Vrijheid

[lezing ter gelegenheid van Dodenherdenking te Boxmeer, uitgesproken in het gemeentehuis, woensdag 4 mei 2016]

 

Vrijheid, dat is zoals de zon die elke ochtend opkomt. Niemand die zich daarover verbaast. Dat die elke avond weer verdwijnt, niemand die in paniek raakt. Dat de lente zich steeds weer meldt, hoe streng de winter ook was. Dat in oktober kleuren vervagen en geuren veranderen. Je denkt hooguit: waar heb ik mijn winterjas gelaten. Maar verder denk je er niet over na, zoals de aarde om de zon draait en de seizoenen komen en gaan, zo vanzelfsprekend is vrijheid. Voor ons althans, in het welvarende Nederland. Wij zijn er in geslaagd die vrijheid te bevechten en te handhaven, ondanks het litteken dat we in die zwarte periode, 1940-1945, hebben opgelopen. Dat heeft vele mensenlevens gekost en daar staan wij vandaag, heel terecht, bij stil.

Vrijheid, daar denk je niet over na is het thema vandaag. Als je dat echter wél doet, realiseer je je dat vrijheid helemaal niet letterlijk ‘van zelf spreekt’. Het woord heeft wel degelijk een verhaal en een verteller nodig.

Vandaag ben ik dat.

Ik maakte in gedachten een reis naar een eiland in de Atlantische Oceaan. Naar het onbewoonde eiland waar de Engelse schrijver Daniël Defoe de schipbreukeling Robinson Crusoë vele jaren in eenzaamheid liet doorbrengen. Je zou kunnen zeggen dat Robinson, nadat hij er in geslaagd was in zijn eerste levensbehoeften te voorzien de fase van ‘de volledige vrijheid’ had bereikt. Hij kon immers doen wat hij wilde, geen mens die er last van had. De volledige vrijheid waarover de filosoof Schopenhauer zei dat die alleen te bereiken is in volstrekte eenzaamheid, zonder anderen waarmee je rekening moet houden.

De volledige vrijheid maakte Robinson niet gelukkig. Hij miste de mens.

Op een vrijdag kreeg hij gezelschap van een man die hij wist te bevrijden uit handen van kannibalen. Vanaf dat moment was hij niet meer alleen en een stuk gelukkiger. De ongelimiteerde vrijheid had hij echter niet meer: sinds die vrijdag moest hij rekening houden met die ander, die hij, met gevoel voor ironie, Vrijdag noemde. Op vrijdag eindigde zijn volledige vrijheid, die eindigde waar de vrijheid van de ander begon.

Ik vertel u niets nieuws. U wist ongetwijfeld al dat niemand ongebonden in vrijheid leven kan (zoals Goethe zei.) Dat waar geen wetten zijn, geen vrijheid is (zoals de filosoof John Locke beweerde) en dat vrijheid enkel bestaat in het erkennen van grenzen (om woorden van Krishnamurti te gebruiken). Laat ik het terugbrengen tot iets simpels: ik mag de gemeenschappelijke heg tussen mijn tuin en die van de buurman gerust snoeien. Maar zonder zijn toestemming rooien, dat mag ik niet. Vrijheid kan niet zonder de voorwaarde van verantwoordelijkheid ten opzichte van de ander.

Is daarmee alles gezegd, dacht ik, toen ik deze lezing voorbereidde? Ik meende van niet, maar ik had hulp nodig. Ik realiseerde me dat we vandaag de oorlogsslachtoffers herdenken. En dus leek het me een goed idee om bij hen te rade te gaan.

Ik wandelde naar de Maas.

Daar had ik ze al eens weg zien schieten achter de struiken. Ik heb hun schaduwen herkend in gestalten van anderen. Twee dolende, onrustige zielen die, alsof ze de wacht houden, op en neer gaan langs de oever van de rivier. Net zoals op alle andere dagen in vrijheid kwam de zon gewoon aan de Heijense kant op, maar het leek alsof ze iets meer rode verf over de stuw en het water uitsmeerde dan gewoonlijk. Bij dat nieuwe bankje aan de Maas, de Vlackbank, daar hielden ze zich op. Twee zwarte gestalten in tegenlicht. Als een stelletje hangjongeren dat de inhoud van een zak paprikachips wegspoelt met blikjes Red Bull.

In de fiere gestalte herkende ik de zoon, Teunis Munters. Die ander, een gekromde rug van het harde werken, zijn pet schuin op het hoofd gestoken, was Teuns vader Adriaan, kapitein van het schip de ‘Neeltje’. Sinds de vroege ochtend van 10 mei 1940 dolen hun zielen rusteloos langs de waterkant, daar waar zij hun laatste adem uitbliezen.

De schipper moest die ochtend kiezen toen bij de stuw de trappen werden opgeblazen. Blijven, met alle risico’s van dien? Of doorvaren, in de hoop dat ze hun thuishaven Herkingen heelhuids zouden bereiken? De lokroep van thuis was sterker. En dus ging de schipper varen, niet wetend dat hij een kilometer verder in een regen van kogels terecht zou komen, tussen Duitse en Nederlandse militairen die elkaar beschoten. Die het schip vervloekten dat hen het zicht op de vijand benam. Duitse kogels troffen vader en zoon, beiden overleefden het niet.

Wie hun namen zoekt op een gedenkteken of plaquette vindt leegte. De enige die ooit hun namen graveerde, was de steenhouwer die hun grafsteen maakte. Maar zelfs hun graf is geruisloos geruimd.

Vader en zoon Munters waren waarschijnlijk de eerste burgerslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog op Boxmeers grondgebied. Hun zielen vertikken het om voorgoed aan gene zijde rust te vinden. Elke meimaand komen ze spoken. Voor wie de spoken wil zien tenminste.

Teun, de zoon, gaf antwoord. ‘Vrijheid, dat is als je wat te kiezen hebt. Klinkt mooi. Alsof je elke keuze kunt maken, ongeacht de gevolgen. Wij dachten dat we ook iets te kiezen hadden. Sommigen denken dat wij expres door het schootsveld gingen varen. Daardoor zijn we vergeten doden geworden en krijgen onze zielen geen rust. Vrijheid? Ik weet alleen dit: we kenden de weg naar huis heel goed, maar we kenden de horizon niet. Wat is vrijheid, als je niet weet wat er aan de horizon ligt?’

Alhoewel ik voor antwoorden kwam en niet voor vragen, wist ik genoeg.

Ik realiseer me dat vrijheid nog iets meer nodig heeft dan alleen verantwoordelijkheid ten opzichte van de ander. Een zekere mate van bedachtzaamheid bij het maken van keuzes, omdat niemand weet wat er achter de horizon ligt.

Toen ik toch aan het denken was over die vrijheid waar we eigenlijk niet over nadenken, realiseerde ik me nóg iets. Ik denk dat de vrijheid zelf, hier, niet op de tocht staat, maar dat het woord zelf steeds vaker gegijzeld wordt. Sommigen lijken het woord te beschouwen als een exclusief predikaat voor de groep waartoe ze behoren of die ze leiden. Ze kapselen het begrip vrijheid in of geven er een eigen uitleg aan. Ontkennen zelfs die voorwaardelijkheid van verantwoordelijkheid, laat staan dat ze die van bedachtzaamheid erkennen. Ik hoor het geluid van Nederlanders die vrijheid opvatten als het recht om grenzen te sluiten voor mensen die een andere God eren en ondertussen worden achternagezeten door de Dood. Ik hoor het geluid van sommige vertegenwoordigers van het vrije woord die daar het recht aan ontlenen om anderen te beledigen. En ik hoor het geluid van Nederlanders die de vrijheid van het woord beschouwen als het recht om te zeggen dat niet alle jongetjes die willen voetballen mogen voetballen waar ze willen.

Vrijheid, het is me wat. Eigenlijk is er maar één absolute vorm van vrijheid waar de ander geen last van heeft: de vrijheid van denken. Wel een heel kwetsbare. Want iedereen om je heen probeert je te beïnvloeden. Zelfs ik, zo realiseerde ik me toen ik deze woorden noteerde met de bedoeling ze uit te spreken.

Dat was een rare gedachte. Eerst meende ik: laat ik het maar niet zeggen. Laat ik het alleen maar denken. Maar toen dacht ik, denkend over vrijheid, als ik vrij ben, moet ik het ook niet laten.