vakantiecolumns

 

Stapels

 

De eerste stapels verschijnen zo'n twee weken voor vertrek. Een plastic tasje op de overloop waar twee badmintonrackets uitsteken. De step ingeklapt ernaast.

Halverwege de trap een Big Bag waarin ik een slaapzak vermoed. Blikjes cola – we hebben nooit blikjes cola – in de koelkast. Een uitgeklapt boodschappenrekje voor de garagedeur met daarin drie ballen. Een om mee te voetballen. Een om mee te volleyballen. En het plastic exemplaar is voor in het zwembad.

Na een week ben ik aan de groeiende stapels gewend. Dozen in de keuken. Campingboter in blik. Vacuüm verpakte burgers. Chocoladehagelslag – we hebben nooit chocoladehagelslag -, potten pindakaas-big-size, krielaardappelen geschild en wel, mayo en ketchup drie voor de prijs van twee. Een buitenmaatse verpakking hondenbrokken (het beest blijft overigens thuis, maar dat weet-ie nog niet. Hij loopt al dagen snuffelend en kwispelend om die grote zak heen, is poeslief voor alles en iedereen, zelfs voor poezen).

In de hal twee koffers. Geopend. Ze kunnen niet dicht. Ik zie truien-voor-kille-avonden, laarzen-voor-natte-dagen, slippers-voor-kiezelstranden, wandelschoenen-voor-wandeldagen, buitengymschoenen-voor-buitensport en binnengymschoenen-met-witte-zolen-voor-binnensport. Ik vermoed badpakken-voor-chloorbaden en badpakken-voor-zeewater, handdoeken-voor-zandstranden en handdoeken-voor-binnenbaden, shampoo's tegen roos, luis, vet en droog, met en zonder vitaminen. Zonnecrème en zonne-lotion, factor-extreem en factor-normaal. Prikweg, mugweg, vliegweg en alle-andere-kruip-kriebel-en-steekbeesten-weg.

De deuren van de kinderkamers kunnen open op een kier. Erachter weet ik tassen vol Suske en Wiske's, Tina's, mens-erger-je-niet, zeeslag, schaken-voor-op-reis, moppenboekjes, Thea Beckman's en kleurstiften. Heel veel kleurstiften.

Op de kast in de kamer twee draagbare muziekmachines en groeiende stapels cassettebandjes en cd's. N-sinc, Destiny's Child, West Life, Jennifer Lopez en… K-Otic. K-Otic?

Als niemand kijkt, pak ik dat cd-doosje, haal de cd eruit en stop Harvest van Neil Young ervoor in de plaats. Het grote inpakken kan beginnen.


Foto

Het was het enige pretpark waarvoor we nog niet in de rij hadden gestaan en vandaag moest het er dan maar van komen. Maar ik was stelliger dan ooit in mijn enige voorwaarde: we zouden de fotograaf bij de ingang negeren en als dat al niet zou lukken, dan zouden we ons in ieder geval niet tot de aanschaf van de gezellige gezinsfoto laten verleiden.

Ik heb ze in alle maten en prijzen. En van alle heb ik spijt. Die van de rondvaartboot door de Amsterdamse grachten, waar we helemaal niet zo ontevreden over waren, totdat we thuis die twee streepjes boven mijn hoofd ontdekten. Het waren twee vingers, zei mijn vrouw, van een man achter me, zei mijn vrouw, die me twee oren wilde aannaaien, zei mijn vrouw. Ik sputterde en protesteerde en negeerde, maar haar vette lach zei genoeg. Hij ging diep in de schoenendoos.

Daar heeft de foto inmiddels gezelschap gekregen van een prent geschoten door een verlopen werkstudent die het nodig vond ons gezinnetje bij de entree van een dierenpark vast te leggen terwijl ik – waarom ík nu weer? – de hand vasthoud van een grijnzende gipsen gorilla. Ik liep de foto aan het eind van de dag straal voorbij, maar onze jongste zette het op een janken waar zelfs de beo's even stil van werden. Dus die foto werd aangeschaft. Net als die waar ik maar half opsta, omdat het prentje anders niet in het kokertje paste dat het Land van Ooit voor haar gasten in petto had voor ik meen de lieve som van zestien gulden vijftig. Net als de foto die tegen mijn zin werd gekocht aan het eind van de kille, druilerige voorjaarsdag waarop wij naar de Efteling moesten. Want koud dus niet druk. De foto die werd gemaakt toen wij in een grootformaat buitenband een stroomversnelling afdenderden en pa als enige een plens water over zich heen kreeg die hem er de rest van de dag aan herinnerde dat het inderdaad een kille, druilerige voorjaarsdag was.

Het blonde wicht dat ons vanmorgen met een camera in de aanslag stond op te wachten bij de entree van dat ene pretpark waar we nog niet waren geweest, kon er ook niets aan doen. Ze koos eieren voor haar geld toen ik haar vriendelijke 'Wilt u een leuk aandenken?' met een norse blik torpedeerde. Dat ze ons vervolgens van achteren fotografeerde, juist op het moment dat ik de jeuk te lijf ging op een plek die er zich niet voor leent om fotografisch te worden vastgelegd, neem ik haar echter hoogst kwalijk. Natuurlijk werd die foto vanavond triomfantelijk omhoog gehouden, toen ik uitgeblust, maar voldaan wegens het vermeende feit dat ik aan een foto was ontsnapt, met mijn voeten op de salontafel lag.


Goudland

 

Van mijn collega's moet ik klimmen in Nepal, diepzeeduiken in Egypte, canyoning in de Franse Alpen, eilandhoppen in Griekenland, fotograferen op de Machupichu, op kangoeroejacht down-under en shoppen in New York. Maar ik – u mag het niet verder vertellen – ik ga het liefst naar Horst.

Of Weert of Zandvoort of Heilbachsee en waar ze nog meer te vinden zijn, de gezinsvakantieparken van Het Grote Goudland. Een paar keer per jaar steekt de koorts op. Dan schrapen we al het statiegeld bij elkaar en draaien het nummer van die altijd vriendelijke juffrouw van het Goudlandboekingsbureau. Of er nog een huisje vrij is, het maakt niet uit waar en als het moet kruipen we met zijn vijven in een driepersoons. Alstublieft, zeg dat er plaats is!

Zelden stelt de juffrouw ons teleur. En dan pakken we met blij gemoed onze koffers, schenken speciale aandacht aan de gympen en trainingspakken, en op weg gaat het: Goudland, here we come!

Van verre wuiven ons de bontgekleurde vlaggen al toe en de kleinste moet gauw gesust met een snoepje omdat ze niet gewonnen  heeft met het spelletje wie-ziet-het-eerst-het-wervelende-Goudlanddundoek. 

Terwijl de kinderen zich naar het tropisch zwemparadijs spoeden, verkennen mijn vrouw en ik onze cottage. Een warm gevoel stroomt door ons heen als de perfectie van de vakantiebungalow zich in alle glorie voor ons ontvouwt. Aan alles is gedacht. Open de besteklade en ontwaar voor elke gast precies wat hij nodig heeft. Geen mesje te veel, geen kurkentrekker ontbreekt, voor ieder van ons een bierglas, een wijnglas, een sapglas en een eierdop. De tranen schieten me elke keer weer in de ogen als ik op het roestvrijstalen aanrecht het kleinood ontwaar dat nooit ontbreekt en dat het ultieme bewijs is van de perfectie van Goudland: het kartonnetje met naaigerei. Een draad, een naald, een veiligheidsspeld, keurig in een kleurig kartonnetje gevouwen. Goudland weet dat niets een vakantie zo kan verpesten als een winkelhaak in je trainingsbroek of een overhemd zonder knoop.

En elke keer weer ben ik blij verrast als ik tijdens mijn korte ontdekkingstocht door het huisje op het ladekastje stuit waarvan ik ook zonder te kijken weet dat het een voorwerp bevat dat de hoorn des overvloeds die de bungalow is in al zijn volheid tot bijkans niets reduceert. In het kastje bevindt zich het Nieuwe Testament. Een in drie talen gevat boekwerk dat blijkens de gebruikssporen nergens zo vaak ter hand wordt genomen als in de bedsteden van Goudland. Om de Heer te prijzen en om de Heer  te danken, voor Goudland: het paradijs op aarde.


Ap en Bep

Onze gastheer en gastvrouw nemen hun taak iets te serieus. Het oudere stel, met de vut en dus niets om handen en dus gedurende drie maanden de vertegenwoordiging van een Nederlands boekingsbureau op deze Franse camping, hoeft er alleen maar te zíjn.

Ze zíjn niet alleen, ze héérsen ook.

Ze heersen over onze kinderen, over onze auto, over onze dagtochtjes, over ons eten en bovenal over onze schaftkeet. Die zij, geheel in lijn met de fraaie folder van HappyHoliday of hoe de club ook mag heten, heel consequent mobil home noemen.

Het enige mobiele aan de stacaravan is echter de bewoning. Om de veertien dagen kruipt er een ander Hollands gezin in, dat zich vervolgens gedwee door schommelende Ap – 250 pond schoon aan de haak - en schommelende  Bep – complicaties na een heupoperatie – over de camping laat leiden.

Nee, mobiel is de aluminium bak niet. Er zitten weliswaar vier wielen onder, zo ontdekte ik toen ik van Ap de gasfles moest verwisselen (moet er echt eens iets gedaan worden, heeft-ie last van zijn rug).  Maar de banden zijn lek en de assen rot en het eikenstruweel heeft de keet voor driekwart omzoomd. Als het ding ooit verplaatst moet worden is een houthakker drie Franse werkdagen van de straat.

Ap en Bep bedoelen het goed, zegt mijn vrouw. Ze staan altijd klaar als we iets nodig hebben, zegt mijn vrouw. Mijn verweer dat we nooit iets nodig hebben, dat we godbetert alles bij ons hebben, boort ze met een meewarige glimlach de grond in.

Ap en Bep vertellen hoe we de koffiekopjes moeten afwassen om te voorkomen dat er vuiligheid blijft kleven onder de oortjes. Dat we de auto met de kont naar de caravan moeten parkeren, dat we de campingwinkel links moeten laten liggen en naar de veel goedkopere weidesuper moeten, vijf kilometer verderop. Dat we vooral geen honing moeten kopen van die autochtoon die tweemaal per week zijn karretje zelfgemaakte bijenhoning over de camping zeult (de man was reuze aardig en ik kon de verleiding niet weerstaan hetgeen me een berisping door Ap opleverde).  

Met het meeste valt wel te leven. Maar één ding is onvergeeflijk. Ap en Bep heersen ook over ons weer. Elke morgen schrijft Ap met een schoolmeesterkrijtje op het schoolmeesterbord dat voor zijn schamel ingerichte bungalowtent hangt, wat voor weer ons te wachten staat. En Ap krijgt altijd gelijk.

De kinderen rennen ‘s morgens verwachtingsvol naar het bord, want het volgens de folder verwarmde zwembad heeft alleen de zon als verwarmingsbron. Maar sinds Ap me betrapte op de aankoop van een potje miel, hebben we geen zon meer gezien.


Altijd de weg kwijt

Het valt niet mee ergens te geraken als je altijd de weg kwijt bent.

Even leek het erop alsof de voorlaatste reis naar het buitenland de ban op een vlekkeloze trip – dat wil zeggen: een rit zonder ook maar één verkeerde afslag – zou doorbreken. De heenreis ging voortreffelijk. Niet alleen de files en wegomleidingen ontbraken, zelfs de landkaart bleek tot in detail te kloppen. In één vloeiende beweging naar onze bestemming, driehonderd kilometer verderop. Wij geraakten in een euforische stemming. Zelfs mijn kinderen keken met enig ontzag naar hun vader op: het was hem dan eindelijk gelukt.

De terugweg gooide roet in het eten. Ergens tussen Kreuznach en Dürkheim bevond zich een afslag die er komende van de andere kant heel anders uitzag. Of misschien was de afslag wel afgeschaft gedurende onze vakantie. Ook al was het dan een lang weekend. Hoe het ook zij, ik miste een weg naar rechts, kwam daar pakweg vijfentwintig kilometer later achter en zat vervolgens hopeloos stuk.  

Het duurde niet lang of de kaart lag in deplorabele toestand op de motorkap. U kent die kaarten wel. Uitvouwen is ongeveer zo eenvoudig als ademen. In elkaar vouwen staat gelijk aan promoveren op het feit dat de stelling van Ptolemaeus (een convexe vierhoek is dan en alleen dan een koordenvierhoek, als de som van de producten van de lengten van overstaande zijden gelijk is aan het product van de lengten van de diagonalen) op een misverstand berust.

Wij hebben de weg uiteindelijk teruggevonden en liepen  slechts twee uur vertraging op. Op de keper beschouwd was het minder erg dan die keer dat ik anderhalf uur door Apeldoorn had gereden en uiteindelijk de weg moest vragen aan een man op een bankje aan wie ik een uur eerder dezelfde vraag had gesteld.

Wij gaan dit jaar goed voorbereid op reis. Natuurlijk heb ik de nieuwste editie van Het beste boek voor de weg en een wegenkaart van elk land dat ik doorkruis. Op internet heb ik bij minimaal drie sites een routebeschrijving opgevraagd en die heb ik keurig uitgeprint en met plakband aan de binnenkant van mijn portier geplakt. Mijn echtgenote heeft dit jaar een cursus kaartlezen voor vrouwen gevolgd. Want vrouwen schijnen moeilijker, of laat ik zeggen ánders, kaart te lezen. Zij heeft op de cursus onder andere geleerd dat het beter is kaart te lezen van zuid naar noord, in plaats van andersom. Landkaarten met het zuiden bovenin zijn helaas nog maar mondjesmaat te verkrijgen. We hebben voor dit jaar daarom een simpele, maar doeltreffende oplossing gevonden. We gaan naar Finland in plaats van het geplande Zuid-Spanje.


Animation 

Ik heb de pijp helemaal leeg. Ontspannen, daar word je heel erg moe van.

Vooral als je je, zoals ik, de hele dag gedwee aan het handje laat meevoeren door die goedwillende en vast onderbetaalde jongens en meisjes die zich op deze camping met meer dan bovennatuurlijke ijver van hun taak – mij doen ontspannen – kwijten.

Animation heet het. Ik werd er voor het eerst mee geconfronteerd op de A31. In de verte zag ik de elektronische borden al hangen. Direct in de remmen natuurlijk, want ze melden minstens file en vaak nog erger. Maar de knipperende lampjes boven de snelweg beloofden dit keer dat de eerstvolgende rustplaats gratis animation zou bieden. Animation? Welwillende animeermeisjes die de vermoeide bovenarmen van de vakantiechauffeur zouden masseren? Ik was nog lang niet aan mijn kwartiertje rust toe, eigenlijk hadden we een half uur geleden nog uitgebreid getankt, geplast en gezinsbreed gekankerd op het parkeergedrag van onze landgenoten. Maar ik kon de verleiding niet weerstaan en knipperde naar rechts.

Het viel tegen.Tussen de samengepakte mpv’s en de schots en scheef geschaarde caravans ontdekten we wipkippen en klimrekken en naar urine ruikende zandbakken. Kindervermaak, gratis aangeboden door de baas van de péage.

De animation op de camping is er voor iedereen. En gratis, want ik heb er al in december grof geld voor betaald dus het hele gezin doet aan alle activiteiten mee. Pa incluis.

Inmiddels heb ik blaren op mijn duim van het boogschieten. En mijn scheenbeen lelijk opengehaald tijdens het aquajoggen, toen een al te vlijtige landgenoot iets te hard met zijn armen zwaaide. De overige animation heb ik blessurevrij doorstaan, uitputtingsverschijnselen daargelaten. Want het is best een vol programma. Aan het begin van de avond nog meegedaan met crazy dance (elke avond een infantiel dansje op steeds dezelfde liedjes zodat we de pasjes en loopjes goed onder de knie krijgen) en daarna de longen uit mijn lijf geschreeuwd bij de karaoke (We are the champions is het enige niet-Franse liedje en dat zullen ze weten ook).

Vanochtend drie uur door de bossen gestruind, onder leiding van een eentalige gids, tussen twee en drie uur net geen laatste geworden bij het familie-strandvolleybaltoernooi en om half vier stond ik alweer paraat voor de petanque-competitie.

Het is half elf. Uit de campingbar komt een verleidelijk deuntje en over de Rue de Barbecue – zo noemt mijn dochter het straatje tussen de tenten waar elke avond tussen zeven en negen een immense walm van aangebrand vlees opstijgt – lopen tientallen piekfijn uitgedoste kampeerders op weg naar de disco. Toch maar niet. Ik rits de voortent dicht en zoek mijn slaapzak op. Morgen is het weer vroeg dag. Om acht uur heb ik mijn eerste surfles en een uurtje later is het mountainbiken geblazen. En om half twaalf gaan we zelf kaas maken. Truste.


In de snurkende hond

Laatste avond in Au chien qui ronfle. Laatste biertje aan de bar van het campingcafé. Sa’belle, het witgehaarde hondsbeest dat de twijfelachtige eer heeft genoten naamgeefster van dit povere etablissement te zijn, ligt als altijd in diepe slaap. Aan mijn voeten. Geen mens weet waarom, maar vanaf de eerste avond dat ik hier het campingstof kwam wegspoelen, ontbrak ze haar eeuwige slaap als ik mij aan de bar zette, rekte zich uit en sjokte vervolgens mijn kant op, om onder mijn kruk haar dutje voort te zetten.

Volgens Jean, de even morsige als norse kastelein, moest ik dat als een uitzonderlijke eer beschouwen. Want het beest had het normaal niet op toeristen. Mijn ego voelde zich buitengewoon gestreeld en ik gaf spontaan een tour voor iedereen aan de toog. Sa’belle maakte echter korte metten met mijn euforische stemming. Vanonder de barkruk steeg een lucht op die ik gedurende de rest van de avond nog tientallen keren zou ruiken. Haar spijsvertering was niet helemaal comme il faut; dit café had gerust Au chien qui soufle kunnen heten.

Laatste avond in de snurkende hond. Deze avond hoort bol te staan van de melancholie; op deze avond behoor je alle hoogtepunten van je vakantie nog één keer de revue te laten passeren. Maar ik denk aan morgen. Vanaf morgen moet er weer beslist worden. Vanaf morgen moet er weer ja of nee, doen of niet doen worden gezegd over belangrijke en minder belangrijke beslispunten. Gaan we eindelijk verbouwen of toch maar een ander huis? Kopen we een nieuwe auto of moet-ie nog een jaartje mee? Mag de oudste (13) een piercing en zo ja, waar? Tien kilo eraf? Sportclubje zoeken? Nieuw bed voor de jongste? Dvd-speler? Groene stroom? Minder gaan werken? Meer gaan werken? Zakgeldverhoging? KPN-aandelen? Een cavia? Andere bank? De hond laten castreren?

Alleen al het inventariseren maakt moe. En alleen al de gedachte aan al die mitsen en maren die de komende maanden de discussies in huis zullen bepalen, maakt me rijp voor een nieuwe vakantie. Misschien moest ik het maar eens helemaal anders doen. Misschien moest ik nu, op dit moment, gewoon één beslissing nemen. Een algemeen geldend ja of een algemeen geldend nee dat op alle gezinsvragen voor het komende jaar van toepassing zal zijn.

Ik neem een muntstuk van tien francs. Kop is ja, munt is nee. Ik gooi het omhoog, maar in plaats van in mijn hand komt het op de grond terecht. Ik kijk onder de barkruk en zie nog net hoe Sa’belle haar bek opent en in een bliksemsnelle beweging het muntstuk naar binnen slikt. Ze is mooi. Sa est belle. Maar ze is partijdig. Het was vast kop geweest.

 (eerder geplaatst in De Gelderlander, zomer 2001)