Dwars door de polder, zoals straks het water
Cunera houdt me in de smiezen. Waar ik ook ga tijdens deze tocht door de Marspolder, als mijn blik oostwaarts gaat, zie ik de Rhenense Cuneratoren. Hij houdt de wacht over dit kwetsbare gebied. In een ver verleden strandde de Heilige Cunera tijdens haar pelgrimage naar Rome in het stadje aan de Rijn. Het kan niet anders of de naar haar genoemde toren houdt vandaag namens haar een oogje in het zeil.
Dat maakt de tocht ook wat minder eenzaam. Op deze benauwde julidag, waarop de wolken zich met een gemak stapelen als ware het volgens een aan Ruysdael ontleende IKEA-handleiding, laat geen mens zich zien. Twee fietsers op een dijk, vier honden achter een hek, waaronder een bijtgrage die erover heen springt en mijn pas en hartslag danig doet versnellen. Daar moet ik het mee doen.
Een kwetsbaar gebied dat zich in de gevarenzone bevindt, zo lees ik in de routebeschrijving van Lia Bakker uit Lienden. In haar speurtocht naar ruimte voor de rivier heeft staatssecretaris Melanie Schultz van Haeren haar oog laten vallen op de Marspolder. Twee gaten in de Marsdijk en een nieuwe dijk landinwaarts en klaar is Kees: de Rijn heeft er weer een speelplaats bij. Tegelijkertijd wil de regering een natuurrijke waterplas in de polder, ontstaan na een rigoureuze zandafgraving, als depot gaan gebruiken voor vervuild slib.
Wie hier woont, is daartegen. Achter de raampjes van de dijkwoningen aan de Marsdijk hangen affiches. ‘Behoud Marspolder, natuurgebied geen slibstort’ zo staat er te lezen. De eigenaar van een van de pittoreske huisjes heeft de poster aan een tractor uit grootmoederstijd geplakt. Als een subtiel statement: we willen dat het blijft zoals het is.
Het is niet moeilijk begrip te krijgen voor die hartenkreet. De polder heeft zich vandaag in zijn mooiste kleed getooid. Neem nou het panorama dat zich ontvouwt als je je op de driesprong van Marsdijk en Rijndijk omdraait. Links van je de Grebbeberg, het stadje Rhenen, waar de Cuneratoren een schaarse zonnestraal vangt en in dat licht een kracht uitstraalt die zelfs de dag der dagen lijkt te kunnen weerstaan. Aan de oevers een onverwacht beeld: reuzenrad en draaimolen draaien proefrondjes voor de Rijnweek. Dan een eeuwenoud slingerend blauw lint dat zich hier Neder-Rijn laat noemen. Een klein formaat cruiseschip bibbert zich tegen de stroom op. Verderop groept op een kribbe aan de polderzijde een stelletje hengelaars bij elkaar. Ze treuzelen met hun hengels, wijzen naar de kermiskleuren aan de overkant, wisselen vast vissersverhalen uit over hoe hoog en hoe snel. Dan de statige Marsdijk die het plaatje in tweeën knipt. Aan zijn flanken hebben zich de dijkwoningen genesteld. De bijgebouwen – hondenhok en kippenren – keurig in de verf, het geheel omzoomd door vriendelijk lover, een fruitboom hier en daar. Rechts daarvan de weidsheid. Eerst de plas. Resultaat van ordinair zandgewin, maar uiteindelijk een plaatje dat er wezen mag. Daarboven het stapelen der wolken, in twee, drie lagen op rij. Dan, om het oer-Hollandse schouwspel te completeren, een eenzame witte molen die zich staande houdt in een overdaad aan groen weideland. Nou ja, wit… Ooit was het goedbedoeld, nu overheerst toch het grijs en grauw. Alsof de Marchmolen (anno 1885) zich er al bij neergelegd heeft dat hij straks natte voeten gaat krijgen. Kop op, molentje, nog even doorvechten. Aan mijn rechterkant sluit zich het panorama met een oud kronkelend dijkje aan de voet waarvan zich een streepje rietgedekte huisjes heeft neergevlijd dat vast en zeker probeert buiten het gezichtsveld te blijven van de directeur van het Openluchtmuseum.
Dat dijkje volg ik op mijn tocht en het is prettig kronkelen met aan je linkerhand de rust van de polder en rechts de groter worden contouren van de skyline van Lienden. Van het dorpje krijg ik niets mee, want op het eind van de dijk stuurt de routebeschrijving me de andere kant op, de polder in. Langs fruitverkoop en Heidi’s theetuin (‘Bij aardig weer geopend’) gaat het in de richting van het natuurgebied van het Geldersch Landschap. De plas die ik eerder op de dijk ontwaarde, toont zich nu van dichtbij. Jong groen en keurige grindpaadjes, met her en der visstekjes die zelfs voor rolstoelers geschikt zijn gemaakt. Zwanen laten zich drijven in de wind, meerkoetjes doen om het drukst in het riet. Pispotjes, die zich in de natuurboekjes haagwinde laten noemen, wentelen zich brutaal om de struiken langs de waterkant. Een smal bruggetje pronkt uitnodigend; van de routebeschrijving mag ik er niet naar toe, maar stiekem wijk ik af en ik dwaal even rond op het vogeleiland midden in de plas. Het Geldersch Landschap heeft hier een vogeluitkijkpunt; oeverzwaluwen scheren voorbij om te bewijzen dat het hier goed toeven is en in hun kwetteren meen ik te horen ‘hip hip hip, hier geen slib’. Maar ik kan me vergissen.
Over de Vicariestraat, waarlangs een verdwaalde korenakker nog goudgele halmen laat wuiven en op de oever van een zojuist gekuiste sloot een koppeltje geplunderde mosselschelpen ligt te bleken, gaat het langzaam terug naar de parkeerplaats onder aan de Rijnbrug. Daar eindigt de wandeling langs en door een bedreigd landschap. Mooie route. Wie hem zó wil ervaren, kan er beter niet al te lang mee wachten.