tweede Wereldoorlog gaven aan de telegrammen die het slechtst denkbare nieuws verkondigden. Berichten van het ministerie van Oorlog aan vaders en moeders dat hun zoon, ver weg in een onbekend dorp of stad in Europa, was gesneuveld. 

Of die telegrammen in Duitsland ook engelen des doods, Todesengel, werden genoemd, weet ik niet. Ik weet wel dat in Duitsland op zeker moment de postbodes op waren. Elke man was naar het front gestuurd; ze hadden hun postzakken voor soldatenransels verruild. Vanaf dat moment bleven Duitse moeders in totale onwetendheid.

Tijdens het schrijven van Tot frontgebied verklaard doken ze vaak op, die engelen des doods. Niet als telegrammen, maar als echte engelen. Ik probeerde ze te verdrijven want ze hinderden de journalistieke opdracht die ik mijzelf had opgedragen: gedetailleerd en waarheidsgetrouw verslag doen van de Boxmeerse bevrijdingsmaanden. Ze lieten zich moeilijk verdrijven. Ik sluit niet uit dat u hier en daar, in of tússen de regels, een afdruk van een engel des doods ontwaart.

Ze doken op als ik de namen las. De namen van de jongens die in Boxmeer en omgeving sneuvelden door een mijn, kogel of granaat. Ze waren nieuw voor me, die namen. Ik wist ook niet dat het er zoveel waren geweest. Ik probeerde hun gezichten voor de geest te halen. Probeerde me voor te stellen dat ze eigenlijk metselaar waren of schoolmeester in opleiding. In verloren hoekjes van het internet dook soms een oude foto op. Ik zocht naar de naam van hun geboortedorp, naar de namen van vaders en moeders. Maar van de meesten vond ik niets. Hooguit de naam van het oorlogskerkhof waar hun stoffelijke resten waren begraven.

Dat herbegraven gebeurde pas enkele jaren ná de oorlog. Tot die tijd rustten die tientallen jongens in eenvoudige veldgraven in Beugen, Boxmeer en Sambeek. Ze lagen langs de Beugenseweg en de Sint Anthonisweg, op het Zand, maar ook langs de dijk en langs het spoor in Beugen, op het kerkhof van Sambeek en langs de Langstraat in Vortum. Eén van die jongens had niet eens een eenvoudig veldgraf gekregen; het weinige wat van hem over was, rustte in een uitgebrande tank in Vortum. Terwijl kinderen hun ongevaarlijke spelletjes speelden.

Ik las een brief van een moeder aan de burgemeester: of er misschien een bloemetje op zo’n graf kon worden gelegd.

Guido Siebers zoog me een oorlog in waarvan ik dacht dat daar het meeste wel over geschreven was. En zo vond ik me afgelopen zomer opnieuw terug in die oorlog, net als enkele jaren geleden toen ik mijn roman Duiveldansvoorbereidde. Ik ploegde door boeken en dossiers en internetpagina’s, op zoek naar de waarheid. Waar Guido zich focuste op het wapengekletter – zocht ik naar hoe het de burgers was vergaan tijdens die vreselijke vijf maanden dat de bevrijding van Boxmeer duurde. Ik herontdekte dat in de oorlog niets zwart-wit was. Dat een NSB-burgemeester niet alleen een collaborateur was, maar ook een regelrechte dief. Die desondanks ook zonen van Boxmeerse middenstanders – een klasse waar hij een hekel aan had – met behulp van brieven aan de bezettingsmacht uit de Arbeitseinsatz probeerde te houden. Dat burgers en bestuurders van de gemeente heel ‘pragmatisch’ omgingen met de meubelen en het huisraad van de weggevoerde joden. Dat eenvoudige lieden die hun dorp een leven lang nauwelijks uit waren geweest, die een bijkans mythische verbondenheid met hun geboortegrond hadden, liever elke nacht bevend in de kelder van hun huis bleven zitten bidden, hopend dat de granaten hun huis die nacht zouden overslaan. Alles liever dan geëvacueerd worden naar een onbekend dorp ver weg in Brabant, met andere gewoonten en vreemde gezichten.

Tot frontgebied verklaard is een prachtig boek geworden. Het heeft mijn stoutste verwachtingen overtroffen en dat is niet alleen te danken aan Guido, maar ook aan zijn broer Kevin die tekende voor de vormgeving en aan eindredacteur René Megens, wiens indringende, maar onmisbare vragen – ‘Hoezo?’ en ‘Waar baseer je dat op?’ en ‘Wat is je bron?’ – mij op het rechte pad hebben gehouden waar de engelen des doods mij soms van af probeerden te duwen. Een prachtig boek, over een vreselijke tijd. Dat mogen we niet vergeten. 

Wie we ook niet mogen vergeten, zijn de jongens die op Boxmeerse bodem zijn gedood. Ik hoop dat als u dit boek leest, als u op een naam stuit van een jonge soldaat die in Beugen, Boxmeer of Sambeek het leven liet, even denkt aan die onbekende moeders in Wales of Ost-Friesland, Schotland of Beieren, die in die oorlogsjaren, elke keer als ze de postbode in hun straat zagen, een schietgebedje baden: laat die engel des doods toch alsjeblieft mijn huis voorbijgaan.

Bij de foto bovenaan de column: de graven van John Henry Mather (19) en Alick Alfred Bott (32) die op 13 oktober 1944 sneuvelden bij de stuw te Sambeek. Zij kregen een tijdelijk graf op het kerkhof te Sambeek en werden later overgebracht naar het oorlogskerkhof te Mook.

Graf van Herbert Zeeden op het Duitse oorlogskerkhof te Ysselsteyn. Zeeden werd gedood op 23 september 1944 op de Beugenseweg in Boxmeer, waar hij een veldgraf kreeg. Later volgde overbrenging naar Ysselsteyn.
De moeder van Mather is op zoek naar het graf van haar zoon.