Escharen, klein en trots, wil niet bij Grave

Escharen, klein en trots, wil niet bij Grave

In de aanloop naar de fusiegemeente Land van Cuijk laat Geurt Franzen in ‘Van achttien naar één’ zijn licht schijnen over de gemeentes in deze regio die de afgelopen tweehonderd jaar zijn verdwenen. Vandaag aflevering 2: de gemeente Escharen.    

Escharen is een kleine, maar trotse gemeenschap. De inwoners zijn zich ervan bewust dat het dorp, dat zich rondom de Lambertuskerk vouwt, eeuwenoud is. Ze zijn zich ook bewust van dat stadje aan de andere kant van de Raam. Grave ja. Heeft zo zijn voordelen, zo’n stad dichtbij. Maar nadelen ook. Bij een belegering is Escharen altijd de pineut, moet het de plundering van belegeraars dulden.

Als het rond 1811 een gemeente wordt, wordt Escharen gedurende zestig jaar geleid door een burgemeester met Poos als achternaam. Daarna komen er twee van de familie Cuppen. In 1910 komt een jonge, ambitieuze burgemeester van buiten. Heeft ook een veel langere naam: Frans Alexander Jozef baron van Hövel tot Westervlier en Wezeveld. Hij maakt zich sterk voor ontginning van de woeste gronden en plant bomen, heel veel bomen. Dat hout zal later de gemeentekas spekken.

De problemen waarmee Escharen worstelt zijn klein in getal maar groot in omvang. Er is de grillige Maas. Als de Beerse Maas wordt opengezet, loopt een groot deel van het land onder. En er is de Raam. Klein van naam en gering van breedte. Maar als al dat Peelwater richting Maas stroomt, geeft ook die natte voeten. Nadeel van de ontginningen ook: het land dat door ontwatering goede cultuurgrond wordt, houdt minder water vast als de Raam buiten haar oevers treedt. Meer schade. In 1909 wordt de Raam voor 16.000 gulden aangepakt. Escharen draagt 11 procent bij, het grootste deel betalen rijk en provincie. Al snel balen ze dat ze voor de goedkoopste oplossing hebben gekozen. Niet voor een wal op beide oevers. Dat zou 9.000 gulden meer hebben gekost, maar de afvoer naar de Maas zou veel gunstiger zijn geweest. Ander probleem voor Escharen: de gemeentekas. Rond de eeuwwisseling zijn er maar vijf personen die vermogensbelasting betalen. De kleine gemeente moet echter twee scholen onderhouden. Eén in het dorp en één op de Hal, richting Langenboom. Die is halverwege de achttiende eeuw opgericht als winterschool, zodat de kindertjes uit die verre buurt, als de Beerse Maas was overstroomd, niet met een bootje naar school hoefden. In de 20e eeuw is die school het hele jaar door open. In 1902 komt daar een gesjeesde frater voor de klas staan. Fransen heet hij en hij heeft 86 kinderen in zijn klas. Als blijkt dat hij niet van de kinderen af kan blijven, wordt hij weggestuurd.

In 1920 komt de eerste wolk die annexatie heet boven het dorp drijven. De provincie polst vriendelijk of Escharen, samen met Gassel en Velp, samengevoegd wil worden met Grave. Het antwoord is even beleefd: nee dank u. Wij kunnen onze eigen boontjes doppen. Drie jaar later een tweede poging. Het antwoord blijft hetzelfde. Bij de derde poging van Den Bosch, in 1935, wordt Grave buiten schot gelaten: wil Escharen niet samen met Velp en Gassel één gemeente worden? De noodzaak wordt niet ingezien. Dan komt 1938: Grave wordt garnizoenstad en heeft ruimte nodig. Eerst is er het plan om alleen het deel ten oosten van de Raam in te pikken, in 1942 ingeruild voor het idee om toch maar de hele gemeente te annexeren. Langenboom gaat naar Mill. Het verzet is heftig. Eén van de argumenten: in Grave vieren ze carnaval op een manier die voor ons katholieken niet door de beugel kan. Het is zinloos. Escharen wordt dat jaar opgeheven. Maar trots zijn ze gebleven. 

Foto: Het raadhuis van Escharen, gebouwd in 1876 op een foto uit 1986. Foto: Wies van Leeuwen, provincie Noord Brabant

Previous post Sfeerkeepers
Next post Gassel toch niet naar Grave