|
tv-columns
Huilen
in de Nacht van de Lach We zouden toch lachen in het weekend? Meer dan een schamele glimlach zat er niet in. Er ging zaterdag geen Ster-blokje voorbij – het nieuwe logo is onbetwist het diepste dieptepunt in tv-design – of er werd ons een Nacht van de Lach beloofd die zijn weerga niet zou kennen. Allemaal voor de Cliniclowns, dus lachen voor het goede doel. Maar
toen het eindelijk half elf was geworden en het falsetstemmetje van
Jean-Marie Huibregts weerklonk, werd al snel duidelijk dat de
lachspieren geen overuren zouden maken. Wat wil je ook, als de grote
namen van de lach op het affiche ontbreken of alleen bereid zijn pro deo
op te treden ná de reguliere zaterdagavondschnabbel. Met als gevolg dat
we mede-presentator Dieuwertje Blok steeds vaker zenuwachtig op haar
lippen zagen bijten. Waar bleef Sanne
Wallis de Vries? Jean-Marie
grapte de goedbedoelde conferences van de rijzende-sterren die wel op
kwam dagen op zijn Brabants aan elkaar. Brabants, dus mét tongval en zónder
regie. Eerder op de avond probeerde Jean-Marie er in zijn eigen
programma al achter te komen wat humor eigenlijk is. Het antwoord bleef
uit; de enige openbaring was dat Jean-Marie beter kan zingen dan grappen
maken. De
enige die werkelijk wat van humor heeft begrepen, is Jürgen Raymann.
Gelukkig was de Surinaamse stand-up comedian van de partij in de Nacht
van de Lach. Hij weet dat humor niets anders is dan een vergrootglas op
de harde werkelijkheid. “Bij ons in Suriname hebben we geen
Cliniclowns, maar we weten wel hoe we de patiënten kunnen vermaken.
‘U wilt lachen?’, vraagt de dokter. ‘Hier komt-ie: de medicijnen
zijn op! ” De
schamele lach is inmiddels verstomd. Er hangt alleen nog een hardnekkige
traan. Aan het begin van de lachnacht drupte die op de wang, toen de
veertienjarige Frank vertelde hoe hij zich voelde toen hij hoorde dat
hij drie tumoren in zijn hoofd had. “Klote”, zei hij. “Het was net
als het instorten van het World Trade Center.” En even kneep hij met
zijn ogen. Dokter, maak die jongen beter alsjeblieft. Laat hem lachen. (GPD-bladen,
12 november 2001) Terwijl
RTL5 en Nederland 3 de lijken tellen in New York (crash), Algerije
(noodweer) en Kabul (oorlog), toont V8 hoe tienermeisjes als een hondje
tegen willekeurige voorbijgangers aanrijden om duizend gulden te
verdienen. Onschuldig vertier, vergeleken met wat andere meisjes daarna
uitspoken in de boxershorts van wat onbekende heren. Moet kunnen op
maandagavond, half acht. Enkele
uren eerder, een collectief Aha-Erlebnis: CNN toont rookwolken boven New
York. Iedereen houdt de
adem in en wacht onwillekeurig, net als twee maanden geleden, op het
volgende bericht. Van een tweede crash, een derde aanslag. Maar het
blijft stil. Nederland 2 is er als de kippen bij en prikt de beelden van
CNN snel door. En het speculeren begint. Rode
draad door alle uitzendingen, de eerste uren na de ramp, is het speuren
naar overeenkomsten met de elfde september. Maar het lijkt wel alsof
niemand wíl dat dit opnieuw een terroristische aanslag is. Onzin wordt
direct en kritiekloos omarmd: “Het is geen aanval want het vliegtuig
had New York als eindbestemming en de tank was bijna leeg.” Even
onjuist als het type vliegtuig, dat lange tijd een arriverende Boeing
wordt genoemd, maar toch echt een vertrekkende Airbus is. Net zo mis als
de mededeling dat iedereen naar school en werk was op deze
maandagochtend. Niet dus, want Amerika is vrij op Veterans Day. Het
moet gezegd, de tv is snel op oorlogssterkte. Het spoorboekje gaat van
tafel en alle ogen worden gericht op de VS. Of beter: op CNN. De ramp is
nog geen half uur oud of een Clingendaelse deskundige meldt zich al
telefonisch op het scherm om geduldig nietszeggende antwoorden te geven
op veel te vroege vragen. Want zolang er maar één ding onomstotelijk
vaststaat (er ligt een brandend vliegtuigwrak in een woonwijk), blijft
het gissen naar de waarheid. In de
loop van de avond verdringen de bonte bikini’s van Costa de ingelaste
nieuwsuitzendingen en gaan de programma’s weer op normaal. De ramp is
maar een ‘gewone’ ramp. Het leven gaat door. Net als het tellen. (GPD-bladen,
13 november 2001) Tineke
uit het Utregse wijk de Pijlsweerd heeft afgelopen nacht niet geslapen.
Ze heeft gisteren de hele dag op haar speech geoefend. In het buurthuis
heeft ze in een rollenspel met buurvrouw Annie de overhandiging van het
cadeau gerepeteerd. Het wordt een spannende dag voor hoogblonde Tineke.
Vandaag mag ze namens het wijk Máxima welkom heten als die samen met
Willem de domstad bezoekt. Hoe ze haar zal aanspreken? Gewoon, met
‘mevrouw Máxima’ en niet met ‘mevrouw Zurregoejeta’, zei ze
gisteravond in Man Bijt Hond. “Voor je ‘t weet ligt mijn gebit in
haar schoot.” Het is maar dat u het weet, ook zonder pareltjes als
deze is Man Bijt Hond het leukste tv-programma van vandaag. Ook al is
het gejat bij onze zuiderburen. Groot
nieuws in Ivo Niehe’s TV-show. Gerard Cox léést! Dikke pillen nog
wel, geschreven door John Irving. Gerard vertelde gisteravond dat hij
sinds het uitkomen van De wereld volgens Garp geen boek meer van de
Amerikaanse verhalenverteller heeft gemist. Ivo stuurde Cox met een
cameraploeg naar de VS en regelde een ontmoeting tussen fan en idool.
Gerard bracht het er niet slecht vanaf. Zijn Engels was beter dan hij
zelf in valse bescheidenheid had voorspeld. Uiteraard ademde zijn
interview de sfeer van de bewonderaar die zijn goeroe ontmoet, dus voor
kritische vragen was geen plek. Maar zoals we gewend zijn van de TV-show,
de plaatjes waren weer mooi (groot huis, groot zwembad, groots
uitzicht). Sneu voor Gerard dat de Grote Schrijver hem geen drankje
aanbood en het meisje van het geluid eerst flauw moest vallen voordat ze
een glaasje water kreeg. Nee,
dan Tooske van TMF. Haar Engels is vloeiend, haar gegiechel ontwapenend
en haar zijn vragen eerlijk en scherp. Gisteravond mocht ze Enrique
Iglesias, inmiddels even beroemd als papa Julio, interviewen. Toos
zaagde lekker door, onder andere over de dubbelzinnige teksten van de
zanger. Het werd een spannend gesprek, totdat de camera dreigde te
beslaan. Toen werd het ook voor Tooske tijd voor een glaasje water, zo
verklapte ze. (GPD-bladen,
14 november 2001) Terwijl
u zapte tussen RTL5 (kwalificatieduel Rode Duivels) en ZDF
(kwalificatieduel Die Mannschaft), hield het cultureel correcte deel der
natie zich schuil bij Het uur van de wolf.
Het VPRO-programma vertoonde de BBC-documentaire Dudley Moore –
after the laughter. Een indrukwekkend, emotioneel portret van de Britse
acteur; een man begiftigd met een scala aan talenten. Het
leven van de kleine Engelsman bevat alle tragiek die vaak zo’n rijke
voedingsbodem vormt voor het doen opstaan van een Grote Komiek. Als
gevolg van een kinderziekte is Dudley Moore altijd klein gebleven en
sleept hij met een been. Wie als kind in zo’n geval gevrijwaard wil
blijven van de pesterijen van zijn klasgenoten, moet zich op een of
andere wijze profileren. Dudley had twee ijzers in het vuur: zijn
muzikaal talent en zijn gevoel voor humor. “Ik koos er al snel voor om
de clown uit te hangen”, zei hij. “Niet om populair te worden, maar
om minder populair te zijn.” Moore
wordt in de jaren zeventig beroemd door de film ‘10’. Misschien
heeft hij de faam echter meer te danken aan de fysieke verschijning van
zijn tegenspeelster (Bo Derek), dan aan zijn eigen acteerprestaties. Hij
is succesvol in een stuk of wat films. Dan krijgt zijn carrière een
flinke deuk als in Hollywood het gerucht wordt verspreid dat hij aan de
drank is. Hij valt regelmatig om en praat met dubbele tong. Zijn
collega’s herkennen dat gedrag direct want in zijn films zette hij
altijd de perfecte dronkeman neer. Als ontdekt wordt dat hij aan de
ongeneeslijke zenuwziekte PSP lijdt, is het al te laat. Er is geen drank
in het spel, maar zijn filmcarrière is naar de knoppen. De
bijna verlamde Moore die gisteravond in beeld was, zat met tranen in de
ogen naar beelden van vroeger te kijken; praten en lopen ging slechts
met de meeste moeite. De grootste tragiek schuilde echter in zijn
gelaat. Zijn gezichtsuitdrukking was door de spierziekte volledig
gefixeerd en toonde geen enkele emotie meer. Een clown zonder grimas.
Dat is een clown die ten dode is opgeschreven. (GPD-bladen,
15 november 2001) Varkens
en koeien zijn er niet meer welkom. Ze schijten te veel of geven te veel
melk. Iemand heeft ontdekt dat je er ook zwakzinnigen, drugsverslaafden
en demente bejaarden kunt opvangen. Ze vegen het erf aan, voeren de
kippen en dunnen de peen uit. De boer zelf bestaat nog wel. Al is hij
moeilijk herkenbaar tussen de pupillen: hij draagt geen klompen en
manchester broek meer en spreekt ABN. Hij heet zorgboer. Zijn
podium is nog steeds Van Gewest Tot Gewest, regionaler dan welk
regionaal tv-programma ook. Maar ook beter. VGTG was gisteren op de
koffie bij zorgboer Broekhuizen. Iedere morgen zit zorgboer Wim allenig
in de keuken met een grote pot koffie te wachten op wie er komen gaat.
Komt er één, komen er twee, dan klaagt de boer zoals spreekwoordelijk
van hem wordt verwacht. Komen er vijf, dan is-ie uit de kosten. Nog
eentje meer en Wim maakt winst. De
zorgboer heeft zorgen.Geldzorgen. Want zelfs al heeft hij de keuken, de
Arbowet stelt zulke hoge eisen, bijvoorbeeld aan de werkkleding van zijn
cliënten, dat de kosten toch de pan uitrijzen.Dus wat wil zorgboer Wim?
Meer subsidie! Binnenkort rijden ze in colonne naar Brussel, de
zorgboeren, rij aan rij met de taugéboeren, de forelboeren en de
caravanstallingboeren. En met VGTG erbij, wordt het leuke tv. Het
hoeft niet veel voor te stellen om beter te zijn dan het tussendoortje
van Henny Huisman, De Babysitter (RTL4). Henny ging een dagje oppassen
bij een niet-modaal niet-gemiddeld gezin. Volstrekt onduidelijk waarom
een vader en moeder hun kinderen een dag lang onderwerp van
entertainment laten zijn. Hadden we moeten lachen om Henny’s gemaakte
boosheid, om de brutale smoeltjes van de jongens, Henny’s geworstel
met de huisdieren? Niet dus. Een half uur ongevraagde inkijk, om de twee
minuten onderbroken door een shot van pa en ma die hun zonen ophemelen,
of een shot van de kinderen die één voor één papa en mama afkraken.
Alsof een kijker niet langer dan twee minuten naar dezelfde scène kan
kijken. Kan-ie best, als de scène maar goed is. (GPD-bladen,
16 november 2001) Van
Maria van der Hoeven hoeven we de politieke vernieuwing niet te
verwachten. De Maastrichtse, tweede op de lijst van het CDA, had zich
gisterochtend de reis naar Het Buitenhof
kunnen besparen. Meer dan een charmante glimlach kreeg
presentator Van Lingen niet van haar. Madam verschuilde zich achter de
traditionele dooddoeners uit het préfortunistische tijdperk en gaf dus
geen antwoord op eerlijke vragen als: vindt u De Hoop Scheffer
ministeriabel, bent u zelf in voor een ministerspost, waarom bent u zelf
geen partijleider geworden? Maria wil de coalitieonderhandelingen niet
frustreren, zegt ze. Wil Jan Peter niet voor de voeten lopen, zegt ze.
Mag het meest geheime lijstje van dit moment (dat van de potentiële
bewindslieden) niet verklappen, zegt ze. Een lijstje waar Van Lingen
niet in geïnteresseerd was, maar waar Maria maar op bleef hameren. Toe,
vraag nog eens naar het lijstje, zodat ik weer charmant en geheimzinnig
mag lachen! Alsof Maria van der Hoeven ook maar íets weet van lijstjes.
Wie niets te zeggen heeft, heeft niks te zoeken in Den Haag. Zwijgen
kunnen de 86.000 voorkeurstemmers van Maria zelf ook wel. Martin
Simek kan ook zo mooi zwijgen. Hij hoort zichzelf graag praten en
koketteert graag met zijn krakkemikkige uitspraak van het Nederlands.
Maar gisteravond was zo’n moment dat zijn zwijgen torenhoog boven al
het gekwek op tv uitstak. Een meisje deed haar ontroerende verhaal, over
haar moeder die bruut was overvallen en vermoord. En het publiek
luisterde en zweeg. En Martin liet haar praten en zweeg. En het meisje
praatte maar door, zakelijk eerst, alsof ze het proces verbaal uit haar
hoofd had geleerd. Totdat de tranen over haar wang biggelden. Alsof
hij zich daarna tegenover de kijker moest verontschuldigen, voor zoveel
minuten statisch beeld en eenzame spreekster, sprak Martin daarna over
de kostbaarheid van elke tv-minuut, mooie programma’s door
reclameminuten in de knel geraakt. “De wereld is één grote
advertentie,” zei hij. “Laat ons dan wat reclame maken voor meer
menselijkheid.” Luister je, Maria?. (GPD-bladen,
11 juni 2002) Een
enkel beeld, een korte scène, biedt soms al genoeg voldoening. Geeft
glans aan een overigens matig programma. Zoals dit beeld: twee mensen
duwen een rolstoel door de diepe voren van een natte akker. Een jongen
laat zich gedwee meeslepen. Op weg naar de tractor. En als die zijn
dieselwalm uitspuwt en met zijn hele lijf begint te trillen, zoals
alleen een oude trekker trillen kan, is het alsof in de tot dan passieve
jongen ook een contactsleutel wordt omgedraaid. Zijn lijf begint te
schudden, zijn handen te beven, zijn ogen gaan glanzen. Prachtig beeld,
als ware het gestolen uit het absurdistisch toneel van Samuel Beckett.
Maar dit was geen Beckett, dit was Een samenleving met een handicap,
gisteravond. Waarin wij op zeer bijdetijdse wijze, dat wil zeggen
fragmentarisch en van de hak op de tak, kennismaakten met twee
geestelijk gehandicapte jongeren. De één doof en blind tegelijk, de
ander met onvolgroeide hersenen. Beiden in een wereld wonend ver van de
onze, maar door vele vrijwilligers met ijzeren geduld toch zoveel
mogelijk bij die van ons betrokken. Met een eigen taal bijvoorbeeld,
vierhandengebarentaal geheten. Of met een kruiwagen vol paardenmest, een
koeienstal, een trillende trekker op het land. Soms, heel soms, steekt
even dit gevoel de kop op: zouden ze wel op onze wereld willen zijn? Wel
toneel, maar weinig absurd, is Breekijzer. Helaas speelt Pieter Storms
geen uitgediepte karakterrollen, maar altijd hetzelfde typetje. Dat van
de schreeuwlelijk die altijd gelijk heeft, ook als-ie het niet heeft.
Zijn decor is dit: een snelle Citroën Evasion scheurt de camera binnen
terwijl een dreunende beat Storms schreeuwende aankondiging bijkans
overstemt. Zijn tekst is simpel. Ambtelijke taal wordt gepareerd met
‘verdomme’, ‘moet dit kind de tering krijgen’ en ‘mevrouw, u
moet zich schamen’. Krijgt hij zijn gelijke tegenover zich – zoals gisteravond een Valburgse wethouder die zich niet liet
intimideren – dan neigt hij naar schelden. “Ik geloof echt dat ik
hier met een geschifte…” Dan liever een echte Beckett. Mis hem niet,
vanavond om kwart voor twaalf. (GPD-bladen,
12 juni 2002)
Niet
dáárom aardig zijn voor Rudi Die
Rudi van Dantzig had zo’n mooie krullen. Nu heeft-ie een wollen muts
op zijn hoofd. En toch maar werken, ondanks de bestraling. Dóórwerken
in de studio, balletdansers tot grote hoogte opzwepen, ondanks de
chemokuren. Het stuk dat hij nu choreografeert, is zijn laatste werk.
Als ze maar niet lovend zijn alleen maar dáárom, zei hij gisteravond
in Netwerk. “Het zou verschrikkelijk zijn als ze zouden denken, ach,
het is zijn laatste werk, laten we maar aardig voor hem zijn.” Zijn
haren zijn verdwenen, maar zijn grote blauwe ogen staren nog net zo
levenslustig de wereld in als op beelden van jaren geleden. Dansen doet
leven, zo te zien. Of doet leven dansen? Aan een stervende zwaan is Van
Dantzig nog niet toe. Levenslustig
tot in hun tenen zijn ook Dunya en Desie, de twee giechelende meiden van
de gelijknamige jeugdserie. De meisjes, doodgewone schoolgaande grieten,
spelen de sterren van de hemel. Alsof je naar het leven zelf zit te
kijken, terwijl ze volgens hun website in het echt heel andere typetjes
zijn. In de vierde aflevering gingen de pubers erg ver in hun poging het
leven naar hun hand te zetten. Er moest hoognodig iets gebeuren aan de
eenzaamheid van Desie’s moeder, een hoogblonde weduwe die denkt dat
haar cellulitis mannen afschrikt. Ze plaatsen een contactadvertentie en
onderwerpen de smachtende mannen in de plaatselijke snackbar aan een
grondig kruisverhoor. De ware zit er bij, zo blijkt en op ingenieuze
wijze weten de meisjes moeder in contact te brengen met de wat kalende,
maar aardige vrijgezelle vent. Als het klikt tussen beiden, doet Desie
echter een schokkende ontdekking: ze vindt haar potentiële stiefvader
wel érg aardig… Daarna
nog even gechat met Dunya. Leuk voor de kids dat ze na een aflevering
met de hoofdrolspelers via internet kunnen kletsen. Jammer dat we maar
met zessen waren in de chatbox. Het klonk wat hol. Dunya had ook niet
zoveel te vertellen. Een keer antwoordde ze: ‘Ja, leuk.’ En even
later typte ze warempel een hele zin: ‘Volgende week ben ik er
weer.’ (GPD-bladen,
13 juni 2002)
Een
aardige imam en een milde schrijver Jeroen
Pauw zette woensdagavond laat imam Haselhoeff en schrijver Léon de
Winter tegenover elkaar. Vuurwerk bleef uit en dat was maar beter zo. Er
is al genoeg gevlagd over en weer. De imam deed vooral moeite over te
komen als een aardige jongen die het beste voor heeft met iedereen,
als-ie zijn geloof maar niet hoeft te verloochenen. Dat lukte hem heel
aardig. De schrijver toonde zich voor zijn doen mild en gereserveerd en
deed vooral moeite over te komen als een aardige schrijver die het beste
voor heeft met iedereen, zolang hij zijn eigen geloof maar niet hoeft te
verloochenen. Dat ging hem niet slecht af. De manier waarop hij
bedachtzaam de rook van zijn sigaar naar boven blies, de lichtkalende
kruin die de camera genadeloos bloot wist te leggen, misschien zijn het
tekenen van wijsheid. Zijn vrouw, Jessica Durlacher, zat er zondag veel
minder relaxt bij toen ook zij, in Buitenhof, moest reageren op
berichten over toenemend antisemitisme. Haar ‘tegenspeler’ was
echter van zwaar kaliber: de joodse schrijver Milo Anstadt, overlevende
van de oorlog, wilde van geen oplevend antisemitisme weten. Van die
oorlog zijn we nog niet af. Soldaten hinter Stacheldraht (gisteravond,
WDR) toonde beelden van de laatste oorlogsdagen.Duitse soldaten geven
zich massaal over. Schuchter komen ze uit greppels en holen gekropen,
met grote angstogen. Als de zware helmen afgaan, de lange overjassen en
bepakking worden afgelegd, zien we het: ze zijn jong, deze soldaten.
Kinderen nog. Soms zoomt de camera van toen in op een van die jongens,
om dan terug te keren in het heden: we herkennen de trekken van de
jongen van toen in het gelaat van een grijsaard. “Er was alleen maar
leegte voor me”, zegt de één. Een ander kent nog zijn angst: “Onze
meerderen hielden ons keer op keer voor dat de Amerikanen geen
gevangenen zouden maken, dat we gedood zouden worden.”
Een derde herinnert zich alleen de tranen van zijn moeder, toen
hij terugkeerde van het werkkamp. En moeders tranen wellen opnieuw op,
nu in zijn eigen ogen. (GPD-bladen,
14 juni 2002) Wien
komt zo van niets op één Wien
van den Brink zou eens een plaatje moeten maken. De boerenleider, tevens
Kamerlid (LPF), blinkt uit in controversiële one-liners en die doen het
goed in moderne popsongs. Zaterdagavond mocht Wien weer aan de bak. In
Het Zwarte Schaap ageerde hij tegen de Belgische dierenactivist Michel
Vandenbosch, die de wereld enige tijd geleden trakteerde op akelige
beelden. Koeien werden op de veemarkt vreselijk geschopt en geslagen.
Wien zei te twijfelen aan de verstandelijke vermogens van de
dierenvriend. Met de stelling van Vandenbosch dat het transport van vee
van geen kanten deugt, maakte de boerenleider korte metten: “Wij
vervoeren het vee beter dan NS mensen vervoert.” Een
snelle beat eronder en Wien rapt zich zo een eind de hitparade in:
“Wij vervoeren - la la la la - vee veel beter - la la la la - dan ‘t
spoor mensen.” Wiens illustere voorganger, boer Koekoek, ook al zo’n
groot dierenvriend, kwam ooit een heel eind met Den Uyl zit in d’n
olie. Zo’n eigentijds rapnummer zou het zelfs beter doen dan het
huidige LPF-lijflied, het snel in elkaar geflanste At your service van
Joling en Rietman. Zou op eigen kracht de toptien in denderen, let maar
op. Voor de clip zouden wat beelden geleend kunnen worden uit de
tv-reportage van Koninginnedag vorig jaar, toen er iets teveel mensen
gevolg gaven aan de oproep Ga vaker met de trein. Afgewisseld met stills
uit Kootwijkerbroek wordt dat een gave clip. Wien komt van niets op één als hij goed
kijkt naar Eminem. De meester van de controversie prijkt sinds
gisteravond op één bij Top of the Tops. Gezellig programma, ook al
worden veel BBC-beelden met applaus aan de Hollandse gesmeed. De
clipmakers van Eminem, zo blijkt uit zijn nieuwe clip, grossieren in
moderne iconen: Batman, Elvis en Bin Laden komen langs en rappen vrolijk
mee. Luister wat
ze zingen, Wien: Now this looks like a job for me - So everybody just
follow me - We need a little controversy - Cuz it feels so empty without
me – la la la la… (GPD-bladen,
17 juni 2002) In
de huid van een ander Onbekommerd
televisiekijken kan verworden tot een bizarre ervaring. Zo zit je te
schateren om een cabaretier die een bekende Nederlander nadoet, het
volgende moment zit je te griezelen bij een documentaire over zieke
mensen die spontaan van persoonlijkheid wisselen. Satire is leuk en
iemand persifleren een van de leukste vormen van amusement. Maar het
komt ineens in een ander daglicht te staan als je geconfronteerd wordt
met beelden van een jonge vrouw, in haar jeugd seksueel misbruikt, die
in een oogwenk van een vriendelijk nerveus wezen verandert in een
agressieve vrouw die zichzelf wil verminken. Diederik
van Vleuten, samen met Erik van Muiswinkel vaste gast in Studio Spaan,
zette gisteren een perfecte Boudewijn Büch neer. Boudje had uiteraard
de witte handschoentjes bij zich, waarmee hij de ‘unieke eerste
drukken’ van de meegebrachte boeken voorzichtig presenteerde.
Sportboeken, de een nog waardevoller dan de ander. Boeken die je vooral
moest hebben, maar zeker niet moest lezen. Boudewijn kon het niet
nalaten om de meesterlijke eerste zin voor te lezen uit een sportboek
van Spaans eertijds zo warme maatje, maar nu met de nek aangekeken
ex-collega Harry Vermeegen: “Niets uit deze uitgave mag worden
openbaar gemaakt…” Lachen
dus, en daarna huilen bij de tweede Belg (Kwesties), bij een tien jaar
oude docu die nog steeds niets aan kracht heeft ingeboet. Twee
Amerikaanse vrouwen lieten zich filmen in momenten waarop er van het ene
op het andere moment een ander in hun huid kroop. Er zijn speelfilms
over gemaakt (Psycho, The Exorcist), maar die beelden vallen in het niet
bij de scènes uit de werkelijkheid.
DIS heet de aandoening, disassociatieve identiteitsstoornis. Als
vreselijke herinneringen uit het verleden naar de oppervlakte dreigen te
komen, neemt ‘een ander’ je lichaam over. Die ‘ander’ heeft vaak
destructieve neigingen. Een van de vrouwen kwam regelmatig weer bij
bewustzijn terwijl ze zichzelf aantrof in een plas bloed, met diepe
sneden in de armen. Meest bizar was haar dagboek: daarin stonden
verschillende handschriften. Kleine, regelmatige regels over koetjes en
kalfjes, afgewisseld door grote hanepoten: HAAT, HAAT en IK WIL HAAR
DOOD. (GPD-bladen,
18 juni 2002) Gewend
aan beeld Vreemde
keuze van het NOS-Journaal om te beginnen met the golden goal van
Hiddinks Koreanen en pas daarna in te zoomen op twintig lijkenzakken in
Jeruzalem. Ooit werd een nieuwsuitzending geopend met het belangrijkste
of schokkendste nieuws. Tegenwoordig lijken de beelden belangrijker. Uit
elkaar gereten bussen en orthodox-joods ambulancepersoneel al snuffelend
tussen brokstukken, daar zijn we blijkbaar aan gewend. Maar juichende
stadions met Nederlanders in de hoofdrol, dat is lang geleden, daar
lusten we wel pap van. Zo meteen blaast Spanje het sprookje van
Zuid-Korea uit en verdwijnen de euforische supporters weer van het
scherm. Het bloeddoordrenkte plaveisel van Jeruzalem daarentegen, daar
zijn we nog niet van af. Waar we
ook nog niet van af zijn, is Gert-Jan Dröge. En maar goed ook. Achter
zijn uitgestreken gezicht, zijn lege, nietszeggende blik verschuilt zich
de ware hofnar. Alleen heeft de jetset van Holland dat niet door. Als
Gert-Jan zijn openhartige vragen afvuurt op de leden van het kleine,
maar uitgelezen gezelschap dat gedisciplineerd elkaars party’s en
recepties bezoekt, dan stribbelt er zelden iemand tegen. Er is bij de
meesten wel even die onzekere, onderzoekende blik, die verraadt dat ze
het niet helemaal vertrouwen, maar het gelaat van heer Dröge vertrekt
geen spier en gedwee geeft de ondervraagde antwoord. Een antwoord dat er
meestal niet zo toedoet. Gert-Jan luistert gedwee en kijkt er heel
minzaam bij, maar de ervaren kijker weet genoeg. Straks, in de
montagekamer, als heer Dröge zijn commentaar op de beelden inspreekt,
dan komt de ware aard van de societywatcher naar boven. Hij maakt ze af,
stuk voor stuk. Zijn cynisme spaart niemand. En toch laten ze hem
volgende week weer binnen op hun party’s, de Vanessa’s, Molenaars,
Braakhekke’s en Brandsteders. Ze willen zo graag in beeld, dat het
niet uitmaakt hoe. Meneer Dröge wist gisteravond aan een van zijn
gasten zelfs nog belangrijk modenieuws te ontlokken: het decolleté is
weer helemaal in. En de borstelige wenkbrauw ook. Dat laatste hebben de
dames te danken aan Laurentien Brinkhorst, meldde Dröge. Vanessa, door
Gert-Jan om commentaar gevraagd, had zo haar bedenkingen. Tenminste, wat
de wenkbrauwen betreft. (GPD-bladen,
19 juni 2002) Nare
sprookjes, en virtuele Kinderen
horen niet in een ziekenhuisbed. Kinderen horen te dwalen in het
Sprookjesbos, met open mond te staan gapen in de Fata Morgana, tot
spugens toe te draaien in de Python of natte billen te krijgen in de
Piranha. Maar God of het lot denken er anders over. Soms. Een kind
krijgt een ongeluk of een akelige ziekte. Of moeder natuur heeft zich
een beetje vergist en de geslachtskenmerken door elkaar gehaald. Het
Emma Kinderziekenhuis is een goed ziekenhuis. Niet alleen omdat de
camera’s van Net 5 er mochten filmen. Ook omdat de kinderen er in de
watten worden gelegd. In kleurige snoezelkamers en met vriendelijke
meisjes die de kinderen vermaken, wordt toch een beetje een
sprookjessfeer gecreëerd. Maar het manneke met het onvolmaakte
piemeltje kijkt na een mislukte operatie liever naar buiten. “Ik wil
rennen,” zegt hij, en hij schudt zijn blonde krullen. “Ik wil mijn
fiets en ik wil mijn tractor en ik wil mijn speelgoed.” Dit is een
naar sprookje voor hem. Als-ie
beter wordt (het moet!) kan hij, als hij weer is uitgekeken op fiets,
tractor en speelgoed, naar de PandaDroom. Gisteren bracht de AVRO een documentaire
over de wording van deze nieuwe attractie van De Efteling die mede door
het Wereldnatuurfonds (WNF) is bekostigd. Grappige tegenstelling kwam
naar boven: WNF en Efteling bouwen samen en de één wil zoveel mogelijk
realiteit, de natuur is immers echter dan echt, en de ander wil alle
ruimte geven aan de fantasie. Dus liever blauwe rotsen dan grijze.
Behalve als er een nepleeuw gemaakt moet worden. Dan mogen daar van het
WNF weer geen echte haren voor worden gebruikt. Er zijn stevige woorden
gevallen, maar de illusie lijkt te hebben gewonnen. Want de PandaDroom
is vooral een virtueel sprookje geworden. Met veel speciale effecten.
Dat je wel het gevoel krijgt elders te zijn, maar toch niet echt. Net
als tv eigenlijk. Alleen moet je er hier voor in de rij staan. Benieuwd
of je echt koude billen krijgt als je van de ijsberg afglijdt, of de kou
er bij moet denken. (GPD-bladen,
20 juni 2002) Flatvarkens
De
boerderij heet straks intensieve-agroproductiecomplex. Dat is een flat
waar varkens wonen. Ze scharrelen tussen het stro. Als de zon schijnt,
worden ze gelucht en mogen ze met hun snuitjes wroeten in de kunstmatig
opgebrachte laag modder op het platdak. De
intensieve-agroproductiecomplexbeheerder (vroeger boer geheten)
controleert of de zwijntjes wel goed eten. De computer van de
voedermachine scant de chips in de varkensoren en verklapt alles aan de
intensieve-agro…, ach, noem hem maar conciërge . Het is
de toekomst en er wordt al driftig mee geëxperimenteerd. Het was het
perfecte onderwerp voor de allerlaatste uitzending van Van gewest tot
gewest, gisteravond. Gedurende 37 jaar richtte het programma zijn
camera’s op zo’n beetje elke homp klei en korrel zandgrond die
Nederland rijk is. Oubollige beelden? Soms. Maar Nederland ís oubollig.
De klei en het zand, wat we erop bouwen en verbouwen, is in die 37 jaar
enorm veranderd. Moeten we ons nu verliezen in nostalgie wegens het
verdwijnen van een simpel, doeltreffend programma? Stel die vraag over
het verdwijnen van de boerderij. Die bestaat ook niet meer, al menen we
van wel. Het idyllische bouwwerkje zelf is door stadse lui opgekocht. De
boer zelf woont in een geelstenen bungalow of villa met gebroken kap, in
de schaduw van een prefab megaloods. Daarin verdringen de varkens zich
op de vierkante meter en zien zelden de zon. De ammoniaklucht hangt als
een buitenmaathypotheek op de schaarse bosjes en hakhouten wallen. Dan
maar de flat in met de beesten? Beter voor het milieu, beter voor het
welzijn van big en zeug en de conciërge kan om vijf uur naar huis. Een
landbouwdeskundige vertelt het in de camera. En de camera lijkt mee te
knikken en thuis knikt je hoofd langzaam ook van ja. Maar als de
aftiteling draait, blijft het knagen. Geen nostalgie. Het is het besef
dat we wel zonder varken kunnen, maar niet zonder het beeld van het
varken in het landschap. We staan niet neutraal in het landschap, we zíjn
het landschap en daar horen beeldjes in. Er zit niets anders op: Van
gewest tot gewest moet blijven. (GPD-bladen,
21 juni 2002) Linkse
Hans Linkse
politici worden rechts zodra ze hun gat van het pluche hebben gelicht.
Rechtse worden links. Dat is de Wet van Den Haag. De progressief wordt
commissaris bij een multinational en de conservatief ontdekt de paupers
van deze aarde. Na Lubbers schijnt ook Hans Dijkstal (VVD) het licht te
hebben gezien. Zaterdag zat hij in het panel van Dit was het nieuws
(Tros). Hij zat er niet lekker. Zeker in het begin had hij het nakijken
bij de een-tweetjes tussen de cabaretiers Raoul Heertje en Jan-Jaap van
der Wal. Tot twee keer toe verzuchtte hij: "Waar gaat dit eigenlijk
over?" Maar ineens raakte eerlijke Hans de juiste snaar. Grapte
vrolijk mee over Paars I. En openbaarde zich als een progressief
politicus. "Jongen, wat ben jij links aan het worden!" riep
Chazia – alleen als ik ervoor betaald word, ben ik een bitch –
Mourali uit. Het is terecht dat Balkenende harde maatregelen afkondigt,
zei Dijkstal. "Maar je moet ook perspectief bieden en daar heb ik
nog weinig van gezien." Hij was net terug van een reis door Azië.
Daar had hij pas echte armoede gezien dus we moesten in ons welvarende
Holland niet overdrijven. Als klap op de vuurpijl kregen Bush en Blair
nog een veeg uit de pan. De hele bewijsvoering rondom de oorlog tegen
Irak steunde op een krakkemikkige Powerpointpresentatie van Powell, zei
Hans. "Geen hond kan beoordelen of de oorlog terecht is gevoerd.
" Gerrit
Zalm mocht gisteren bij Buitenhof laten zien dat het nieuwe kabinet wel
degelijk een perspectief te bieden heeft. Maar Zalm draaide zijn eigen
Powerpointpresentatie af. Had meer weg van een langspeelplaat waarop de
naald blijft hangen. Het begrotingstekort drukken en de administratieve
rompslomp voor bedrijven verminderen, zo kraakte het uit zijn zuinige
mondje. Het staccato-interview dat Rob Trip hem afnam, bood ook weinig
ruimte voor diepgang. Trip maakte er een eigen Dit was het nieuws van.
Op alle highlights van deze week moest Zalm reageren: JP's oranjegevoel,
Van Aartsens glorieuze rol, de 40-urige werkweek en nog wat
proefballonnetjes. Net
iets te veel voor een liberaal die het zich nog niet kan veroorloven
links te zijn. (GPD-bladen,
16 juni 2003) Dodo's
in the bush De dodo
was niet moeders mooiste, maar mooi van lelijkheid. Het dikke, hulpeloze
vogeltje uit Mauritanië, halverwege de zeventiende eeuw uitgestorven,
was een van de fascinaties van Boudewijn Büch. Diederik van Vleuten
leidde gisteravond een serie tv-programma's ter herdenking van Büch in
en hij vond die fascinatie wel verklaarbaar: "Net als de dodo was
Boudewijn een wat timide, treurig en onhandig buitenbeentje. Die er
opeens niet meer was…" Vanzelfsprekend
was deel 1 van De fascinaties van Boudewijn Büch (Vara) gewijd aan
Boudjes zoektocht naar het ware verhaal achter de dodo. De tien jaar
oude beelden toonden een wat schutterige presentator die de wereld
afreist op zoek naar botjes van de mysterieuze vogel. Het moment waarop
Büch een botje geschenk krijgt van een museumdirecteur is nog even
ontroerend als tien jaar geleden. Büch schiet vol en duwt snel de
camera de andere kant op. Boudewijn
is dood, zo dood als de dodo. Misschien maar goed ook. De romanticus zou
zich in zijn graf omdraaien als hij wist van Bobo's in the bush (Yorin).
In dit programma denderen tien bobo's door de jungle van Borneo. Het is
namaak-tv van de eerste orde. Een samenraapsel van elementen van Big
Brother, Expeditie Robinson en Wie is de mol?, met 'Bekende
Nederlanders' (ooit van beroepswerkloze Henk gehoord?) die kirrend en
kreunend door een exotisch décor struinen en elkaar vervolgens moeten wegstemmen. Het lijkt wel of de bobo's ver
weg in de jungle ook een andere taal spreken. Als Danny Rook een
teammaatje aanwijst dat het programma moet verlaten, zegt hij: "Ik
moet echt uit mijn comfort-zone gaan om dit te doen". Toch
heeft het wel iets, die bobo's in het oerwoud. Iets koddigs. Ze zwieren
aan touwen door het bos en de camera registreert genadeloos hun buikjes,
de tranen die ze stiekem wegpinken, de stoere kleurige condooms die uit
hun rugzakjes vallen en waar ze echt niet aan toekomen en de gretigheid
waarmee ze zich op hun make up storten na een dagje Tarzan-spelen. De
hulpeloosheid van deze koddige diertjes doet denken aan de dikke duifjes
van Mauritius, aan de dodo's van Büch. (GPD-bladen,
17 juni 2003) Sprookjes Een
vooruitstrevende film waar we al jaren aan toe waren. Dat vindt Paul
Verhoeven nog steeds van zijn film uit 1980, Spetters. Maar de kranten
deden het af als onwaardig kijkvoer: "Spetters, een film van drie
letters." Andere tijden (NPS/VPRO) keek gisteravond terug op de
beroering die de film destijds opriep. Aandoenlijke scènes van feministes die met overslaande stem
bij Sonja Barend regisseur Paul Verhoeven van seksisme beschuldigden.
Een anti-Spetters-comité. En potenrammers die de acteurs in cafés
achternazaten. De protesten van destijds zijn nu nog moeilijk voor te
stellen. Verhoeven is een held, scenarioschrijver Soeteman is een held
en producent Joop van den Ende is een held. In twintig jaar is de
tijdgeest gekanteld, zei presentator Hans Goedkoop. Hij kan het altijd
zo mooi zeggen. Spetters, de eerste realistische film over drie gewone
jongens uit het arbeidersmilieu, noemt hij nu een toonaangevende
profetische film. Grote woorden. Volgens Soeteman was het bedoeld als
een modern sprookje, meer niet. Bert
van Leeuwen ("ik ben van de goedmakerij") gelooft ook in
sprookjes. Hij probeert mensen die al jaren ruzie met elkaar hebben weer
bij elkaar te brengen. Met behulp van een camera en een kok die de
ruziemakers met een lekker bord eten moet paaien. Gisteren registreerde
Het familiediner (EO) twee koppige broers die om een akkefietje niet
meer naar elkaar omzagen. Ooit had de een zijn ouders voor een etentje
gevraagd om ze te bedanken voor hun hulp en hij had bewust de broer niet
uitgenodigd. Dat was tegen het zere been. Zeer voorzichtig loodsend, met
zijn immer boterzachte blik, weet Bert menig koppigheid te breken. De
ene broer was al in de studio, zou de ander komen? U en ik wisten het
allang, maar Bert hield de spanning er nog even in. Even later zaten ze
tegenover elkaar, verlegen mét elkaar, onhandig manoeuvrerend met een
glaasje wijn. De één, gepierced van top tot teen, was nog stoerder dan
de ander. Maar nu hadden ze natte ogen. "Wat zou je je broer willen
zeggen?" probeerde Bert voorzichtig. "Tja", zei de
ander. "Ik denk… het spijt me…"
Goed geantwoord. En ze leven nog lang… (GPD-bladen,
18 juni 2003) We
zijn zwanger! De
kroonprinselijke conceptie ging van een leien dakje en daarom had Máxima
zich nog niet geërgerd aan hét onderwerp in de bladen: is ze al
zwanger? Welnu, ze ís zwanger, of, zoals de kroonprins het gisteren
zelf in het Journaal zei, "Wé zijn zwanger." En de prinses
blijft, afgezien van het normale zwangerschapsverlof, gewoon doorwerken.
Belangrijk nieuws in het Journaal: Máxima sluipt 's nachts niet naar de
koninklijke ijskast voor augurken, maar naar het royale snoeptrommeltje.
Snoepmakers van Nederland, grijp uw kans! Nu valt er een kroontje te
verdienen. Wat een
zwanger tv-avondje was dit. Een glunderende aanstaande vader in het
Journaal, een zwanger GTST-lid (Laura) dat met complicaties in het
ziekenhuis terechtkomt, een ander GTST-lid (Valerie) wier baarmoeder
wordt verwijderd, bij Yorin Bevallingsverhalen waarin families worden
gevolgd tijdens de bevalling (kindjes die met open mond staan te
luisteren naar het hartje van het baby'tje in de buik) en als klap op de
vuurpijl bij SBS6 De verloskundigenpraktijk ("Ik ga even een knip
zetten", zegt de vroedvrouw). Bloed en vruchtwater spatten van het
scherm. Gelukkig was er ook nog Nina Simone in Het
uur van de wolf. De zangeres die dit jaar op 70-jarige leeftijd
overleed. De hogepriesteres van de soul genoemd, maar zelf zag ze zich
als de reïncarnatie van een Egyptische koningin. Alles kon ze zingen en
alles op haar eigen manier dus in hokjes paste ze niet. Een leven van
diepe dalen en hoge pieken. Beide in hoge mate te danken en te wijten
aan haar eigen karakter: geen gemakkelijke tante, zegt iemand in de
documentaire, en een ander meent dat haar lijfwachten eerder het publiek
tegen Nina moesten beschermen dan andersom. Een treurig leven ook door
de lieden om haar heen, zoals haar ex-man Andy, die haar als werkpaard
gebruikte en haar succes alleen voor zichzelf in klinkende munt wist om
te zetten. "We hadden nooit plezier in bed", zegt Nina
openhartig. "Hij noemde mij zijn slaappil." Een ontroerende
documentaire, met breekbare muziek. Met shots
van Nina, eenzaam achter de piano, zingend "my life has been rough",
maar ook: "I kill the first mother I see." (GPD-bladen,
19 juni 2003) Harry gaat puberen
De
verschillen tussen Journaal en Jeugdjournaal zijn eindelijk opgeheven.
Marga van Praag bewees het gisteravond met haar item over het balletje
gehakt. Een poging om de gevolgen van Europese eenwording te vertalen
naar de gewone burger, liep muurvast in een slagerswinkel. De
Journaal-verslaggeefster deed zo haar best om ons leuk en kinderachtig
toe te spreken, dat ze niet luisterde naar wat de slager zei. Hij
verklapte dat hij vroeger allerlei stofjes aan het vlees toevoegde.
Beetje journalist vraagt dan dóór. Allerdiepste dieptepunt: Marga die
afscheid van de kijkers neemt met een 'smakelijk eten' in vier talen. J.K.
Rowling heeft wél begrepen hoe je jeugd en volwassenen in dezelfde taal
kunt toespreken. Kinderen en grote mensen zijn even enthousiast over
haar Harry Potterserie. Morgen verschijnt het langverwachte deel 5 en de
BBC bracht gisteravond een interview met de schrijfster. "Ik heb
gehoord dat ik rijker zou zijn dan de Britse koningin", zei de
voormalige bijstandsmoeder. "Maar mijn boekhouder ontkent
het." Ze voelt zich wel schuldig dat ze zoveel geld verdient. En
over dat er zoveel Harry Potterspulletjes in de winkels liggen.
"Als je maar weet dat ik bepaalde merchandising heb
tegengehouden," zei ze. "Wc-brillen met Harry Potter-opdruk
bijvoorbeeld!" Rowling
bevestigde dat een belangrijk personage gaat sterven, maar de naam hield
ze angstvallig voor zich. Ooit liet ze zich ontvallen dat kinderen haar
vaak vragen toch vooral Ron, Harry's beste vriendje, te sparen.
"Die vinden ze te kwetsbaar, die mag niets overkomen." Op
internet is een levendige discussie ontstaan over de naam van de
ongelukkige, maar zelfs de New York Daily News, die een rechtszaak te
wachten staat wegens te vroeg publiceren, houdt dat feit voor zich. Zo
hoort het ook. Lezers willen verrast worden. Rowling liet dan ook weinig
los over het nieuwe deel. Ze toonde schema's, notitieboekjes en
uitgeschreven plannen die de blauwdruk vormen voor de delen die nog
volgen, maar de camera mocht niet dichtbij komen. Wat ze wél verklapte,
is dat de jeugdige personages wel degelijk meegroeien. Harry en Ron en
Hermelien worden gewoon een jaartje ouder en de hormonen gaan opspelen.
Benieuwd of Harry puistjes krijgt. (GPD-bladen,
20 juni 2003) De
enige die van de oorlog genoot De
enige die van de oorlog genoot, is er op 5 mei weer bij in Wageningen.
De prins is voldoende opgeknapt. De Britse koning George zei het ooit
zelf tegen Bernhard: “Van alle mensen die ik ken, bent u de enige die
echt van de oorlog genoten heeft.” In Hoge Bomen (AVRO) voelde Pieter
Jan Hagens gisteravond vrienden van Bernhard aan de tand. Geen nieuwe
onthullingen, wel bevestiging op bevestiging van de bekende
beschuldigingen. Dat hij vier jaar lid was van de NSDAP, dat hij in
Londen amoureuze betrekkingen onderhield, dat hij na de oorlog het
Nederlandse bedrijfsleven, ook in landen met een bedenkelijke reputatie,
met verve heeft aangeprezen. De gerimpelde heren die Hagens voor de
camera haalde, vertelden soms met een grijns van oor tot oor over de
bravoure van de prins. Hoe openhartig ook, allen hielden hem toch de
hand boven het hoofd. “Lid van de NSDAP? Daar kon je op die leeftijd
niet omheen!” zegt zijn neef. “Een affaire? Het was oorlog! Elke dag
kon je laatste zijn!” zegt een oudgeneraal. Hoge Bomen is prachtig
vormgegeven, met mooie beelden van Bernhard in een oerlelijke zwembroek.
Al insinueerde een herhaald shot van een vrouw die sensueel een sigaret
rookt net iets te veel, elke ademzucht in Bernhards leven blijft
intrigeren. Tot aan zijn laatste toe. Een nog
betere polderserie is Dunya & Desie. In herhaling op de buis, maar
als opwarmertje voor een nieuwe serie de moeite waard. Omdat de
NPS-serie lekker puh zegt tegen het gesteggel over
allochtonenintegratie. Marokkaanse Dunya en eerlijk geblondeerde Desie
hebben wel wat anders aan hun hoofd: jongens, en: hoe zal de eerste keer
zijn? Er wordt vriendelijk gespot met tradities: Dunya draagt alleen een
hoofddoekje als ze ermee onder de gymles uit kan komen. De spiegel wordt
ook naar de andere kant gekeerd: een Nederlands yuppenstel dat Desie als
oppas inhuurt voor de kat (!) wordt net zo te kakken gezet als de vader
en moeder van Dunya wanneer die een bandje inspreken voor oma in
Marokko. Desie en Dunya laten zien dat integreren een moeilijk woord is
dat we met een gerust hart in de kliko kunnen gooien. (GPD-bladen,
14 april 2004) Een
eenzame man op een balkonnetje “Ik
dacht wel eens: als ik nu naar het huis van mijn ouders ga, kan ik ze zo
ombrengen.” Een voormalige blauwhelm aan het woord. Ooit moest hij in
Bosnië de vrede bewaren, maar het kwam vooral neer op het verbijten van
ergernissen. “De Serviërs waren continu aan het sarren.” In B &
W vertelde hij gisteravond wat het gevolg was van die opgekropte
emoties: agressie thuis. ’s Nachts zonder licht rijden op de snelweg,
een bijna onbedwingbare drang om zonder reden familieleden te doden.
“Ik zocht naar een manier om mijn kwaadheid te kanaliseren.”
Psychologenjargon is gewone-mensen-taal geworden. Dat het
kanaliseren van emoties bij ex-blauwhelmen wel eens fout afloopt, wilde
Paul Witteman graag aantonen. Twee gevallen van ex-militairen die na
uitzending iemand hadden vermoord, moesten dat bewijzen. Vermoedens te
over, ook bij de deskundigen aan tafel. Maar niemand durfde volmondig
een verband tussen uitgezonden worden voor een vredesoperatie en
agressie achteraf thuis te bevestigen. Ook in
Netwerk een verbitterde ex-militair die nog wat te verwerken had. De man
had tien jaar geleden peentjes gezweet in Rwanda, tijdens de massale
moordpartijen. Toen het zelfs de Amerikanen te heet onder de voeten
werd, mocht hij van onze regering niet verkassen. Zijn uniform had hij
nog wel. “Omdat mijn vrouw het niet weg wilde doen.” Zelf had hij
het helemaal gehad met het leger. Onderkoeld, bijna cynisch deed hij
zijn verhaal. Zijn ogen donker en leeg. Het laatste shot van de camera:
een eenzaam man op een balkonnetje, krampachtig trekkend aan een
sigaret. Misschien
moeten ex-blauwhelmen een weekend naar Frankrijk. J’aime la vie –
over leven met kanker (RVU) liet zien hoe Nederlandse kankerpatiënten
in een Franse villa tot rust kwamen. Emoties kanaliseren ging hier als
volgt: de patiënten trokken figuren in een bak met schelpenzand en
gooiden briefjes in een beek om afscheid te nemen van nare gevoelens.
Het kwam kinderachtig over. Maar aan het eind van het programma, dat
nogal leed onder de moderniteit van de snelle montage, keerde de camera
terug bij de deelnemers. En stuk voor stuk, hoe ziek ook, waren ze er
beter aan toe. Elke dag, al was het de laatste, was een dag vol leven
geworden. (GPD-bladen,
15 april 2004) Ettertjes
of een slechte jeugd Contrasten
leveren de mooiste plaatjes op. Advocaat Jan Boone, gerimpeld en scherp,
tegenover de kakkineus gekapte Laetitia Griffith van de VVD. In hevige
tweestrijd over de vraag of moordende tieners wel onder het
kinderstrafrecht moeten vallen. De routineuze nonchalance van de
pleitbezorger: “Krijgen we weer dat jeugd-van-tegenwoordig-gedoe?”.
Zijn lange hand maakt een wegwerpgebaar. Haar repliek: een donkere blik.
En: “Een slechte jeugd is geen excuus meer voor een misdaad.” Nog een
mooi plaatje: Inge Diepman in dezelfde discussie tegenover de moeder van
een vermoorde zoon. Diepman, krampachtig vasthoudend aan het
gespreksonderwerp en dus niet luisterend naar de moeder die haar zoons
moordenaar van alle ellende in haar gezin beschuldigt en dus ook van de
huilbuien van de zeven maanden oude baby van haar andere zoon.
Contrasten alom. De reclasseringswerker heeft het over een
time-outvoorziening. Boone over ettertjes. Een
ander tegengesteld beeld: drie verslaggeefsters voor de rechtbank, elk
voor een ander nieuwsprogramma. Alledrie beschrijven ze hoe Murat niet
wil kijken naar de videoband van zijn fatale schot op de meester. Een
statisch beeld, zo’n dame met microfoon en saai bij uitstek. De tv die
altijd alles vertoont, laat nu geen beelden zien. En toch ziet elke
kijker een dwarse, nog steeds boze jongen in een rechtszaal staren naar
het linoleum. Het
mooiste plaatje van gisteravond. Mooi van gruwelijkheid. Tv-maker Herman
van Gelderen keert na tien jaar terug naar Rwanda. Het bloed is
opgedroogd, er wordt vergeven, maar niet vergeten. Op de achtergrond
klinken vrolijke Afrikaanse ritmes, maar de bijbehorende tekst spreekt
over moord en doodslag en vraagt ´Waar was God?’ Blauwe luchten en
Hollandse stapelwolken boven weldadig groene velden. Er schoffelt een
man. Hutu-man Marcelin Kwibuka is terug op zijn akker na negen jaar cel.
In 1994 doodde hij zijn eigen vrouw. Zij was Tutsi en dus opgejaagd
wild. Tientallen Hutu’s stonden om heen. “Neem deze schoffel en sla
je vrouw dood. Anders doden wij je kinderen.” Marcelins vingers misten
de kracht om de steel vast te houden. Maar Françoise ontblootte haar
hals en sprak: “Dood me, misschien sparen ze jou en de kinderen.” En
Marcelin sloeg. (GPD-bladen,
16 april 2004) Gerrit
kan weer naar Nova kijken Nog
twee zaterdagavonden afzien. Nog twee zaterdagavonden van negen tot
twaalf achterover hangen, de zure room opdweilen die afwisselend uit
Henk-Jan en Edwin sijpelt, om half elf knarsetandend naar de Blue Room
van Yorin zappen en om de twintig minuten worden blootgesteld aan een
naakte vrouw met cellulitis of, nog erger, de Toyota Yaris, de lelijkste
auto sinds de DAF 44. Nog twee zaterdagavonden virtueel spandoeken
ophouden in Studio 22 (Mag ik in je kontje knijpen Boris?) en medelijden
hebben met de sterren in de dop van wie wordt verwacht dat ze tot in de
vierde herhaling zinnige antwoorden geven op de meest infantiele vragen.
Reinoud: “Jij hebt toch ervaring met een big band?” Marlies: “Ik
speelde een blauwe maandag bugel.” Reinoud: “We hebben het ineens
over een bugel dames en heren, dat is niet de bedoeling.” En hup,
Marlies verbouwereerd af toneel. Voorgoed,
zou later op de avond blijken, want het sms-volkje vond het korte rokje
van Maud spannender en de koortsige JK zieliger. Terwijl JK toch echt
zijn avond niet had, in tegenstelling tot Maud die eindelijk haar
repertoire heeft gevonden. Nog
twee zaterdagavonden genieten. Want tussen alle ergernissen door levert
Idols topamusement. Dat
vindt ook de minister van Financiën. Gerrit Zalm bekende gisteren in
Het Buitenhof dat hij op zaterdagavond graag naar de talentenjacht
kijkt. Al zal hij vanaf volgende week weer op Nova afstemmen. Gerrit was
namelijk een fan van Marlies want ooit speelde zijn zoon samen met haar
in een bandje. Zalm
heeft vast ook om een andere reden gekeken. De simpele, maar succesvolle
wijze waarop RTL de centjes uit de felgekleurde portemonneetjes klopt,
roept ongetwijfeld bewondering op bij de bewindsman. Tachtig eurocent
voor een stemmetje, dat is snel verdiend. In het kabinet heeft Gerrit
meer moeite om geld bijeen te sprokkelen. Hoewel hij gisteren bekende
daar wel veel plezier aan te beleven, aan bezuinigen. Want het maakt je
creatief, zei Zalm. En hij grijnsde kamerbreed. Hij geeft de ministers
een lijst waarop staat waar zij volgens hem nog kunnen besparen. Dat
noemen ze het martellijstje, zei Gerrit. En zijn grijns werd nog wat
breder. (GPD-bladen,
19 april 2004) De
held van de dag De held
van de dag was niet André. Aan de hoeveelheid zendtijd die de reis van
onze tweede man in de ruimte kreeg, lag het niet. Al om vijf uur in de
ochtend kon Nederland aanschouwen hoe de Sojoez ferm het luchtruim koos
en later stond de ruimtereis op de agenda van elk nieuwsbulletin. Het
lag evenmin aan zijn sympathieke lach of aan de snelle zoen die zijn
vriendin hem vlak voor de lancering wist te ontfutselen. Mooiste moment
was overigens niet het beeld van de opstijgende raket, maar het verslag
ervan door Journaalcorrespondent Peter D’Hamecourt. Het vuur en de
rook hadden geen indruk op hem gemaakt, maar wel het langzaam in kracht
toenemende onderaardse gerommel. “Op een gegeven moment gingen mijn
oorlellen trillen van de geluidsgolven.” De held
van de dag was een vrouw. Maar het was niet Mabel Wisse Smit. Alles
mochten Maartje van Weegen en Paul Witteman vragen aan het aanstaande
bruidspaar. En niets deed het paar blozen, noch de vraag over Friso’s
vermeende homoseksualiteit, noch die over Mabels vermeende
liefdesrelatie met crimineel Bruinsma. De Mabel uit de media deed haar
best de sterke kant van dat beeld te bevestigen: die van een schrandere,
geëngageerde jonge vrouw. Het naïeve meisje dat op machtige mannen
viel, zette ze eenvoudig opzij. Zelfbewust en ontspannen pareerde ze de
vragen en keek met veel genegenheid naar haar prins als die – met veel
gevoel voor ironie – zijn moeilijke rol in het Koningshuis beschreef:
“Het is me niet ontgaan dat ik de zoon van de koningin ben.” De held
van de dag was een vrouw van twintig. Ooit was ze een meisje van twaalf
dat opgesloten zat in een kelder, de prooi van een beest dat zich nu
verschuilt achter een nekbracelet. Haar openhartig relaas in de rechtszaal deed Dutroux voor het
eerst stotteren. Twee ouders van meisjes die het kelderverhaal niet
konden navertellen, stortten in bij het horen van haar verhaal. Maar het
moest verteld en Sabine Dardenne deed het met verve. Ze keek haar
verkrachter recht in de ogen en vroeg “Waarom heb je me niet vermoord
als je vond dat ik zo’n rotkarakter had?” Ze was te sterk, toen al. (GPD-bladen,
20 april 2004) De
stadions werden steeds oranjener De
verloren finale van 1974 zou met de winst van 1988 voor altijd zijn
bijgezet in een diepe grafkelder, maar in de aanloop van elk groot
toernooi vindt steeds wel iemand die zerk terug. Van de week verscheen
er een boek en gisteravond was Andere Tijden geheel gewijd aan het
Oranje van 1974. Om niet al te diep te hoeven afdalen van de
intellectuele Olympos – het blijft Nederland 3 - en omdat de echte
voetbalfan toch niet keek – die zat met chips en pils bij Chelsea op
net 2 – had Hans Goedkoop er een heuse dichter bijgehaald. Chris
Willemsen werd tenminste zo gepresenteerd, als dichter en voetbalgek.
Hoogstaande lyriek hebben we uit zijn mond echter niet kunnen optekenen.
Of het moet het zinnetje ‘De stadions werden steeds oranjener’ zijn
geweest. Willemsen kende elke pass en elke schijnbeweging van het
toernooi van 1974 uit zijn hoofd. De gelijkmaker die op 7 juli van dat
jaar uitbleef, had hij al ontelbare malen gedroomd. “Daarna zouden we
in de eerste minuut van de verlenging 3-2 hebben gemaakt.” Droom maar
lekker door jongen. Dat er
dichters zijn die van voetbal houden, is minder gek dan het lijkt. Het
simpele spelletje spreekt tot de verbeelding en de sporter spreekt een
rijke taal. Zie het idioom van Cruijff maar als de Van Dale van het
voetbal. Veel
wijzer werden we niet van Andere Tijden. Mooie beelden uit 1974, maar
die kenden we al. Supporters die de oranje schmink nog niet hadden
uitgevonden. Dienders met platte petten die nog geen wapenstok nodig
hadden. Langharige jongens die Neeskens, Krol en Haan heetten en schik
maakten in en om het hotel. Michels languit in een fauteuil, loom en
ontspannen in gesprek met sportjournalisten. Kees
Jansma en Eddy Poelman mochten de oranjegekte van toen, die pas na de
eerste gewonnen wedstrijd opstak, van commentaar voorzien, maar ook hun
verhaal was bekend. Jansma’s bekentenis dat hij destijds veel te
nationalistisch dacht en te veel beïnvloed was door anti-Duitse
sentimenten, oogde sympathiek. Maar voor zo’n ontboezeming was het ook
de hoogste tijd. De Duitse journalist Siegfried Drach was er destijds
ook bij geweest. Hij had zijn ogen uitgekeken en Krol noemde hij ‘Ein
richtiger Frauentyp.’ Maar ook dat wisten we al. (GPD-bladen,
21 april 2004) Engeltjes
in rolstoelen Marcs
Angels zou beter zijn
zonder Marc. Het idee waarop het EO-programma met en voor gehandicapten
is gebouwd, is goed. Drie engeltjes - zwaar gehandicapte, maar vlotte
jonge grieten – proberen een dierbare wens te vervullen voor
leeftijdsgenoten met een gebrek. Emotietelevisie volgens het boekje,
maar zonder dat het pathetisch wordt. De Kleenex kan in het doosje
blijven. Alleen de rol van Marc is onduidelijk en dus onnodig. Hij
probeert de drie stukjes waaruit het programma bestaat leuk aan elkaar
te praten. Maar Marc is niet leuk, hij is kinderachtig. En als
gehandicapten iets niet verdienen, dan is het een infantiele benadering.
Neem
nou Marianna. Zelfs de term ‘zwaar gehandicapt’ is nog te licht. Ze
zit in een loodzware rolstoel. Zo zwaar dat twee potige uitsmijters van
een Groningse discotheek hem niet over de drempel kunnen tillen. Zeggen
ze. Samen met haar engeltje knotst en botst ze van discodrempel naar
discodrempel. Een avondje stappen is er voor haar niet bij. “De caféhouders
in Groningen zijn wel bereid, maar niet vóórbereid,” zegt Marc op de
achtergrond. Geloof je het zelf, Marc? Een
ander engeltje helpt een dove jongen die zielsgraag steward in een
vliegtuig wil zijn. Het gaat hem bijzonder goed af. Opmerkelijk hoezeer
hij geconcentreerd is op de gezichten en expressies van de passagiers.
Na de vlucht overlaadt de crew hem met complimenten. En met een
opblaasbare Boeing. Daar moet hij het mee doen; zijn droombaan blijft
een droombaan. Marie
is ook doof. Ze zit tussen niet-dove klasgenootjes op een middelbare
school. De documentaire Marie – Doof, nou en! (RVU) deed verslag. Een
goed programma omdat je de doofheid aan den lijve ervaart. Ineens worden
achtergrondgeluiden en muziek weggedraaid en moet je het alleen doen met
beelden. De concentratie wordt veel dwingender. Ineens begrijp je waarom
een dove zo gefixeerd is op de expressie van een ander.
Marie
komt wél in de disco. Ze staat op de dansvloer en let scherp op haar
vriendinnen. Tijd om te flirten heeft ze niet. Als haar vriendinnen
beginnen te bewegen, danst zij ook. En nu komt het eropaan: exact op het
moment dat de meisjes stoppen, moet ook zij stilstaan. Anders staat
Marie voor schut. Je bent doof, maar niet gek. (GPD-bladen,
22 april 2004) Reallife
soap Gerard
Joling ligt languit in een megabad. Schuim tot aan zijn kin, glaasje
bubbels binnen handbereik. Gisteravond heeft Gerard opgetreden en
vandaag neemt hij het er eens goed van. Mevrouw
Van Dijk ligt languit in een verpleegbed.
Mevrouw Van Dijk ligt altijd languit in een verpleegbed. Ze is
dement. Enige tijd geleden heeft het interdisciplinair overleg van De
Twaalf Hoven besloten dat mevrouw in een warm bad zou moeten liggen.
Want ze is zo gespannen. Mevrouw heeft al maanden geen bad gezien.
“Wie moet haar in bad helpen?”, zegt de verzorgster. Gerard
Joling loopt over de Schager veemarkt. Cafeetje in, met een blaadje bier
eruit. Op de foto met fans, grollen met de dikbilkoeien. Cafeetje in,
nog eens een blaadje bier. Interviewtje met de lokale radio.
Beerenburger. Cafeetje in, met een blaadje bier eruit. “Ik drink
alles,” zegt Gerard. “Trap me op de voet en mijn mond gaat open. Je
kunt het er zo inschenken.” |