Een slopersleerling en een kikker genaamd Strapitchacoudou

 

Gaétan Soucy Music Hall!

Door GEURT FRANZEN

Waarom draagt de slopersleerling plankjes om zijn borst, strak vastgesnoerd en voor niemand zichtbaar onder zijn werkkleding? Zo verleidelijk om te verklappen, maar zoveel zaliger om het zelf te ontdekken in Music Hall!, de nieuwe roman van Gaétan Soucy.

De Canadees had al enkele romans op zijn naam staan toen hij twee jaar geleden doorbrak met Het meisje dat te veel van lucifers hield. Een fabuleuze, waanzinnige roman die slechts met moeite in clichés te vangen is: magisch, sprookjesachtig, maar ook aards en rauw. Met als decor een werkelijkheid die er geen is en soms toch weer wel. Die aan onze wetten niet voldoet, maar die je toch accepteert. Alsof je een toneelstuk van Samuel Beckett ondergaat.

Ook in Music Hall! lijkt Beckett herrezen. Vreemde personages struinen rond in deze roman. “We zijn in New York,” schrijft Soucy op de eerste bladzijde. “Eind jaren twintig op een sloopterrein.” Daar sjouwt een leerjongen met puin. Het is een pas aangekomen immigrant. Dat beweert hij tenminste. Xavier X. Mortanse is de naam. De jongen voert ons 351 bladzijden lang door een magisch New York, waar de ene stofwolk de andere opvolgt: bedompte woonkazernes moeten wijken voor wolkenkrabbers, voor de nieuwe tijd. De slopers aan de macht!

Een leerjongen van wie niemand zijn afkomst kent, zelfs hijzelf niet. Een oude sloper die de Filosoof wordt genoemd, overdag muren slechtend, ’s avonds aan zijn schrijftafel bouwend aan een filosofisch meesterwerk. Een voorman, Lazare, die zijn plas niet kan ophouden, die maandelijks een dik pakket dollars ontvangt waarmee hij vervolgens zijn sigaar aansteekt. En als klap op de vuurpijl een kikker in een kistje, een kikker die kan zingen en dansen en luistert naar de naam Strapitchacoudou. Inderdaad, de verbeelding is terug in de literatuur.

We leren Xavier, de slopersleerling, kennen in een diepe kuil op een sloopterrein en zullen daar op de laatste bladzijde ook afscheid van hem nemen. In de tussentijd volgen we hem op zijn zoektocht door de stad – hij raakt zijn slopersploeg kwijt en slaagt er maar niet in zijn maten terug te vinden -, leven met hem mee als hij afgaat op het podium van een Music Hall omdat Strapitchacoudou weigert te zingen en vrezen tientallen keren voor zijn leven. Want Xavier vangt nogal wat klappen op. Eigen schuld, moet-ie maar niet zo eerlijk zijn.

Het geheimzinnige waas waarin we Xavier aantreffen, trekt heel langzaam op. Heel gedoseerd levert Soucy de ontbrekende puzzelstukjes. En als de afbeelding uiteindelijk kant en klaar voor ons ligt, schrikken we ons rot. Niets is zoals het leek te zijn. De ware afkomst van de slopersleerling is zo onvoorstelbaar, zo gruwelijk ook dat zelfs Xavier X. Mortanse zelf het niet kan bevatten. Een macaber, maar o zo prachtig plot ontvouwt zich.

Music Hall! is een fantastische roman. Begin opnieuw vooraan en ineens herken je kleine aanwijzingen voor de grote ontknoping. De wereld die Soucy geschapen heeft, is even waar als onwerkelijk en de taal waarin hij dat alles vormgeeft, is acrobatiek vanaf de hoogste trapeze. Soucy speelt met de verbeelding alsof het een ballon is die maar een klein tikje nodig heeft om van muur tot muur te kaatsen. Zijn beeldspraak is kakelvers en desondanks in volledige harmonie met de archaïsche beschrijvingen die de roman zo treffend plaatsen in de jaren twintig. Een beproeving die vertaler Han Meijer meesterlijk heeft doorstaan. Music Hall! heeft het uitroepteken dubbel en dwars verdiend.

Gaétan Soucy, Music Hall!, Querido, vertaald door Han Meijer, 354 blz, 18,95 euro.  

 

[uit De Gelderlander van 13 mei 2004)


Het meisje dat te veel van lucifers hield

 

Een vreemd, macaber verhaal verteld in een betoverende taal die niet van deze wereld is. Dat is de roman Het meisje dat te veel van lucifers hield van de Frans-Canadese schrijver Gaétan Soucy.

Niets is wat het lijkt. Wonen twee tienerbroertjes samen met hun vader op een vervallen landgoed? Zo lijkt het te zijn. Schrijft een van de broertjes de merkwaardige geschiedenis van het gemankeerde gezinnetje op, daags nadat de vader zich heeft opgehangen? Het heeft er alle schijn van. Is er, behalve wat verwaarloosd vee, geen enkel ander levend wezen in de opstallen te bekennen? Dat lijkt zo.

De twee kinderen die door hun vader volledig geïsoleerd worden gehouden van de rest van de wereld – in een onbekend land in een onbekende tijd – zijn op zichzelf aangewezen. Ze hebben zichzelf lezen geleerd met behulp van de vele boeken die de bibliotheek van het kasteeltje herbergt. Oude boeken, uit de achttiende eeuw en nog langer geleden, met het gevolg dat de taal waarin de kinderen spreken en schrijven niet alleen een boekentaal is, maar ook nog eens een mengeling van archaïsche, plechtstatige en zelfverzonnen taal. Die bijzondere taal legt over de roman een betoverend waas, een magie die wordt versterkt door de eigenzinnige beeldspraak. Zó beschrijft de ik-persoon een begrafenisstoet: “De menigte veranderde in een lang golvend dier, een soort slang, maar dan met poten en met een doodskist als bek, waaruit ieder moment een gespleten tong te voorschijn zou schieten, leek me, hoewel het zelden voorkomt dat een grafkist vanzelf opengaat, voorzover ik gelezen heb.”

De dag dat vader zich verhangt, vormt een keerpunt in het leven van de kinderen. Ze zijn nu op zichzelf aangewezen. De werkelijkheid van buiten het landgoed – in de vorm van bemoeizieke dorpelingen -  dringt zich op, met dramatische gevolgen. Toch wordt er geen traan geplengd. Het leven zoals het was vóór vaders dood had niets van harmonie; hoe schilderachtig en natuurrijk de omgeving ook was, een arcadisch schilderijtje vormde het niet. Er hing een donkere wolk boven de vervallen buitenplaats. Soms klonk het geluid van stokslagen. Soms het geschreeuw van een vader die zich vrijwillig had laten vastketenen. En soms klonk er uit de kelder gerammel van kettingen en een gesmoord geluid. Er was iets onbestemd in die kelder. Het bewoog. Het was volledig gehuld in windselen. Het had een naam: De Gerechte Straf.

Wie Het meisje dat te veel van lucifers hield ter hand neemt, moet zich laten meevoeren door de bijzondere woorden van Gaétan Soucy en zelf de schijnwaarheden ontmaskeren. Langzaam deze bijzondere roman ervaren, alsof je een mummie van zijn windselen ontdoet. Het ene symbool met het andere verbinden, de ene verwijzing naar de andere ontdekken en  uiteindelijk tot de kern geraken van een verhaal dat mystiek en zingeving en religie in de schaduw stelt van Het Woord.

[uit De Gelderlander van 19 december 2002)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Gaétan Soucy

 Music Hall!


Fragment uit 

Music Hall!


 

Gaétan Soucy

Foto: Martine Duyon


Gaétan Soucy

 Het meisje dat te veel van lucifers hield


Samuel Beckett

(klik op de foto)