|
Slijmerige monsters houden een spiegel voor
Albert Sánchez Piñol nachtlicht
Door GEURT FRANZEN Monsters bestaan. Op afgelegen eilanden, zo las u eerder deze week in onze kolommen, kunnen kleine schepselen ongestoord uitgroeien tot monsters van King Kong-formaat. Als er maar genoeg eitwitrijk voedsel voorhanden is. Die kleine wetenschappelijke waarheid is tegelijkertijd heel voedzaam voor schrijvers met een rijke fantasie en het verkleint de afstand tussen feit en fictie tot een klein kloofje. Zodat zelfs de meest rationele lezer, of iemand met weinig voorstellingsvermogen, een gemakkelijke prooi wordt voor de auteur. Zo is de Catalaanse schrijver Albert Sánchez Piñol (1965) er in geslaagd om van zijn roman Nachtlicht, waarin wezens voorkomen waar Steven Spielberg zijn vingers bij zou aflikken, een alleszins acceptabel verhaal te maken. Het lijkt alsof Sánchez Piñol al vele tientallen spannende romans op zijn naam heef staan, zo gemakkelijk gaat hem het genre af. Hij laat de lezer langzaam wennen aan de slijmerige, griezelige monsters die hij opvoert. Detail voor detail wordt hun hele wezen ontvouwt en het eerste wat we zien, is een arm die door een kattenluikje klauwt: ‘Geen gram vet eraan, een en al spier, met het vel van een stier. Maar het ergst van alles was de hand. De vingers waren met elkaar verbonden door een vlies dat bijna tot aan de nagels kwam.” De glibberige monstertjes die om het huis van de hoofdpersoon krioelen, zijn aanvankelijk silhouetten, afgetekend in het volle maanlicht. Dan krijgen ze armen, die zich als tentakels bewegen. Daarachter loeren kikvorsachtige koppen, “met ogen als eieren, priemende pupillen, een paar neusgaten, geen wenkbrauwen, geen lippen, grote bek.” Deze kikkerachtige creaties, die zich overdag schuilhouden in de oceaan en met het vallen van de duisternis bezit nemen van de nacht, treft de hoofdpersoon aan op een minuscuul eiland aan de rand van de wereld. Daar waar Antarctica begint, op de grens van leven en niet-leven, ligt een met klippen omzoomd eilandje en op dat eiland staan een vuurtoren en het huisje van de weerkundige. We schrijven de jaren twintig van de vorige eeuw. De hoofdpersoon, een Ier die een rol heeft gespeeld in de revolutie tegen de Britten, maar even gedesillusioneerd blijkt in de nieuwe machthebbers als in de oude, heeft zich gemeld om de weerkundige op het afgelegen eiland af te lossen. Een jaar zal hij er verblijven. Maar hij is nog geen vierentwintig uur op het eiland - het schip dat hem bracht, heeft de steven allang gekeerd – of hij bidt God op zijn knieën om toch maar alsjeblieft terug te mogen keren. Was daar niet, hoog in de vuurtoren, een excentriekeling die luistert naar de naam Batís, dan was onze hoofdpersoon direct reddeloos verloren geweest. Maar ook met de vuurtorenwachter is het kwaad kersen eten. Sánchez Piñol heeft dus een spannende roman geschreven, maar gelukkig is Nachtlicht meer dan dat. Want die monsters bestaan niet alleen, ze veranderen ook. Of heeft alleen de hoofdpersoon het idee dat ze veranderen? Ze met kogels doorboren en met behulp van dynamiet met tientallen tegelijk opblazen, betekent niet dat ze hun strijd tegen de weerkundige en de vuurtorenwachter opgeven. Integendeel zelfs. Zodra de hoofdpersoon zich echter van een andere kant laat zien, in de superkikkers eigenschappen ontdekt die je menselijk zou kunnen noemen en zijn geweer in de wilgen hangt, ogen de vraatzuchtige griezels ineens een stuk vriendelijker. Hé, denkt de lezer: misschien worden de gedrochten pas monsters als je ze als zodanig behandelt! En dan blijkt deze roman van een moderne schrijver een oud thema aan te snijden. Een moreel vraagstuk van alle tijden: als we dat wat we niet kennen, negatief benaderen, dan zal het onbekende zich ook als zodanig gedragen. Dan ontpoppen de glibberige, weerzinwekkende griezels zich als spiegels: kijk er maar in en zie: monsters bestaan. Albert Sánchez Piñol, Nachtlicht, vertaling Elly Bovée, Cossee, 224 blz, € 19,90.
.
|
Albert Sánchez Piñol Nachtlicht
Fragment JAlbert Sánchez Piñol
|