Zelfs een kraanmachinist kan God vervangen

 

Arto Paasilinna wees genadig

 

Door GEURT FRANZEN

Je zal maar gevraagd worden God een jaartje te vervangen. Kraanmachinist Pirjeri Ryynänen treft dat lot en hij brengt het er heel aardig van af. Pirjeri is de hoofdpersoon in Wees genadig, de nieuwe roman van Arto Paasilinna.

In zijn vierde boek dat in Nederland verschijnt laat de Finse schrijver de Almachtige een sabbatjaar opnemen. Want God is afgemat. “Moe van alle ellende die de mensen wisten te creëren.” Zijn trouwe rechterhand Petrus en de aartsengel Gabriël adviseren hem een jaartje rust te nemen en de teugels zolang in handen te geven van een vrome sterveling. Ze laten de engelen een selectie maken van godsvruchtige lieden en komen uiteindelijk met een lijst met een tiental kandidaten bij de Schepper. Een veelbelovende Belgische kanunnik heeft hun voorkeur, maar God is in een recalcitrante bui en kiest, redelijk willekeurig, voor de Finse kraanmachinist.

Op onnavolgbare wijze beschrijft Paasilinna vervolgens hoe de eenvoudige ziel uit zijn kraan wordt gevist en in een afgelegen kasteel in Bulgarije wordt gedropt. Want, ook al heeft u het altijd anders geleerd, als we Paasilinna mogen geloven,  bevindt zich dáár de hemel. Het is een van die typische invallen die Paasilinna’s werk zo fantasievol maken en tegelijk garant staan voor lachwekkende scènes. Zoals die waarin de tijdelijke God verordonneert dat de hemel verplaatst moet worden naar een Finse kerk. De grootste houten kerk nog wel, in Kerimäki. Er komt toch geen kip meer in dat godshuis dus de vijfduizend engelen kunnen er gemakkelijk in, vindt Pirjeri. Gabriël en Petrus vinden het maar niks, dus traineren de verhuizing zoveel mogelijk en verzinnen steeds weer nieuwe argumenten om maar niet te hoeven verkassen. Tevergeefs. De Finse God is een vroom, maar koppig man.

De verwikkelingen in Wees genadig zijn gevarieerd en amusant, maar vertonen weinig samenhang. De wederwaardigheden van een bijfiguur, een vriend van Perjeri die er maar niet in slaagt een succesvol zakenman te worden en daarom de hulp van de tijdelijke God goed kan gebruiken, zijn geestig, maar in feite onbelangrijk. De verhaallijn loopt vast alsof we een doodlopende steeg inrijden maar het zal de schrijver worst wezen. Paasilinna bekommert zich niet zozeer om de samenhang van de elementen. Zijn doel is de lezer een spiegel voor te houden. Hij fungeert als een middeleeuwse hofnar die de koning voor de gek houdt. Als enige aan het hof die dat ongestraft kan doen. Satire en ironie, dat zijn de middelen waarmee hij dat doet. En Paasilinna weet ze als geen ander te gebruiken. Zoals in De zelfmoordclub en De gifkokkin brengt hij ook in Wees genadig de aard van de Finnen weer zonder scrupules in kaart. De thermometer van hun religiositeit wijst het vriespunt aan, hun alcoholconsumptie vertoont mythische proporties en aan zakenwereld en politiek hangt een frauduleus luchtje. “Kan ik oud-president Kekkonen even opzoeken,” vraagt Perjeri, zodra hij in de hemel is gearriveerd. “Nu even niet,” zegt Petrus. “Hij is even wat vrienden gedag zeggen in de hel.” 

Ook de zojuist naar de hemel gereisde paus krijgt ervan langs. Johannes Paulus laat zich kennen als een eigengereid en halsstarrig man. Hij is de enige die de Almachtige durft te weerstaan. Het liefst zou de tijdelijke God de paus uit de weg laten ruimen, maar de sluwe Pool heeft hem gewaarschuwd: “Besef wel dat mijn opvolger nog  conservatiever zal zijn dan ik. Ik ken mijn kardinalen.”

Arto Paasilinna, Wees genadig, vertaling Annemarie Raas, Wereldbibliotheek, 240 blz, 15,90.

(De Gelderlander, 14 april 2005)


  Jankende molenaars worden opgesloten

ARTO PAASILINNA DE HUILENDE MOLENAAR

 

Door GEURT FRANZEN

De nieuwe molenaar van Pohjola is een hardwerkende man die de bouwvallige watermolen in een mum van tijd heeft weten te transformeren in een uitstekende houtschaafmachine en maalderij. Hij heeft echter een klein gebrek: af en toe wordt hij neerslachtig en dan gaat hij huilen als een wolf. Tijdens zo'n nacht doet het dorp geen oog dicht want alle honden janken mee.

Ben je krankzinnig als je af en toe jankt als een wild dier? Mag je worden opgesloten in een inrichting als je zo nu en dan wat afwijkend gedrag vertoont? De Finse schrijver Arto Paasilinna stelt de kwestie aan de orde in zijn roman De huilende molenaar. Paasilinna's antwoord is helder, want hij koos voor het perspectief van de molenaar zelf.  Laat die kerel toch met rust, hij doet geen vlieg kwaad, zo laat de schrijver doorklinken.

Paasilinna stelt tussen de regels door een veel belangrijkere vraag: wie is er eigenlijk níet gek? Heel fijntjes toont hij de lezer hoe de andere personages in zijn boek, de dorpsbewoners die het de huilende molenaar zo moeilijk maken, ieder voor zich zo hun eigenaardigheden hebben. Bij een tweetal figuren, de huisarts die de molenaar laat opnemen en de leidinggevende psychiater van de inrichting, laat Paasilinna zelfs alle teugels vieren. Het lijkt wel alsof de schrijver een boontje te schillen heeft met de heren medici. De huisarts laat hij, na een paar borrels, over de grond kruipen alsof hij zelf een wild beest is. En de psychiater stelt hij als volgt voor: "Dat was een viezige, bebaarde man die de gewoonte had om steeds zijn bril van zijn neus te nemen en dan weer terug te zetten. Van tijd tot tijd diepte hij uit zijn zak een smerige zakdoek op waarmee hij zorgvuldig de glazen poetste. Hij bevochtigde die met zijn adem en droogde ze vervolgens onophoudelijk." Met het stellen van zijn diagnose is de arts snel klaar. Als de molenaar bevestigend antwoordt op de vraag of hij in de oorlog heeft gevochten, zegt de psychiater: "Oorlogspsychose… Dat vermoedde ik ook al zo'n beetje."

Het decor van De huilende molenaar is het noorden van Finland, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Alle clichés die we kennen van Finland, worden bevestigd: de sparren zijn hoog, de moerassen onbegaanbaar, de winters steenkoud, de riviertjes vol met zalm en de mensen… de mensen zijn stug en bijgelovig. Ze zijn gezagsgetrouw en gewend in de pas te lopen. Wie zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, wordt verstoten. Of opgeborgen in een gesticht.

Gelukkig is niet iedereen zo meegaand en dociel. Behalve de eigenzinnige, dwarse molenaar, is daar de rondborstige, aantrekkelijke landbouwvoorlichtster Käyrämö, die bereid is zich als verdedigster van de molenaar op te werpen. Niet alleen een  eigenzinnig gedrag delen ze, ook de liefde. En dan is er nog een politieman die zeer tegen zijn zin wordt belast met het oppakken van de jankende molenaar. Hij heeft het er erg moeilijk mee en zal uiteindelijk een dappere beslissing nemen.

De huilende molenaar is een knap geschreven underdog-roman die zich lekker laat lezen. Het heeft niets van de zwaarheid, traagheid en oneindigheid die de meeste  Scandinavische saga kenmerkt. Paasilinna legt de vinger op de wond: waarom moet alles wat niet aan een norm beantwoordt, de kop worden ingedrukt? Hij heeft er een passende vorm voor gekozen: een roman die ondanks de ellende een soort vrolijke ironie tentoonspreidt, die spanning biedt omdat tot het eind onduidelijk blijft of de molenaar uit handen van de woedende dorpsbewoners kan blijven, en die in zijn persoonsbeschrijvingen subtiel de vinger wijst naar onszelf. Wie is er nou eigenlijk wél normaal?

Arto Paasilinna, De huilende molenaar, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 223 blz, f37,50.


Op naar de noordkaap! Daar is de dood zeker

Arto Paasilinna De zelfmoordclub

 

Door GEURT FRANZEN

Dertig depressieve Finnen scheuren in een autobus van afgrond naar afgrond. Collectieve zelfmoord is hun doel: vol gas met de touringcar van de klippen afrijden, de zee in, een wisse dood tegemoet. Maar het zit niet mee. Elke poging strandt en hoe langer het vreemde gezelschap in de bus zit, des te meer slinkt het collectieve doodsverlangen.

Het is een vreemd, op het eerste gezicht macaber, maar o zo geestig boek waarin het verhaal van deze dodenrit wordt verteld. De zelfmoordclub is de derde roman van de Finse schrijver Arto Paasilinna (1942) die in Nederland wordt uitgebracht. De gifkokkin en De huilende molenaar verschenen eerder. Juweeltjes uit het hoge noorden van een in eigen land zeer populaire schrijver.

Wat zijn werk aantrekkelijk maakt, is de combinatie van een lichtvoetige stijl en een behoorlijk kritische, soms sarcastische kijk op de samenleving. Dat is Finland, maar die samenleving verschilt nu ook weer niet zoveel met die van andere landen. Voeg daarbij dat zijn personages altijd eigenaardig zijn, met de nadruk op áárdig, en je hebt amusante literatuur.

De merkwaardige busreis is een initiatief van twee mannen die toevallig op hetzelfde moment in dezelfde afgelegen schuur zelfmoord willen plegen. De één, een gefailleerde ondernemer, komt met een geladen pistool de schuur binnen net op het moment dat een legerofficier die de dood van zijn vrouw niet kan verkroppen zijn hoofd in een lus steekt. Ondernemer Rellonen redt in een reflex het leven van kolonel Kemppainen en daarmee dat van hemzelf. De twee staan zo versteld van deze dwaling van het lot dat ze eensgezind besluiten de zelfmoord maar een dagje uit te stellen. Eerst maar eens een flinke borrel. Het blijft niet bij één slok en het blijft ook niet bij één dag uitstel. De mannen raken gesteld op elkaar en besluiten lotgenoten, potentiële zelfmoordenaars, te zoeken om die te helpen. Zelfmoord blijft het streven, maar gedeelde smart is halve smart en als de gekozen dood dan toch niet valt te vermijden, dan liever met zoveel mogelijk mensen tegelijk.

Na een oproep in de krant, een chaotisch congres en een eerste mislukte poging van enkele leden om zich te vergassen in de garage van de Jemenitische zaakgelastigde in Helsinki, kruipen dertig suïcidalen bij elkaar in een autobus. Op naar de noordkaap! Daar is de klip het hoogst en de dood het zekerst. Een fantastische busreis begint en terwijl Paasilinna ons de reizigers voorstelt, wordt ons tegelijkertijd een samenleving geschilderd waarin de wat minder karaktervaste lieden het heel moeilijk hebben. Gelukkig is er een passagier aan boord die voor zijn plezier meegaat. Het is de mislukte schrijver Seppo Sorjonen, op wiens positieve verhalen de depressieven eigenlijk niet zitten te wachten, maar stiekem zijn ze maar wat blij met zijn opbeurende sprookjes. In Sorjonen mogen we gerust Paasilinna zelf herkennen.

We maken kennis met vreemde, lieve mensen die de weg een beetje kwijt zijn, maar nog lang niet toe aan sterven. Dat heeft de lezer snel door maar het duurt een dikke tweehonderd bladzijden voordat de leden van het busgezelschap zelf die conclusie trekken. Inmiddels zijn we dan al meegereisd van Noorwegen naar Zwitserland, door de Elzas naar Portugal. Op naar kaap Sagres! Die klip is nog hoger, die dood nog zekerder! Uiteindelijk verdwijnt de autobus daar inderdaad onder de golven. Maar of er nog veel passagiers aan boord zijn?

Arto Paasilinna, De zelfmoordclub, Wereldbibliotheek, vertaling Annemarie Raas, 239 blz., 17,90.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Arto Paasilinna

 Wees genadig


Arto Paasilinna

 De huilende molenaar


Arto Paasilinna

 De zelfmoordclub


Arto Paasilinna


Interview