De stilte van Hazegrietje en die van de dood

 

Het is een van die zeldzame warme dagen deze zomer. Arnhem zoekt verkoeling in zwembad Klarenbeek. Op de parkeerplaats, zo vertelt me de vrijwilligster aan de slagboom, is net een plekje vrijgekomen en op haar enthousiaste aanwijzingen weet ik mijn auto krap tussen de bomen en het overige blik te parkeren. Ik laat het lokkende bad rechts liggen en begin aan de wandeling door Arnhem-Noord en een stukje Veluwezoom.

Arnhemmer Peter van Beersum heeft me hiernaartoe gedirigeerd. Zijn route belooft de wandelaar met verschillende aspecten van het leven in aanraking te brengen: met het leven in een woonwijk, met rust en bezinning, maar ook met jachtigheid.

De eerste meters gaan omhoog en al snel kondigen zich de eerste zweetdruppels aan. Bij de bushalte aan de Cattepoelseweg heeft iemand een stenen trap verstopt. Het gaat trede voor trede gestaag omhoog en een weelderig bladerdak houdt de hitte heel galant op afstand. Een oudere Indische dame daalt, ondanks haar zware boodschappentas, als een gazelle naar beneden en met respect wijk ik opzij als ze me passeert. Halverwege de trap kijk ik om en ervaar het eerste contrast: hierboven is het groen en klinkt geen geluid, beneden zie ik verkeer voorbijflitsen en weet ik geraas. Zo zal het steeds blijven vandaag, tijdens deze wandeling door het schemergebied tussen stad en platteland: afwisselend drukte en stilte.

De trap eindigt waar de Weg langs het Hazegrietje begint. Een romantische naam voor een romantisch wijkje, en voor het overige laat ik het verkleinwoord rusten want men woont hier groot. De weg kronkelt langs oprijlanen en in het groen daarachter houden zich villa’s schuil; hier krijgt elke kliko nog een privéstop van de vuilnisauto.

Na Hazegrietje komt Alteveer. Deze wijk ademt de sfeer van de jaren dertig. Veel ruimte, veel groen en veel monumentale bomen waar de gemeente en de bewoners trots op zijn. Volgens de website van de wijk moet in een verloren hoekje zelfs een Ginkgo Biloba staan, een Japanse tempelboom, waarvan de extracten een geneeskrachtige werking zouden hebben. De route van Peter van Beersum voert helaas niet langs deze bijzondere boom. Wel kom ik langs de Stayokay. Vroeger was dit een jeugdherberg, maar ik kan me voorstellen dat zo’n naam in het tijdperk van bits en bytes en sms en msn niet meer aanslaat.

Daar is dan toch het einde van de stad. Nog even voorzichtig de Schelmseweg over en dan begint direct het bos. Aan mijn linkerkant piept af en toe een vriendelijk torentje of pannendak door het geboomte: daar houdt het openluchtmuseum de tijd voor ons stil. Aan het begin van het bospad staat het voormalige BB-gebouw. Het wemelt hier van de brandweer- en politieauto’s dus blijkbaar heeft het nog steeds een hulpverlenende functie. Achter het raam van de bovenste verdieping staat een schrale figuur me te observeren; dichterbij gekomen zie ik dat het Magere Hein zelf is, of althans een skelet dat zich voor hem lijkt uit te geven.

Een kilometer of wat verder meldt hij zich opnieuw. Langs het bospad staat een eenzaam kruis. Eronder een plaquette met de namen van negentien mensen die op 4 mei 1943 door de Duitsers zijn gefusilleerd. “Een plaats om even tot rust en bezinning te komen,” schrijft Peter. De picknickbank ertegenover biedt daartoe alle gelegenheid. Even vormt de ritmische tred van een eenzame jogger het enige geluid dat hier klinkt; als dat is weggestorven, hoor ik echter het ruisen van verkeer.

Wandelen langs de autosnelweg. In Arnhem-Noord kan dat, zonder dat het gevaarlijk wordt. Een paadje door houtgewas en heide voert vlak langs de betonbanen van knooppunt Waterberg. Het contrast is groot: zo-even stond ik nog te mijmeren bij een oorlogsmonument en nu zoeft het snelverkeer in razende vaart langs me heen. Kan een knooppunt mooi zijn? Je hebt hier vanaf een behoorlijke hoogte een panoramisch zicht op de zich kruisende wegen. Dat krioelen daar beneden, met de groene Veluwe in de verte en die mooie blauwe lucht daarboven… jawel, dat heeft wel wat. Een Icarusblauwtje is het zo te zien met me eens. Het zenuwachtige vlindertje heeft het hier goed naar de zin en vliegt een tijdje met me mee.

De wandeling voert echter net iets te lang langs autoverkeer. Op een gegeven moment vind ik nergens de voorspelde slagboom en loop ik onbedoeld nog langer langs een drukke weg. Ineens sta ik bij begraafplaats Moscowa en dat is mijn redding want die staat  genoemd in de routebeschrijving. Opnieuw tijd voor contemplatie. Ik kijk net iets te lang door het hek naar een Turkse familie die staat te rouwen bij een grafsteen in de vorm van een minaret. Even later nog meer contrasten. Op deze zerken staan hebreeuwse karakters en op een ervan het symbool van twee handen, de zegenende handen van een Cohen, een priester. Dit is de joodse begraafplaats, waar de overledenen wachten op de herleving. Niet voor niets noemen de joden dit de woning der levenden. Een klein plantje dat zich kranig houdt in de specie van de muur om deze rustplaats, symboliseert dat ten volle. Na de dood volgt het leven.

De wandeling levert nog mooie vergezichten op als ik de stadsrand weer nader. Al weet ik niet zeker of ik wel goed loop want de ene Y-splitsing van paden in een bos lijkt zoveel op de andere. Op de parkeerplaats van zwembad Klarenbeek wordt ik opgewacht door een boze parkeervrijwilligster. Ze heeft ontdekt dat ik helemaal niet heb gezwommen.  “Nu heb ik een probleem,” zegt ze, “want dan mag u hier niet parkeren.” “Ach mevrouw,” zeg ik. “Dat wist ik niet. Maar je kunt hier ook heerlijk wandelen, wist u dat?” En ik stop snel wat euro’s in haar hand.

 

  Eerder gepubliceerd in De Gelderlander van 17 augustus 2005.