Aap

logoEen cabaretier die iemand uit de zaal laat verwijderen, dat is pas ironie. Ik bedoel: als er íets is wat een cabaretier of grappenmaker wil oogsten, dan is het toch gelach. Als een bakker die staande achter een gevulde toonbank tegen zijn klant zegt: ‘Nee, ik verkoop geen brood.’ Ik wed dat er genoeg beginnende grappenmakers zijn die blij zijn met élke lach, of het nou een besmuikte is of een irritante.
Toch stuurde Theo Maassen onlangs een vrouwelijke bezoeker het Parktheater in Eindhoven uit omdat ze een irritante lach had. Waaraan de artiest zich dermate ergerde dat hij uit zijn concentratie raakte.
Ik snap het best. Ik sta heel af en toe ook voor een publiek en ik weet dat op zo’n moment al je zintuigen op scherp staan. Je bent gefocust op de opdracht die het publiek je gegeven heeft en daar wil je zo goed mogelijk aan voldoen. Je bent tot het uiterste geconcentreerd, maar ondertussen merken je zintuigen alles op wat er gebeurt, vóór je, áchter je en náást je. Daarom balen artiesten ook van die flitslichtjes en de klikgeluidjes van fotograferende mobieltjes, van bezoekers met een niet te dempen kriebelhoest, van pratende concertbezoekers op de eerste rij. Vaak moet ook óp het podium alles precies zo zijn als bij alle andere uitvoeringen. Pas nog stopte een zangeres halverwege haar eerste liedje met zingen. ‘Er klopt iets niet’, verklapte ze. Pas toen ze haar microfoon een halve meter naar rechts had verschoven, kwam er een glimlach op haar gezicht. ‘Zo sta ik altijd.’
Theo Maassen en Jochem Myjer, die ook weleens overdreven lachers wegstuurt, behoren tot de categorie artiesten die het zich kunnen veroorloven om een stoeltje leeg te laten vallen. Toch is het wonderlijk dat ervaren toneeldieren als zij zich nog zo snel laten afleiden. Ik denk dat het een oergevoel is dat wordt geprikkeld zodra de toneellampen aangaan. Een gevoel dat teruggaat naar de tijd dat onze voorouders nog in bomen woonden. Die ene aap wordt naar beneden gestuurd. ‘Ga eens kijken of in die andere bomen nog bananen hangen.’ Heel voorzichtig laat hij zich naar beneden zakken en betreedt een voor hem onbekend podium: dat van de grond. Waar gevaren op de loer liggen, waar roofdieren heersen. De aap is tot het uiterste geconcentreerd. Al zijn zintuigen staan op scherp. Hoort hij daar een leeuw, is dat de geur van een tijger? Tot het uiterste gespannen doet hij zijn kunstje: rent op handen en voeten naar de volgende boom om daar een tros bananen te stelen. Terug in zijn eigen boom wordt hij onthaald met een luidruchtige ovatie. En met een zucht van verlichting maakt hij een diepe buiging naar zijn publiek.