Afl 11: Een verhoor

Ze zijn met zijn tweeën. Een broodmagere kerel, een kop groter nog dan Beerseke, met een platte neus in zijn smalle gezicht – de harige neusgaten laten zich onbeschaamd bekijken -, en een klein rond vrouwtje, met een tailleomvang die haar lengte evenaart. Waar de blik van de lange op suf en oneindig staat, niet te peilen, kijken de slimme varkensoogjes van de vrouwelijke agent Beerseke argwanend aan. Haar geüniformeerde beentjes bungelen werkeloos van de hoge bank waarop Sybille, gastvrij als altijd, de twee agenten heeft neergezet. Zal de lange haar straks moeten optillen of zal ze zich gewoon van het leren zitmeubel laten afglijden, de zwaartekracht zijn werk laten doen. Hij onderdrukt een lach als hij voor zich ziet hoe de agente als een glibberig stuk vlees van zijn bank afglijdt.
‘Moet u ergens om lachen? Dit zijn serieuze zaken hoor!’ Het kreng heeft hem door. Even normaal doen, denkt hij. ‘Nee hoor. Ik ben een en al oor. Zegt u het maar?’
De agente doet het woord. Er is een ernstige klacht binnengekomen van een bijzonder opsporingsambtenaar. Beerseke zou op plaats en tijdstip blablabla diens bril hebben vernield. Opzettelijk nog wel. Wat hij daarop te zeggen heeft?
Beerseke voelt zijn rikketik weer jagen. Rustig blijven, zo prent hij zich in. Johnny, die klootzak, heeft hem dus genaaid. Beerseke had de stadswacht een briefje van 50 euro in de handen geduwd nadat hij per ongeluk op diens bril was gaan staan. Johnny had wat gemopperd, maar het biljet toch weggestopt en na enig aandringen toegegeven dat hij goed verzekerd was, dat het hem geen cent zou kosten. Nou wilde Johnny hem toch nog naaien. Beerseke zette zijn zakenstem op. Die waarmee hij zonder blikken of blozen leveranciers tot lagere prijzen had gedwongen. ‘Opzettelijk? Nee hoor. Ongelukje. En ik heb hem op tijd en plaats 200 euro in de handen gedrukt. Die heeft hij zonder morren als schadevergoeding aanvaard. Hoe noemen jullie dat? Oplichting?
De agente knippert met haar ogen. Kijkt van haar notitieblokje naar haar collega, die zijn schouders ophaalt. Zie je wel, denkt Beerseke, dit had ze niet verwacht. De aanval is de beste verdediging. ‘Dat zullen we dan nader onderzoeken’, zegt ze. Ze herpakt zich en richt haar felle ogen weer op die van Beerseke. ‘Dan is er nog iets. U bent gezien op het oude ziekenhuisterrein.’
‘Ja en?’
‘U bent onbevoegd op verboden terrein geweest.’
‘Ach.’ Beerseke krijgt er schik in. ‘Onbevoegd…, het is maar net hoe je het bekijkt. Mevrouw, dat terrein is zo goed als van mij. Ik ben de koper.’ In het kraken van het leer van de bank hoort hij hoe hij triomfeert. De vrouw schuift ongemakkelijk heen en weer. ‘Dat eh… gaan we dan ook onderzoeken. Maar er is nog iets…’ Ze bladert in haar boekje. ‘Op dat perceel is een hond aangetroffen. Een waakhond, doodgeschoten.’
Shit, denkt Beerseke, die hond. Hij gaat rechtop zitten. ‘Ja en?’ Tik-tik- tik ratelt het in zijn borstkas.
‘Er zat bloed van de hond op een deur en in dat bloed zaten vingerafdrukken. Die zijn vergeleken met afdrukken die de technische recherche eerder deze week aantrof op een plaats delict in de buurt…’
Beerseke fronst zijn wenkbrauwen. Ze haalt diep adem. ‘Verse afdrukken op de klink van de achterdeur van Tosti Tango. U weet wel, het pand dat in brand gestoken is…’

Wordt vervolgd