Drie namen en een koffer vol herinneringen

 

Michael Kumpfmüller Lotgevallen van een beddenverkoper

 

Door GEURT FRANZEN

Beddenverkoper Heinrich Hampel hanteert de ultieme verkoopmethode, ook al heeft hij zelf nauwelijks door dat het een methode is. Hampel flirt met alle vrouwelijke klanten. En juist het feit dat hij zijn avances stopt op het moment dat de vrouwen neigen te vallen voor zijn charmes, maakt de methode zo succesvol. De dames beseffen plotseling dat ze bijna voor de bijl gingen en voelen zich zo schuldig dat ze maar al te graag tot aankoop overgaan of een fikse cheque uitschrijven.

Heinrich Hampel is de held, een schelm liever gezegd, in de opmerkelijke debuutroman van de Duitse schrijver Michael Kumpfmüller (1961). Lotgevallen van een beddenverkoper vertelt het levensverhaal van een Oost-Duitser. Van wieg tot sterfbed zijn we getuige hoe Hampel zich staande houdt tegen de verdrukking in, beleven we van dichtbij hoe een man zich op soms onorthodoxe wijze een weg baant door een bekrompen, bedrukte werkelijkheid. Een werkelijkheid die in alles, in vorm en in inhoud, de sfeer ademt van de Koude Oorlog en waarvan het grondplan al voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt gelegd.

Kumpfmüller ontpopt zich als een groot verteller. De schijnbare achteloosheid waarmee hij zijn zinnen aaneen heeft gesmeed, smeekt bewondering af. Aan zijn stijl moet je even wennen. De schrijver vertelt zijn verhaal op een wijze die nog het beste met de pinksterprocessie van Echternach te vergelijken valt. Eerst springt hij vooruit in de tijd, met een korte aantekening of schets van Hampels wederwaardigheden in een zekere tijd in de toekomst, om daarna terug te springen naar een punt in het verleden van waaruit hij langzaam, soms tergend langzaam, zich een weg baant naar dat moment waar hij heel even al naar verwezen had. In het begin voelt de lezer zich verloren, later weet hij zich echter gesteund door die structuur.

Kumpfmüller laat zo’n beetje alle clichés die we kennen van Oost-Duitsland in tact. De DDR is een grijze, grauwe, armoedige, door middel van gepropageerde achterdocht en vage ideologie geforceerd bijeengehouden samenleving. Alleen Hampel zelf is geen clichémannetje. Waar anderen vluchten naar het Westen, vlucht Hampel naar het Oosten. Niet echt uitzonderlijk, als je weet dat de flirtende beddenverkoper op dat moment door een grote schare schuldeisers en een bedrogen echtgenote wordt achtervolgd. Maar ook in ander opzicht is Hampel een buitenbeentje. Hij voelt zich niet echt lekker in het keurslijf van de communistische heilstaat; vooral zijn handelsbloed – eens een verkoper, altijd een verkoper – blijft kruipen waar het niet gaan kan. In de zwarte handel voelt hij zich als een vis in het water, maar als hij betrapt wordt, verdwijnt hij voor drie jaar achter de tralies.

Zijn tweede zwakheid is en blijft het andere geslacht. De grote genegenheid die hij voor zijn vrouw Rosa heeft, wordt nooit minder, maar zonder minnaressen kan hij niet. In een oud spiraalboekje houdt hij zijn veroveringen bij. Op zijn sterfbed, door god en alleman verlaten, prijst hij zichzelf gelukkig dat hij nog in staat is al zijn liefdes op alfabetische volgorde op te sommen: Anna, Bella, Dora, Emilia, Gerda, Gisela, Jana, Ljoesja, Marga, Rita, Rosa, Vera en Wanda. Hij kon ze zelfs nog van elkaar onderscheiden “aan de hand van hun gezangen wanneer ze bij hem lagen en aan de moedervlekken op verschillende plaatsen.”

Behalve veel treurigheid biedt Lotgevallen van een beddenverkoper een fikse dosis humor, overgoten met een laagje erotiek. En bij tijd en wijle weet de schrijver ontroering op te wekken. De scène waarin Hampel afscheid neemt van het zes maanden oude dochtertje dat is overleden en de beschrijving van Hampels laatste levensdagen zijn van grote klasse.   Kumpfmüllers grootste verdienste is dat hij aan de hand van de geschiedenis van een kleine scharrelaar een grote geschiedenis heeft verteld. Niet de door grootmachten en afstandelijke leiders gedomineerde naoorlogse historie, maar de afschaduwing daarvan, de reflectie van de grote gebeurtenissen op het dagelijkse leven van de kleine man en vrouw in het voormalige Oost-Duitsland. 

Michael Kumpfmüller, De lotgevallen van een beddenverkoper, Uitgeverij Ambo, 423 blz.


Er was iets met de kinderen…

Michael Kumpfmüller dorst

 

Door GEURT FRANZEN

Een jonge, alleenstaande vrouw sluit haar twee kleine zoontjes op in hun slaapkamer. Ze spoelt de sleutel door het toilet en vertrekt. Dertien dagen lang zwerft ze door de stad, slaapt meestentijds bij haar minnaar, honderd meter van haar flat verwijderd. Het is zomer. Snikheet.

De afloop van dit onvoorstelbare, maar wel degelijk aan de werkelijkheid ontleende verhaal, laat zich raden. Maar voor het zover is, houdt Michael Kumpfmüller ons in een ijzeren houdgreep. De lezer is immers mens genoeg om te blijven hopen op barmhartigheid, op spijt, op intuïtieve moederliefde. Pagina na pagina blijft de vraag kwellen: Conny, wanneer keer je terug naar je kroost?

Kumpfmüller (1961) debuteerde in 2000 met de alom bejubelde roman Lotgevallen van een beddenverkoper. Een brutale schelmenroman die zich afspeelt in het voormalige Oost-Duitsland. Een serieuze, bovenal geestige roman. In zijn tweede boek, Dorst, heeft Kumpfmüller de lach ingeruild voor de traan. Dit is een onrustbarende roman. Een dappere roman ook, vanwege de keuze van het onderwerp. Maar het meest van al, een náre roman. Die desondanks geschreven

moest worden.

De schrijver heeft lang getwijfeld over het onderwerp. Maar het verhaal van de jonge moeder die haar twee kinderen aan hun lot overliet, liet hem niet meer los. De waargebeurde geschiedenis speelde zich vijf jaar geleden af in Frankfurt a/d Oder en werd breeduit gemeten in de media.

De schrijver had niet alleen de moed om dit kwetsbare thema te kiezen, hij koos er ook voor om het verhaal volledig vanuit het gezichtspunt van de vrouw te presenteren. Dat heeft tot indrukwekkende intieme bespiegelingen geleid. Maar het heeft ook zo zijn beperkingen. Een verklaring voor het op zijn minst merkwaardige gedrag van de vrouw krijgen we daardoor niet of nauwelijks. De jonge vrouw leeft in een voor anderen ontoegankelijke wereld; de mores die ze er op nahoudt, zijn onverklaarbaar. Waarom kan Conny de moed niet meer opbrengen voor haar kinderen te zorgen? Waarom sleept ze zich dertien dagen lang van man tot man, van speelgoedwinkel tot discotheek? De tweede beperking van dit intieme perspectief is die van de reikwijdte van de gedachten en beschouwingen van de vrouw. Haar bespiegelingen zijn soms net iets te filosofisch, althans voor een eenvoudige vrouw uit een eenvoudig milieu.

De handeling in Dorst is beperkt. De vrouw hangt doelloos rond, laat zich gevoelloos gebruiken door haar minnaar, sjokt over straat, koopt pluche dieren in een speelgoedwinkel. Het verhaal kabbelt voort maar de lezer weet: daarboven op die flat zitten twee jongetjes zonder water. Soms, heel soms, dringt iets van wat je bewustzijn zou kunnen noemen door in Conny. Onrust neemt bezit van haar. Er was iets, iets met de kinderen…

Dorst is een gedurfde poging om in de huid te kruipen van een vrouw die het spoor volledig bijster is. Het boek roept onbehagen op, maar dat komt niet door stijl of vorm. Het is enkel de pure inhoud die dat gevoel oproept, een inhoud die zich spiegelt aan de werkelijkheid en daarom niet kan worden genegeerd.

Michael Kumpfmüller, Dorst, vertaald door Gerda Meijerink, Uitgeverij Ambo, 179 blz, 18,95.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Michael Kumpfmüller

 Lotgevallen van een beddenverkoper


Michael Kumpfmüller

 Dorst


Fragment 


Michael Kumpfmüller