Zonder garnizoen heeft Grave het moeilijk

Zonder garnizoen heeft Grave het moeilijk

In de aanloop naar de fusiegemeente Land van Cuijk laat Geurt Franzen in ‘Van achttien naar één’ zijn licht schijnen over de gemeentes in deze regio die de afgelopen tweehonderd jaar zijn verdwenen. Vandaag aflevering 4: de gemeente Grave.    

De stad Grave torst een geschiedenis met zich mee die gevoelens van trots en een zekere eigengereidheid rechtvaardigt. Een stad met een status, waar de rechtspraak van het Land van Cuijk zetelde en het garnizoen gelegerd was.

Eind 19e eeuw loopt dat aanzien schade op. Als in 1874 de Vestingwet in werking treedt, moet Grave de verdedigingswerken afbreken. Vervolgens verlaat ook het garnizoen, waar zoveel winkeliers, handwerklieden en kasteleins hun bestaan aan te danken hebben, in 1892 de stad. Het verval gaat snel. Als de commissaris van de koning in 1902 zijn opwachting maakt, ziet hij het met eigen ogen en hoort hij het de bestuurders vertellen. Dat steeds meer mensen wegtrekken. Dat het ook nog eens de welgestelden zijn. Er komt wel volk voor terug, maar dat zijn ‘ruilebuiters’: arme lieden die op de veel te goedkope huren afkomen. Als de commissaris zeven jaar later weer op bezoek komt, merkt hij dat de achteruitgang weliswaar tot stilstand is gekomen, maar dat van vooruitgang geen sprake is. De stad mist ook de boot: waar plaatsen als Ravenstein, Cuijk en Boxmeer een goede ontsluiting krijgen door het spoor, en dus nieuwe industrie, daar krijgt Grave niets. Zelfs geen tram. In de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw is er grote armoede en sprake van ernstige verkrotting. 

Het is niet voor niets dat de stad zijn oog laat vallen op die drie gemeenten die in een maanvormig verband Grave ‘omsingelen’: Velp, Escharen en Gassel. Kernen met een relatief welvarende agrarische bevolking. En grond die verbouwd en bebouwd kan worden.

Als de provincie in 1919 die vier gemeenten polst of ze iets voelen voor herindeling, is het ook niet vreemd dat Grave de enige van de vier is die volmondig ja tegen zegt. Het gaat niet gebeuren.

De stad krijgt hoop als het eind jaren dertig weer garnizoenstad wordt. De bomvrije kazematten en kazernes zijn echter afgebroken, de grond met woningen bebouwd. Er moet ruimte komen, voor een nieuwe kazerne, en voor woningen natuurlijk want zo’n garnizoen trekt allerlei neringdoenden aan. Zoals in eerdere afleveringen verteld, geven die andere gemeenten niet graag hun zelfstandigheid op. Toch gaat het in 1943 gebeuren: Velp en Escharen komen bij Grave. Dan is de nieuwe Generaal de Bonskazerne, op Velps grondgebied, al vier jaar klaar. 

Het gaat garnizoenstad Grave weer voor de wind. Het respect van de omgeving groeit met het zelfvertrouwen van de stad zelf. Herindeling, het opheffen van de zelfstandigheid past niet in dat denken. Grave speelt alleen andersom een rol: het verwelkomt Gassel van harte als die in 1994 van Beers wordt afgesplitst. 

In 1997 adviseert een provinciale commissie om het Land van Cuijk in tweeën te splitsen. Grave zou dan moeten fuseren met Mill en Cuijk. De gemeente Groot-Cuijk? Daar voelt de stad niets voor. Maar sommigen in de raad weten dat als anderen groeien, jij het onderspit delft. Daar komt bij: het garnizoen is weer weg, sinds 1994. Als het gemeentebestuur in 1999 een grote broek aantrekt omdat het een stadhuis van 12 miljoen gulden wil laten bouwen, zeggen CDA en PvdA: zo’n duur stadhuis is zonde, we gaan toch een keer fuseren. 

Grave houdt de poot nog lang stijf. Pas voorjaar 2021, als de trein van het Land van Cuijk allang op stoom is, springt de gemeente er alsnog op. Maar niet van harte.

Het oude stadhuis in 1970. Foto: rijksmonumenten.nl

Previous post Gassel toch niet naar Grave
Next post Genneps plastic