61. Veedief bestraft, handlangers vrij

Koeien en schapen in een weide, schilderij van Anton Braith
Koeien en schapen in een weide, schilderij van Anton Braith

Ze waren met zijn drieën, die nacht. Maar slechts één van hen, Theo Noij (32) uit Boxmeer, belandde uiteindelijk in de gevangenis. Lambert Boumans en Herman Coenen werden niet vervolgd. Want de rechters in Den Bosch geloofden dat Noij, een geboren Ottersummer, die twee voor zijn karretje had gespannen.
De misdaad waarvoor Noij zich tijdens de rechtszitting van 10 augustus 1916 moest verantwoorden, heette veediefstal. In de nacht van zondag 25 juni op maandag 26 juni 1916 zou hij, samen met Boumans en Coenen, twee koeien hebben gestolen. De beesten stonden, samen met 41 andere runderen, in een weiland in Heijen, vlakbij de Mariamolen. Ze waren eigendom van Albert Jacobs en die had ene Denissen uit Heijen opdracht gegeven om het vee in de gaten te houden. Toezicht was hard nodig. Door de Eerste Wereldoorlog was er in Duitsland hoge nood aan alles, met name aan vlees. Er was een levendige handel in smokkelwaar en niet zelden betrof het gestolen vee.
Denissen was die maandagochtend naar de wei gegaan en had ontdekt dat er twee koeien minder stonden dan de dag ervoor. Bij het hek zag hij de afdrukken van de weggevoerde beesten, maar ook van onbekenden. Misschien was het op goed geluk, misschien had hij er aanwijzingen voor, maar hij liep in de richting van het gehucht Hommersum, vlak over de grens. Hij vond de twee koeien uiteindelijk drie kilometer verder terug, in Hassum. Ze stonden in de stal van herbergier Paul Pasch, vlakbij het station.
De gewaarschuwde politie onderzocht de zaak. De herbergier verklaarde dat de koeien hem de vorige nacht te koop waren aangeboden door ene Evers uit Hommersum en die verklaarde op zijn beurt dat hij ze van Theo Noij had gekocht, voor 2.850 Duitse marken. Noij was, samen met Boumans en Coenen, aan komen lopen met de runderen en had de stellige indruk gewekt dat hij eigenaar was van het vee. Dat hem middenin de nacht drie koeien te koop werden aangeboden door een Nederlander zal Evers niet vreemd hebben gevonden. Het was nu eenmaal verboden om vlees en vee de grens over te smokkelen.
Tijdens het verhoor door de rechter-commissaris in Den Bosch, gaf Theo Noij de diefstal toe. Maar een paar dagen later, tijdens de zitting op 10 augustus, trok hij die verklaring weer in. Uiteraard werden Boumans en Coenen die dag ook door de rechters ondervraagd. Ze verklaarden beiden dat Noij de indruk had gewekt dat hij eigenaar van het vee was geweest. Boumans had een dag eerder opdracht van Noij gekregen om in Boxmeer een paar stukken touw te kopen. Die waren die zondagnacht om de horens van de koeien gebonden zodat de beesten beter meegevoerd konden worden. De twee handlangers van Noij bevestigden dat ze de koeien dezelfde nacht nog in Hommersum hadden verkocht. Noij had hen elk 150 Duitse marken gegeven, als dank voor de hulp.
Ook al ontkende Noij alles, de rechters meenden toch dat bewezen was dat hij de kwade genius was en dat hij Coenen en Boumans voor zijn karretje had gespannen. Beiden waren volgens de rechters aan te duiden als manus ministra: iemand die zelf niet verantwoordelijk is voor de misdaad. De celstraf die Noij kreeg, was niet mals. Hij moest twee jaar de cel in. Op 30 juni 1918 kwam hij vrij en de Boxmeerse arbeider is daarna niet meer met justitie in aanraking gekomen.