Achter de pakwagen

ACHTER DE PAKWAGEN

refrein

Een kusje stelen, de warmte van
een meisje tegen je aan.
Een streling hier, een voelen daar
in het licht van de volle maan.
Haar hartenklop die het ritme tikt
van één die verder wil gaan.
Achter de pakwagen, kermisgeluk
in het licht van de trouwe maan.

couplet 1:

Af en toe, als ik de glimlach vang van een meisje, onschuldig en lief,
dan weet ik weer wie ik vroeger was: de kermisjongen, de kusjesdief.
De kermisjongen met de gulle lippen, elk meisje verstrikt in zijn val.
Elk meisje verleid op dat ene plekje: achter de pakwagen, daar was het bal.

couplet 2:

Achter de pakwagen, daar werd het gedeeld: de hartstocht, van hem en van haar.
Een meisje werd vrouw, ‘n jongen werd man. Weg gevreeën elk praktisch bezwaar.
Wie reist net als ik, met ook zulke genen, de kermis van vader op zoon in het bloed,
die weet waar de plek is waar het hart van een kermisboy zich echt gelden doet.

couplet 3:
Zelfs nu als ik over het terrein zwerf, als het nachtkleed het kermislicht dooft,
herken ik geluiden vanachter de wagens, wordt een meisje weer bergen beloofd.

[kermisvrouwen]

Nooit tuiten zijn lippen zich nog voor een kusje,
nooit vindt hij een prooi nog geklemd in zijn val.
De kusjesdief steelt nooit meer een kusje:
achter de pakwagen, daar is ‘t nooit meer bal.

Previous post De kermis komt
Next post Moeder