62. Timmerman Beers vier keer bestraft

Paleis van Justitie in Den Bosch in de 19e eeuw. Illustratie: Koninklijk Huis Archief Den Haag
Paleis van Justitie in Den Bosch in de 19e eeuw. Illustratie: Koninklijk Huis Archief Den Haag

Hendrik Ebben (1835-1907) was een timmerman. Eentje die ook timmerde met zijn vuisten. In het café kon je hem beter uit de weg gaan als hij een paar borrels op had. Hij woonde in de buurtschap Dommelsvoort, even buiten Beers, en had het vak van zijn vader geleerd.
De eerste keer dat zijn losse handjes hem in aanraking brengen met justitie, is op de avond van 22 november 1864. De 29-jarige timmerman heeft flink doorgezakt in de tapperij van Peeters in Beers. Op een gegeven moment krijgt hij woorden met een plaatsgenoot, Theo Versteegen. De ruzie ontaardt in een vechtpartij en Hendrik haalt flink uit naar Versteegen. Omstanders moeten de twee uit elkaar halen. Versteegen doet aangifte. Voor de rechter in Den Bosch geeft Ebben toe dat hij een klap heeft uitgedeeld. “Maar Versteegen begon!”, zegt hij. Toch oordeelt de rechter dat hij schuldig is, hoe gering ook de schade. Omdat Ebben tot dan toe van onbesproken gedrag is, komt hij er vanaf met een boete van 8 gulden.
In januari van het jaar daarop staat hij weer in Den Bosch. Opnieuw heeft hij iemand geslagen. Dit keer moet hij een dag en nacht achter slot en grendel doorbrengen. Veel leert hij er niet van, want in de zomer van dat jaar, op 12 juni 1866, gaat hij weer door het lint. In een café in Beers krijgt hij ruzie met Willem van Roon. Hij houdt zijn hand op en zegt: “Spuug er dan in, als je durft!” Van Roon durft en incasseert vervolgens een ferme klap. Een bloedneus en wat schrammen later worden ze allebei opgepakt. Eenmaal voor de rechter gebracht, hebben ze de vrede alweer gesloten. Maar dat weerhoudt de rechters er niet van om Ebben zes dagen celstraf op te leggen. Van Roon, voor het eerst voor de rechter, moet een boete van 6 gulden betalen.
Het gaat een tijdje goed. Misschien komt hij in rustiger vaarwater omdat hij trouwt. In 1869 zegt hij ‘ja’ tegen Maria Wollenberg uit Ottersum. Dat ja-woord komt niks te vroeg, want al een maand later brengt de kersverse echtgenote een kind ter wereld. Een baby’tje dat al na een paar maanden overlijdt. Hoewel Maria’s schoot onverminderd vruchtbaar blijkt – er worden nog vier kinderen geboren -, kantelt alles ten nadele in het ongeluksjaar 1874. In vier maanden tijd sterven drie van de vier kinderen en nog weer een maand later ook Maria zelf. Heerst er een besmettelijke ziekte in het dorp? Er gaan dat jaar dertig mensen dood, tegen twaalf á vijftien in andere jaren. Cholera?
Hendrik hertrouwt nog hetzelfde jaar. Hij wordt ouder, maar blijft onbehouwen, zo blijkt op 5 februari 1883. Blijkbaar heeft hij nog iets te verhapstukken met een buurman, Willem van de Wielen. Samen met een handlanger wacht hij die avond Van de Wielen op als die samen met zijn zoon Willem uit de herberg van Vergeest komt. “Ik moet jou nog eens hebben”, roept Ebben. Voordat Van de Wielen weet wat hem overkomt, heeft hij al een jaap in zijn hals te pakken. Het mes van Ebben is scherp en snijdt zelfs door Van der Wielens vest heen, maar die wond valt mee. Ook de zoon krijgt een snee over zijn wang.
Voor de rechters ontkennen Ebben en zijn maat, Antoon Thijssen, alles. En hoewel er geen getuigen zijn, menen de rechters dat de rol van Ebben in het geheel voldoende is bewezen. Hij moet twee maanden zitten en de kosten vergoeden die dokter Van Arensbergen bij vader en zoon in rekening had gebracht: 12,50 gulden.