Een hooggeleerd, duurbetaald college – de rechters Verheijen, Jonker en Van Nispen en griffier mr. Scheefhals – boog zich op dinsdag 25 november 1856 over de vraag of Maria van Boekel (43) uit Grave zich wel of niet schuldig had gemaakt aan diefstal. Wat was er gestolen? Een kip.
Moesten ze daar hun kostbare tijd aan besteden? Aan de diefstal van een hennetje? Wie het rechtbankverslag ruim anderhalve eeuw later bestudeert, leest zelfs tussen de regels door niet dat de edelachtbare rechters het tijdverspilling vonden. Maar als je het oordeel leest, krijg je toch de indruk dat de rechtbank de zaak van het Openbaar Ministerie lichtelijk overdreven vonden.
Dit was er gebeurd. Maria van Boekel, ze woonde met haar man Arie van Haaren in de Brugstraat, had vreselijk last van een kip van de buren. Dat hennetje was van de familie Remie, uit de Gasthuisstraat om de hoek. De hen scharrelde voortdurend in Maria’s stal en huis, in plaats van op het erf van de buren. Hoe vaak ze de kip ook wegjoeg, alle keren keerde ze terug. Ze klaagde keer op keer, maar de buurman haalde zijn schouders op. Tot die keer dat hij zei: “Van mijn part sla je het beest kapot. Als ik de stukjes maar krijg.”
Dat was niet tegen dovemans oren gezegd. Op een dag in oktober pakte Maria de kip en sloeg haar dood. Vervolgens deed ze iets doms. Ze verstopte het kadaver onder haar bedstee. Haar doortastende optreden was echter niet onopgemerkt gebleven. Weldra stonden er drie (!) marechaussees in haar huis en die vonden de kip. “Ik heb die doodgeslagen”, zei Maria. “Maar ik wilde die daarna teruggeven aan de buurman.”
De marechaussee nam het hoog op. Niet minder dan vijf getuigen werden gehoord en de zaak werd voor de rechters gebracht. In de rechtbank bleef Maria bij haar verklaring: doodgeslagen, met instemming van de buurman, met de bedoeling terug te brengen. En wat verklaarde de eigenaar, Marten Remie? Die moest erkennen dat hij had gezegd dat ze de kip maar moest doodslaan.
Dat Maria de kip had verstopt, daar blijkt nou niet direct uit dat ze haar daad tegenover de buurman had willen bekennen. Maar de rechters negeerden dat feit, misschien wel bewust. “De kip, die veel overlast bezorgde, is met voorkennis van de eigenaar gedood”, zo oordeelde de rechtbank. “Daar verzet zich geen enkele wet tegen. Vrijspraak.” Maria keerde met een gerust gemoed terug naar huis, waar geen vreemde hen meer scharrelde. En de overijverige marechaussees hadden het nakijken.