58. Ongevraagd op de koffie

 --- BIJSCHRIFT: Nach den Rauferei (1903) van Hugo Wilhelm Kaufmann (1844-1915).

Nach den Rauferei (1903) van Hugo Wilhelm Kaufmann (1844-1915).

Ineens stonden ze binnen, op die woensdagmiddag 21 maart 1883. Ongevraagd en ongewenst. Ze wisten blijkbaar dat Willem Lamers in het huis in Vianen logeerde en omdat ze nog een appeltje met hem te schillen hadden, stapten Jan Claassen (42) uit Cuijk en een jonger familielid van hem uit Uden, Bernard Claassen (25) gewoon maar naar binnen. Misschien hadden ze zich van tevoren moed ingedronken. Ze waren behoorlijk beschonken, zo verklaarden getuigen achteraf.
Lamers logeerde samen met een vrouw, Jantje Hendriks, in het Vianense huis en het tweetal zat samen met de bewoonster aan de koffie toen de twee Claassens luidruchtig binnenkwamen. De jongste, Bernard, liet meteen merken dat hij de brutaalste was: hij nam het koffiekopje van de vrouw des huizes beet en dronk het in één teug leeg. Zo, de toon was gezet. Bernard Claassen was ruilebuiter van beroep. Een weinig gerespecteerde kostwinning: hij handelde in van alles en nog wat, ruilde wat hij bij de één kon lospeuteren bij een ander tegen iets wat meer waard was en scharrelde zo zijn kostje bij elkaar.
Jan Claassen, een Cuijkse arbeider, liet zich evenmin onbetuigd. “Ik heb nog iets met je af te rekenen”, zei hij tegen Willem Lamers. “Pak aan.” En met die woorden trok hij Lamers van zijn stoel en gooide hem tegen de grond. Tijdens de worsteling die ontstond, pakte Bernard een mes dat op tafel lag. Hij stak het in zijn broekzak, waarna Lamers en Jantje probeerden het af te pakken. Dat lukte niet, hoewel het mes wel in stukken brak. Met het afgebroken mes slaagde de ruilebuiter er in om Jantje een flinke snee in haar lijf te bezorgen. Hij sneed door de kleding heen en verwondde de vrouw. Ze bloedde flink, zo verklaarde ze later in de rechtbank. Bernard Claassen slaagde er ook in zijn mes in de kleren van Willem te zetten, maar die kwam met de schrik vrij: een flinke jaap in zijn jas, daar bleef het bij.
Het ongenode gezelschap maakte zich uit de voeten en na het verzorgen van de wond, deden beide slachtoffers aangifte bij de Cuijkse rijksveldwachter. De marechaussee uit Boxmeer hield Claassen en Claassen de volgende dag aan, verhoorde ze en maakte proces verbaal op. Ze gaven toe dat ze in Vianen betrokken waren geweest bij een ruzie, maar ontkenden geslagen of gestoken te hebben.
Op 17 april van dat jaar moesten ze voorkomen bij de rechtbank in Den Bosch. Hun verdediger had de dagvaarding goed bestudeerd en een fout ontdekt: het openbaar ministerie had 1882 geschreven in plaats van in 1883. Een vormfout waarvan de aanklager meende dat die wel tot vrijspraak zou leiden, dus tijdens de zitting zag hij af van het eisen van een straf. Maar nadat de rechters alle getuigen hadden gehoord, onder wie de twee slachtoffers en de eigenaresse van het huis in Vianen, én de verdachten aan het woord had gehoord, kwamen zij tot een andere conclusie. Er was inderdaad een fout jaartal genoemd, maar de verdachten hadden zelf ook toegegeven dat de ruzie op 21 maart 1883 was geweest. De rechtbank overwoog dat in de wet niet stond dat het tijdstip van een feit moet worden vermeld en dat de beklaagden door de verschrijving niet benadeeld zouden worden. Beiden werden schuldig verklaard. Jan had niet gestoken en kwam er met een boete van 12 gulden vanaf. Bernard moest vijftien dagen de cel in en 8 gulden betalen. Hij werd direct naar de gevangenis gebracht want de ruilebuiter moest, wegens verzet tegen agenten in een eerdere zaak, nog drie dagen zitten.