Afl 3: Pijn op de borst

vignet‘Uw bloeddruk is aan de hoge kant, meneer. Ik adviseer u om morgenvroeg even langs de huisarts te gaan. Laat een hartfilmpje maken. Die pijn op de borst hoeft niet meteen het ergste te zijn, maar ik zou er toch even naar laten kijken.’
Beerseke rolt zijn mouw naar beneden, stapt uit de ziekenwagen en geeft de ambulancebroeder die hem voor de zekerheid heeft onderzocht een hand. De meeste ramptoeristen zijn alweer naar huis. Toen de brandweersirene door de lege winkelstraat had geklonken, waren ze als ratten uit hun riolen gekomen. Beerseke had zich verwonderd over de wijd opengesperde ogen die in het schijnsel van de zwaailichten akelig oplichtten. Sommigen waren op pantoffels geweest, bij enkelen piepte een pyjamabroek onder een jas tevoorschijn. Op monsters hadden ze geleken, vond Beerseke. Op zombies die door het tatuu tatuu uit de dood waren opgewekt, hun holle ogen als gehypnotiseerd op de vlammetjes gericht die zich gretig een weg hadden gevreten door de lambrisering van het Tosti Tangofiliaal. Tot het moment dat een brandweerman een keiharde straal op het vuur had gericht. Met het doven van het vuur, was ook het onverholen leedvermaak in de ogen van het publiek gedoofd. Toen waren de grappen gekomen. Wynand Wijnstok, de buutreedner die van grappen maken zijn beroep had gemaakt en tot ver in de provincie volle zalen trok, was de eerste geweest die zich hardop had verkneukeld. ‘Beertje heeft een nieuwe tosti verzonnen: Tosti Go Tan, extra heet, ha ha!’, had hij geroepen, terwijl hij zijn muizenhoofd in de lucht had gestoken, klaar om het gejoel van de omstanders in ontvangst te nemen.
Beerseke had zelf 112 gebeld, vrijwel direct nadat tot hem was doorgedrongen dat Tosti Tango in de fik stond. Na een minuut of tien was de eerste wagen de straat ingereden en een paar minuten later was de straat omgetoverd  in een pandemonium van geluiden, kleuren en geuren die hem onbekend waren. Dikke slangen over de stoep, rood-witte linten die het publiek op afstand moesten  houden, een politiewagen die de straat in kwam gestoven, direct daarna gevolgd door een ambulance. De centralist van 112 had die veiligheidshalve opgeroepen toen Beerseke, in antwoord op de vraag of hij gewond was, had geklaagd over een beetje pijn op de borst.
Allemaal aanstellerij, wist hij nu. Hoge bloeddruk, ja, vind je het gek? Moest hij dan helemaal niets voelen als hij zag dat de vlammen uit het pand sloegen waarin hij zijn imperium begonnen was?
Wachtend op de brandweer had hij niet geweten wat te doen. Hij was op de tostizaak toegelopen en had naar binnen gekeken. Het glas had al warm aangevoeld; hij had gezien hoe de vlammen gulzig aan de panelen van het systeemplafond waren begonnen. Moest hij de ruit inslaan? Zou dat het vuur niet juist aanwakkeren? Hij had besloten om toch maar te wachten.
De ambulancebroeder duwt hem zijn jas in handen. Als Beerseke die wil aantrekken, voelt hij een zware hand op zijn schouder. Hij draait zich om en kijkt in het gezicht van een politieagent. ‘Meneer, komt u even met ons mee?’
‘Waarom?’, vraagt Beerseke.
‘Er zijn wat vraagtekens’, zegt de agent met een strak gezicht. ‘Een oud-eigenaar die zelf de brand meldt, dat is wel heel toevallig.’
Wordt vervolgd