Wie heeft de echte macht, vraagt Saramago

 

jose saramago de stad der zienden

 

Door GEURT FRANZEN

Wat zou er gebeuren als bij de raadsverkiezingen volgend jaar meer dan 70 procent van de kiezers in Amsterdam blanco zou stemmen? Zou er dan een gemeenteraad aan het werk gaan die door het overgrote deel van de stad is afgewezen? Is dat democratie?

Een interessante vraag die José Saramago probeert te beantwoorden in zijn nieuwe roman De stad der zienden. De titel doet herinneren aan een eerder meesterwerk van de Nobelprijswinnaar, De stad der blinden. De lezer die op zoek gaat naar een relatie  met het intrigerende verhaal over een stad waarvan de bewoners langzaam een voor een blind worden, moet echter geduld hebben. Er is wel degelijk een link, maar die openbaart zich pas halverwege.

Op dat moment heeft Saramago al een verhaallijn ontrolt die zelfstandig, zonder terugkijken op dat vorige boek, meer dan voldoende intrigeert. In de hoofdstad van een niet nader genoemd land, maar alles wijst op Lissabon, stemt meer dan 70 procent blanco tijdens de raadsverkiezingen. Erger nog: als de regering de verkiezingen in de stad over laat doen – in de rest van het land verlopen de stemmingen normaal – blijkt het percentage blancostemmers nog eens met tien te zijn gestegen tot 83! De regering is radeloos. Een derde stemronde zal geen ander resultaat opleveren en bij gebrek aan goede ideeën, besluit het kabinet machtsmiddelen in te zetten. Alhoewel er geen enkele aanleiding voor is, wordt de blanco-rage beschouwd als een subversieve activiteit van samenzweerders die de regering ten val willen brengen. Als de inzet van spionnen tot niets leidt, wordt de stad geïsoleerd. Er komt een cordon van militairen omheen te liggen en het regeringsapparaat vertrekt naar een andere stad. En wat doen machthebbers die hun vijanden niet aan kunnen wijzen? Die creëren hun vijanden zelf. De regering laat zelfs in het metrostation een bom tot ontploffing brengen. In de hoop dat grote delen van de bevolking, door de angst geregeerd, zich tegen de onzichtbare krachten onder hen zullen keren. Hetgeen niet lukt. De aanslag heeft zelfs een ongekend hoge verbroedering tot gevolg.

Saramago, de criticus wiens belangrijkste wapen de ironie is, toont zich hier weer op zijn best. In zijn beschrijving van de machtspelletjes op regeringsniveau, de weergave van telefoontjes en gesprekken tussen de premier en zijn ministers, de beraadslagingen van het kabinet, legt hij zonder genade de processen bloot die gelden als een machtcentrum in de problemen komt. De aandacht wordt op zulke momenten immers niet gericht op de aard der problemen, maar op de mogelijkheden om in het zadel te blijven. Machtsbehoud, door machtsmisbruik.

De bevolking van de stad, die zich, in het nauw gebracht door de regering, verbroedert, daarin vinden we de verklaring van de titel. Zoals ook in De stad der blinden het geval was, kent Saramago’s nieuwe roman geen echte hoofdpersoon, maar kiest hij wat later in het verhaal een personage uit dat hij gedetailleerd volgt en wiens handelen een tijdlang centraal staan. Hier is dat een politieman die opdracht heeft te infiltreren in een vermoed netwerk in de stad. De standvastigheid van de stadsbewoners brengt de aanvankelijke trouw die de politieman voor zijn opdrachtgevers tentoonspreidt, aan het wankelen. Waarmee Saramago een positieve toets geeft aan zijn voor het overige cynische, weinig hoopvolle roman. Die weer geschreven is een fabuleuze, eigenzinnige en ondanks het zwaarmoedige onderwerp geestige stijl. Saramago lezen is genieten tot op de komma.

De thematiek van De stad der zienden is ook nog eens actueel. Het valt niet moeilijk om in de zwalkende overheid een moderne regering te zien die zich geen raad weet met al dan niet vermeende terroristen of met kiezers die geen vertrouwen in haar hebben. Wie is er écht de baas in een democratie, zo vraagt de Portugese schrijver. Het is goed om daar eens over na te denken.  

José Saramago, De stad der zienden, vertaling Maartje de Kort, Meulenhoff, 319 blz, 18,50


 

Met de draad van Ariadne in het dodenlabyrint

jose saramago alle namen

 

Door GEURT FRANZEN

Orde en wanorde, een overzichtelijke levensweg en een duister labyrint, dat zijn de tegenstellingen die José Saramago samenbrengt in Alle namen. Een roman die zich afspeelt daar waar de twee extreemste tegenstellingen, leven en dood, samenkomen: het archief van de burgerlijke stand.

Saramago (1922) laat ons kennismaken met de nijvere ambtenaar meneer José, die als schrijver zijn dagen slijt achter de balie van het Algemeen Archief van de Burgerlijke Stand. Meneer José houdt zich keurig aan de strenge, ambtelijke mores; hij is ijverig en stipt en in alles een saaie ambtenaar. Als hij zich al te buiten gaat aan uitspattingen dan is het zijn verzameling krantenknipsels. Hij houdt knipsels bij over beroemdheden. Een hobby die minder blessuregevoelig is, is nauwelijks denkbaar. En toch kost het meneer José bijna zijn kop.

Om zijn verzamelingen helemaal compleet te hebben, besluit hij 's avonds terug te sluipen naar het archief om daar de persoonskaarten van zijn idolen over te schrijven. Op een avond neemt hij per ongeluk de kaart mee naar huis van een onbekende vrouw. Dan is José verloren. Hij raakt bezeten van het idee alles over die vrouw te weten te komen; wordt als het ware verliefd op een persoonskaart. De gevolgen zijn desastreus: de man die model stond voor het nijvere ambtenaarschap gaat zijn werk verwaarlozen, overtreedt alle regels en raakt zelfs op het dievenpad.

Nobelprijswinnaar Saramago schreef een boeiende, maar niet altijd even onderhoudende roman. Het geheel van handelingen is schraal, zijn stijl is weerbarstig en de taal vergt nogal wat doorzettingsvermogen. De taal is echter wel op en top de zijne. Het is die waarin hij excelleerde in de magistrale roman Stad der blinden. Het zijn de dialogen die zonder leestekens aaneengelast zijn tot ogenschijnlijk warrige spraakwatervallen. Dat vereist concentratie bij de lezer, maar het legt ook een bruggetje naar de werkelijkheid: een gesprek wordt zelden in de chronologische dialogen gevoerd die de meeste schrijvers ter wille van de duidelijkheid laten afdrukken. Ook de stijl is geheel die van Saramago: er is het kafkaiaanse decor, de onbenoemde stad in een onbenoemd tijdperk. De grauwe burgers van de stad, enkel schaduwen op de grijze gevels van beregende straten. En dan zijn er de namen. De onbekende vrouw heet 'de onbekende vrouw', de mevrouw van de begane grond rechts heet constant 'de mevrouw van de begane grond rechts'. Niemand heeft een naam. En dat in een boek dat Alle namen heet. Wilt u nog meer contrasten?

Vooruit, nog eentje dan: in het dynamische archief der levenden liggen de persoonskaarten van de levenden keurig in archiefkasten geordend; in het statische archief, dat der doden, is het donker, liggen de dossiers half door muizen aangevreten in hoge stapels en raak je de weg kwijt. Wie in dat archief moet zijn, knoopt het ene eind van een lang touw aan het bureau van de archivaris en het andere aan zijn enkel. De draad van Ariadne helpt je de weg terug te vinden in het labyrint der doden. Het leven als orde, de dood als chaos.

Vindt meneer José de onbekende vrouw? Wordt hij betrapt door de archivaris of zelfs ontslagen? Dat zijn vragen aan de hand waarvan Saramago je door het labyrint van zijn roman leidt. Om natuurlijk pas op het eind de antwoorden te geven. Waarna je nog wel even nodig hebt om tot je te laten doordringen wat de Portugese meester nou eigenlijk wilde vertellen, met zijn roman vol tegenstellingen. Dat het onzinnig is de doden te scheiden van de levenden, misschien is het dat. Dat het onzinnig is op zoek te gaan naar iemand, hetzij levend of dood, omdat we dat nooit te weten komen. Het is niet voor niets dat Saramago dat door een schaapdrijvende herder op een begraafplaats laat vertellen (Markus 16:9-11).

José Saramago, Alle namen, Uitgeverij Meulenhoff, 224 blz, f36,50.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


José Saramago

 De stad der zienden


Fragment 


José Saramago

 Alle namen