Dwars door de schapen over de Ginkelse heide

 

“ Tring, tring, goedemiddag!” Zo klinkt het de hele middag door. Stuk voor stuk goedgemutste fietsers die zich vriendelijk bellend maar vastberaden melden en waarvoor je aan de kant moet. Want deze wandelroute loopt zo’n beetje volledig over een fietspad over de Edese Heide. Jawel, langs het fietspad ligt een zandige bosbaan, daar heeft de inzender van de route, meneer …, helemaal gelijk in. Dat mulle zand zal uitstekend geschikt zijn voor de fourwheeldrive van de boswachter, maar een wandelaar krijgt er zware kuiten van. Dan liever asfalt en pakweg om de tien minuten even bermpje happen. “Ook goedemiddag, dag meneer, dag mevrouw. Fijn fietsweer hè?” 

De laatste lezerswandeling van het seizoen voert me naar Ede. Naar de weidsheid van de heide. De wandeling begint bij de Chinees, aan de Driesprong tussen Ede en Otterlo. Naar moderne maatstaven gemeten is dit een mooie dag: het is droog. Daarom is het filerijden op de fietspaden en doet de ijscoman die zich op een kruising van paden heeft genesteld, goede zaken.

Maar ik wacht nog even met zoete verkoeling. Eerst werken. Voor me ligt een glooiende heide. Een jogger die aan zijn buikje werkt, baant zich een weg door het mulle zand. En verderop, zie ik dat goed? Daar kruipt langzaam een witte deken over de laagte.

Het is de schaapskudde van de Ginkelse Heide. Het wolvolk laat flink van zich horen; sommige schapen hebben een bel om de hals en het klingelt vrolijk over de hei. Het is een grote kudde die dwars over het pad dwaalt en me even helemaal omsluit. Verderop betrap ik de herder. Hij zit relaxt in de berm en laat zich het pijpenstrootje goed smaken. Zijn twee bordercollies kunnen, aangevuld met een echte herdershond, het vee heel goed in de gaten houden, zegt hij. Terwijl het ook nog eens twee kuddes tegelijk zijn die hij beheert, want die van zijn broer, de kudde van de Kreel, heeft hij er nu bij. Broerlief is een maand op vakantie. Als-ie terugkomt, wordt er van kudde geruild en gaat deze herder het er een paar weken van nemen. Schaapsherder Van de Brandhof is geen gesjeesde student en ook geen manager die rond zijn veertigste het roer om heeft gegooid. “Dat hoor je wel vaak”, zegt de Edese herder. “Dat mensen het jachtige leven de rug toe keren en schaapsherder worden. Maar bij ons is het een familiekwestie, van vader op zoon.” Dat de kudde op de Zuid-Ginkel nu extra groot is, komt goed uit. Het pijpenstrootje, een geducht tegenstander van de dophei, tiert hier welig en moet nodig kaalgevreten worden.

Het is verleidelijk om met de schaapsherder op te trekken – hij is immers de wandelaar pur sang – maar de plicht roept en ik zeg het vee gedag. Collie Molly vindt me wel sympathiek, maar de herder fluit haar terug. Verder gaat het, het fietspad weer op. En op een kruispunt doemt een merkwaardig tafereel op. Twee dames langs de kant van de weg. Beiden gezeten in een elektrisch aangedreven invalidenwagentje, verwoed aantekeningen makend in een schriftje. “U bent zeker de fietsers aan het turven?” vraag ik, net nadat ik voor de zoveelste keer van het pad af ben getringeld. “Nee hoor, wij doen een kruiswoordpuzzeltje,” zeggen de dames in koor. Dat ik daar niet meteen aan gedacht heb. Het is immers de gewoonste zaak van de wereld om je accu leeg te rijden naar een uithoek van de Ginkelse heide om daar in een schraal zonnetje  een puzzeltje in te vullen. De dames gaan onverstoord verder. Zelfs de stofwolk die een aanstormende groep ruiters opwerpt, deert hen niet.

Als ik het ene fietspad voor het andere heb ingeruild, wordt ook het landschap anders. Heide gaat, bos komt. Ook de vlakte wijkt, het gaat langzaam omhoog. Het heet hier dan ook de Valenberg. En het donkert. Het pad wordt omgeven door hoge bomen en dicht struikgewas. Af en toe is links van me, tussen de struiken door, iets van de open vlakte te zien. Als het goed is, grazen daar paarden, vrijuit. Net als de schapen houden ze hier het gras kort. Bovenop de Valenberg (52 m) leidt een houten trap naar een rond observatiepunt. Van daarboven moet het bij helder weer een magnifiek uitzicht geven over de omgeving. Op een infobord staan de afstanden vermeld naar enkele herkenningspunten. Maar vandaag is het te heiig om er een te ontwaren. Desondanks een aardig uitzicht.

Ineens houdt het bos weer op. Voor me ontvouwt zich een glooiend landschap waar een pad doorheen loopt. Midden in het dal staan een paar bomen; eronder heeft een verliefd paartje beschutting gezocht. De wind doet het gras en de bloemen zachtjes wuiven. Geel is hier de overheersende kleur, geheel te wijten aan het Jacobskruiskruid. Niet iedereen is in zijn sas met het succes van dat plantje. ’t Is giftiger dan Ludo van GTST. Vooral voor paarden en pony’s. In het wild is dat geen probleem, het vee herkent het kruid en eet eromheen. Maar als het in het hooi terechtkomt, gaat het fout. Het gif tast de lever aan en een langzame, maar gewisse dood is het gevolg. Niet voor niets wordt het een sluipmoordenaar genoemd.

Van het bloeiende dal naar het Landje van Niets, is een overgang die meevalt. Het  Landje is een stuk grond dat vanwege de drassigheid vroeger nauwelijks iets opleverde als bouwland. Over een vlonderpad steek ik het over en bereik een overdekte uitkijkpost. Hier ligt de Plas van Gent. De kijkgaten in het muurtje leveren vandaag niets op, maar een infobord belooft hier watervleermuizen en verschillende aparte libellensoorten.

Het laatste deel van de tocht voert opnieuw over de heide. Het is uitkijken geblazen want het stikt hier van de fietsers. En ze zijn niet allemaal meer even vriendelijk. Tot overmaat van ramp blijkt de ijscoman aan de rand van de hei zijn biezen te hebben gepakt. “Tring, tring”. Mooi niet.

 

 

  Eerder gepubliceerd in De Gelderlander van 24 augustus 2005.