interview

 

Arto paasilinna

 

Geen thema te zwaar voor Paasilinna’s pen

 

Hij is Finlands beroemdste schrijver, is vertaald in twintig talen en heeft veertig titels op zijn naam staan. Maar wie kent Arto Paasilinna? Vorige week verscheen zijn vierde boek in Nederland. Tijd voor een kennismaking met een schrijver die loodzware thema’s in literaire slapsticks verpakt.   

 

Door GEURT FRANZEN

AMSTERDAM - Halverwege het gesprek staat hij op en spreidt zijn armen wijd uit. “Ik heb uitgerekend hoeveel engelen er in de houten kerk van Kerimäki kunnen. Aangezien ze een spanwijdte van elf meter hebben, kunnen de vijfduizend die ik in mijn boek noem er allemaal in.”

Een spanwijdte van elf meter? Hoe weet de Finse schrijver wat de spanwijdte van de vleugels van een engel is? “Gewoon”, zegt hij met een stalen gezicht. “Het is de spanwijdte van een albatros. Dat moet zeker genoeg zijn voor een engel.” En pas dan breekt de lach door op zijn gezicht.

De kerk van Kerimäki is de grootste houten kerk van Finland. En in Finland is het niet anders dan in Nederland: die kerk staat zo goed als altijd leeg. Vandaar dat de schrijver in Wees genadig, waarvan de vertaling net verschenen is, het kerkgebouw laat confisqueren. Het wordt de nieuwe locatie voor de hemel, de werkplaats van de engelenschaar. God zelf gaat zetelen in de klokkentoren.

Even daarvoor vertelde de 63-jarige schrijver dat hij in zijn schaarse vrije tijd al vijftig kleine huizen heeft ontworpen. Want ook al heeft hij geen bouwkunde gestudeerd, hij heeft wel iets met architectuur. Reken maar dat zijn berekening van het volume van de kerk in Kerimäki tot op de millimeter klopt. Zijn huisjes staan verspreid over heel Finland; de meeste staan op zijn twee landgoederen waarvan er een in Lapland is gelegen.

Scheppen, zoveel is duidelijk, is zijn stiel. Huizen, sauna’s of romans, dat maakt niet uit. Geen wonder ook dat de God in Wees genadig – in de satirische roman neemt de Almachtige een jaar vakantie en geeft hij het roer tijdelijk over aan een Finse kraanmachinist – wel een beetje op de schrijver lijkt. Paasilinna weigert dat volmondig te erkennen, maar zijn gezicht spreekt boekdelen: de opmerking streelt hem wel degelijk. “De God is mijn boek is in ieder geval van mijn lengte,” geeft hij toe. “De andere hoofdpersoon, Pejeri, de vervanger van God, heeft echter net zo veel van mij weg.”

Arto Paasilinna is wat ze in Finland noemen een ‘vrije schrijver’: iemand die van de pen kan leven. In zijn geval is dat heel ruim. Zijn vlotte pen schreef huizen, landgoederen en een appartement aan de Algarve bij elkaar. Vrij snel na het verschijnen van zijn eerste boek, in 1975, het verfilmde verhaal over een man die een haas aanrijdt en het gewonde dier vervolgens een jaar lang met zich meezeult, kon hij zijn beroep als journalist al opgeven. Zijn romans worden verslonden door de Finnen. En zijn populair in de Baltische staten, Frankrijk, Italië, Duitsland.

Het vreemde is dat zijn boeken pas via die ongebruikelijke route door Midden-Europa in de rest van Scandinavië populair werden. Het was logischer geweest als Paasilinna eerst in Zweden was doorgebroken. Waarom het buurland ze eerst afwees? Paasilinna haalt zijn schouders op. “De Zweden beschouwen zich geciviliseerder dan de Finnen en mijn werk is nogal aards van karakter. Misschien hebben ze er daarom niet aan gewild. Ze konden uiteindelijk toch niet om mijn werk heen. Een paar jaar geleden was ik in Zweden de best gelezen buitenlandse schrijver.”

In zijn boeken toont Paasilinna zich een scherp observator van de Finse samenleving. En wie scherp observeert, wordt vanzelf een scherp criticus. Maar Paasilinna heeft een toon en stijl gevonden waarmee alles gezegd kan worden, zonder dat iemand er aanstoot aan neemt. Een lichte toon en een meeslepende stijl, waarmee hij zware onderwerpen: de dood, krankzinnigheid, zelfmoord, op kousenvoeten aan de orde stelt. Met heel veel humor, hoe zwart soms ook.

“Natuurlijk zijn de personages in mijn boeken eerst en vooral Finnen,” zegt de schrijver. “Maar hun karaktertrekken zijn, hoewel ik ze hier en daar flink uitvergroot, algemeen. Dat geldt ook voor mijn thema’s: ze behandelen het goede en het kwade in de mens.”

Het goede en het kwade, ze gaan zij aan zij in Paasilinna ‘s verhalen. Het kwade, dat zijn de dorpsbewoners in De huilende molenaar die de hoofdpersoon laten opsluiten in een inrichting, alleen maar omdat hij af en toe ’s nacht staat te huilen als een eenzame wolf. Dat zijn ook de drie schavuiten in De gifkokkin, die eenmaal per maand het pensioengeld van een tachtigjarig besje komen opeisen. Dat is de duivel zelf in Paasilinna’s nieuwe roman over de plaatsvervanger van God.

En het goede? Het goede schuilt in de vastberadenheid van de personages. Hoe diep het dal soms ook is, stuk voor stuk krabbelen ze op en komen zij als overwinnaars tevoorschijn. “Uiteindelijk wil ik toch positieve boeken schrijven,” aldus de schrijver van De zelfmoordclub.

De Finnen dragen hun grootste hedendaagse schrijver op schouders. En ze weten hem te vinden als hij een thema aansnijdt dat hen raakt in het diepst van hun ziel. Dat bleek toen Paasilinna aansneed wat hij zelf de Finse volksziekte noemt: zelfmoord. “Na het verschijnen van De zelfmoordclub (een hilarisch reisverslag van een bus vol depressieve Finnen die collectief zelfmoord willen plegen/GF) heb ik vier maanden lang bijna dag en nacht aan de telefoon gezeten,” zegt Paasilinna. “Ik had nog niet opgelegd of ik kreeg alweer de volgende depressieve Fin aan de lijn. Het ene verhaal was nog schrijnender dan het andere. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om die arme mensen af te wimpelen dus ik luisterde braaf naar elk verhaal.”

Of het veel geholpen heeft? Paasilinna had geen enkele therapeutische bedoeling met zijn boek. Maar hij haalt met genoegen de statistieken aan. “In Finland plegen jaarlijks 1500 mensen zelfmoord. In het jaar na verschijnen van mijn boek, was dat aantal gedaald naar 1000…”

 

De boeken van Arto Paasilinna worden uitgegeven door De Wereldbibliotheek.


(De Gelderlander, 14 april 2005)