46. Herberg wil niet sluiten

Nicolae Grigorescu, Zwei betrunkene
Nicolae Grigorescu, Zwei betrunkene

In de tweede helft van de negentiende eeuw steeg het alcoholgebruik van de Nederlander naar ongekende hoogte. In de zeventiger jaren liep het per hoofd van de bevolking op van rond de vijf liter naar negen liter per jaar. Dat is de pure alcohol opgeteld in alle drankjes bij elkaar. Het absolute dieptepunt werd bereikt in het jaar 1877. In dat jaar steeg het naar niet minder dan 9,97 liter per jaar. We kunnen er nu ook nog wat van, met circa zeven liter per hoofd van de bevolking. Maar die bijna tien liter in 1877 was een record.
In de negentiende eeuw was het drankgebruik ook veranderd. In vroeger tijden werd vooral het licht-alcoholische bier gedronken; dat was vaak veiliger dan drinkwater, dat nogal eens verontreinigd was. Maar in de negentiende eeuw werd het veel sterkere jenever volksdrank nummer één. Niet alleen in verpauperde buurten van de steden werd veel gedronken, ook op het platteland. Soms kreeg een boer zijn hooi niet op tijd binnen omdat zijn knechten rond het middaguur al laveloos waren.
De plaatselijke overheden probeerden het alcoholmisbruik aan banden te leggen, onder meer door de openingstijden van herbergen te reguleren. De burgemeester van Linden, Gerardus van den Bosch, probeerde dat ook. In het ‘recordjaar’ 1877 stuurde hij zijn veldwachter, Lindert Vullings, naar de herberg van Albert de Wildt. Hij moest erop toezien dat de kroeg om elf uur ’s avonds dichtging. Lindenaar Vullings kreeg steun van de in Cuijk gestationeerde rijksveldwachter, Rijk van ’t Land.
Op 4 juni 1877, rond de klok van elven, stonden de twee veldwachters in de deuropening van de tapperij van De Wildt. Met een waarschuwing voor kastelein én bezoekers. Eigenlijk moest de kroeg al dicht zijn, maar de cafébaas kreeg een waarschuwing: ‘Zo meteen komen we terug. Zorg dat je café dan dicht is.’
De politieambtenaren waren coulant en wachtten tot middernacht. Toen gingen ze opnieuw naar binnen. Er zat nog volk en er werd nog getapt. Van ’t Land pakte zijn notitieboekje en wilde de namen al gaan opschrijven van de aanwezigen, toen De Wildt hem krachtig oppakte en buiten smeet. “Wij hebben hier geen veldwachters nodig”, riep hij hem na. Zijn plaatsgenoot Vullings kreeg een flinke stoot in de rug en werd ook naar buiten geduwd. “Gij smeerlap! Eruit!”, riep de kastelein.
De twee overheidsdienaren maakten proces-verbaal op en op 7 augustus stond De Wildt in Den Bosch voor het beklaagdenbankje. Hij werd beschuldigd van mishandeling én belediging. De officier van justitie eiste vijftien dagen celstraf en een boete van acht gulden. Nadat de veldwachters hun verklaringen hadden afgelegd, sputterde de Lindense kastelein wat tegen. Dat hij geen geweld had gebruikt, zei hij. En dat hij Van ’t Land niet eens had gekend. Hoe had hij nou kunnen weten dat het een veldwachter was? Dat smoesje werkte niet bij de rechters. De herbergier had immers zelf geroepen dat ze in Linden geen veldwachters nodig hadden.
Een week later deed de rechtbank uitspraak. De Wildt werd schuldig bevonden aan beide aanklachten. Maar omdat de lichamelijke schade beperkt was en hij goed bekendstond, hoefde hij geen vijftien dagen , maar slechts drie te zitten. De boete bedroeg acht gulden en de rekening van de rechtbank 13.34 gulden. Twee bedragen die anno 2016 een waarde zouden vertegenwoordigen van iets meer dan 200 euro.