Ter kerke over De Breit
Zelfs op zondag wordt er aan de Betuwelijn gewerkt. Alsof er in Rotterdam al duizenden wagons op een ritje Ruhrgebied staan te wachten. Alsof er eindelijk een economische noodzaak is gevonden voor deze bloedende snee in het landschap.
Ik bevind mij te Babberich. Hier slaat men palen in de grond waar geluidsschermen aan worden gehangen. Zodat de Babberichers straks gevrijwaard worden van kedeng-kedeng. Zodat ze straks in hun rustieke tuintjes, tussen keurig aangeharkt grind en kortgemaaid gras, elkaar kunnen verstaan. De Duitse snelheidstrein oefent alvast. De slanke zilveren dame gleed zo-even in een slakkengang over het smalle spoor. Snelheid is een relatief begrip en zo hoort het op zondagmiddag.
In mijn hand vier A-viertjes. Een ‘kuiertochtje’ door het Babberichse buitengebied ingezonden door Cor en Toos Boonman-Luub. Beiden niet oorspronkelijk van hier, maar ze wonen hier al 35 jaar en zijn inmiddels wel vrijgesteld van inburgeringsexamen, denk ik zo. De Boonmannen kuieren regelmatig door de Babberichse dreven en zijn tijdens het uitstippelen van deze route stilletjes weer gaan houden van het buitengebied. Ook al is er in 35 jaar veel veranderd, melden ze met spijt.
Een betonnen stellage schreeuwt om aandacht. Onbetwist de steilste en tegelijk lelijkste voetgangersspoorbrug van Nederland. Ik hoef hem niet te beklimmen, zegt het routeplan. Maar omdat er een magnifiek uitzicht wordt beloofd, zweet ik me toch maar naar boven. Het moet gezegd, het panorama is spreekwoordelijk: weids en lieflijk. Links kluiten wat bungalows en ander modern vrijstaand werk bij elkaar. Rechts fris groen maaiveld. En daarboven: een donker blauw van het type twijfelende regenbui. Van ver waaien klanken naar hier. Rowwen Hèze als ik me niet vergis. In een van die Liemerse tuintjes wordt warempel Limburgs gefeest.
Het gaat boswaarts. Verscholen achter een heuse slotgracht ligt een historisch optrekje van heb-ik-jou-daar. Summa est staat hier geschreven op moderne vaandels. Hier ligt het geld? Ach nee, ‘aan de top staan’, dát betekent het. Ik ben bij kasteel Halsaf. Hier zetelt een modern bedrijf met een antieke slogan. De poort wordt bewaakt door een hond die de bezoeker geen blik waardig keurt. Zoudie bijten? Zoudie zo slim zijn als de huishoudster die hier in een ver verleden de boel bewaakte? De legende wil dat de kasteelheer eens op pad ging en de huishoudster alleen achterliet. De slotheer had zijn hielen nog niet gelicht of er stonden zeven ongeschoren types voor de deur. “Hak aan de achterkant van het kasteel maar een gat in de muur, dan laat ik jullie binnen,” sprak de bediende kordaat. De eerste schavuit had zijn hoofd koud door het gat gestoken of hij was het al kwijt: de koene vrouw had het in één zwieper afgehakt. En daarom heet het hier kasteel Halsaf. In de tuin bedelt een prachtige duiventil om van dichtbij bekeken te worden. Maar hier ligt nog steeds die hond…
Verderop in het bos probeert een vijver me glinsterend te verleiden tot een te vroege pauze, maar ik heb nog tweeëneenhalf kantje te gaan. En het zwerk trekt steeds verder dicht. In een sneller tempo rond ik daarom camping Rivo Torto. Een oerhollandse camping met een Italiaanse naam en een overwegend Duitse bevolking. Het zwart-rood-goud wappert hier in veelvoud. Boven de strak opgestelde stacaravans prijkt een woud van satellietschotels. Allemaal oostwaarts gericht. Vlak naast de camping ligt een authentiek buitenbad. Met badhokjes die figurant zijn geweest in Help, de dokter verzuipt! Verzuipen doet hier momenteel niemand: het is wegens aanleg Betuwelijn tijdelijk gesloten. Wat Smit-Kroes al niet op haar geweten heeft.
De Kwartiersedijk meandert langs knusse boerderijtjes. Keuterboeren wonen er niet meer in en veel zijn er tot landhuis gepromoveerd, inclusief camerabeveiliging en fourwheeldrive op de oprit. Sleeg is ook zo’n boerenhoekje van weleer. De weg slingert door de velden en hier en daar staat een monumentale boerderij. Het Babberichse buitengebied ontpopt zich hier als een staalkaart van de schepping: wat een beesten! Weinig traditioneel vee overigens. Ik word aangestaard door nieuwsgierige dwerggeiten, drukkakelende sierhennen, pronte pauwhanen, pony’s in alle soorten en maten, exotische schapen, een Oudhollandse geitenbok en rijpaarden van het ras hooghartig die niets van een eenvoudige wandelaar willen weten. Gelukkig maakt een ontmoeting met het meest wandelvriendelijke beest dat er bestaat – de ezel - alles goed. Zij laat zich met graagte kietelen.
Wat een gevarieerde tocht is dit! En dan blijkt het leukste nog te komen. Ineens word ik zomaar de weilanden in gedirigeerd. Is hier een pad? Warempel, d’r staat zelfs een bordje bij: De Breit. Een eeuwenoud paadje dat door de weiden en achterlangs de tuintjes voert, amper een manspersoon breed. Enkele jaren terug weer in ere hersteld en gelukkig maar. De man met de zeis is trouwens nog niet geweest dus in een korte broek is het oppassen geblazen (voor brandnetels en teken). Wandelen over De Breit is een zaligheid. De kerk van Oud-Zevenaar, hoog op de dijk, ligt als een rotsvast baken voor me; vroeger gingen de boeren over dit pad ter kerke.
Het sluitstuk van de route voert over de dijk en die biedt een weids uitzicht over het Rijnstrangengebied. Bij het eindpunt, de Sint Franciscuskerk, staat mijn stappenteller stil op 15.349. Het wolkendek is inmiddels helemaal dichtgetrokken en het terras van café Het Centrum lokt met grote glazen bier. Wat jammer dat de kelner geen oog heeft voor een dorstig wandelaar en zijn tijd liever verbeidt met een gezelschap veelbestellers. Dan maar naar Elten. Daar zijn de glazen nog groter.
Eerder gepubliceerd in De Gelderlander van 6 juli 2005.