|
Nazi’s hielden niet van meisjes met levenslust
Door GEURT FRANZEN Doris, typiste op een advocatenkantoor in een Duits provinciestadje in de jaren dertig, heeft een ontembaar verlangen naar glamour en avontuur. Wat zou ze het stoffige kantoor graag inruilen voor een plaats op het toneel, gevangen in de spotlights. Wat zou ze graag flaneren over de boulevards van een grote stad, aan de arm van een rijke man, in plaats van ’s avonds naar het burgerhuisje van haar ouders te sjokken, waar ze haar zuur verdiende marken moet afstaan aan haar alcoholische vader. Niets symboliseert haar hang naar glitter meer dan een bontjas en als ze op zekere dag zo’n pelsmantel onbeheerd ziet hangen, kan ze de verleiding niet weerstaan. In haar gestolen mantel sluipt ze het stadje uit en vlucht naar Berlijn. Dáár is het te doen, dáár wacht het ware leven. Doris is de vertelster in Irmgard Keun’s roman Het kunstzijden meisje. Het boek van de in de vergetelheid geraakte Duitse schrijfster, geboren in 1905 en overleden in1982, verscheen oorspronkelijk in 1932. Het was een daverend succes, net als haar debuutroman Gilgi – Eine von uns een jaar eerder. Maar de nazi’s moesten niets hebben van losbandige meisjes en kort na hun machtsovername verboden ze het boek. Keun kreeg een publicatieverbod. Een jonge vrouw die steelt, die haar ouders in de steek laat, die het niet zo nauw neemt met de seksuele moraal en het nachtleven van kroegen en cabarets boven dat van een keurig huisvrouwenbestaan verkiest, dat is geen goed voorbeeld voor de raszuivere vrouw waar het Duitse Derde Rijk uit geboren moet worden. Net als vele andere kunstenaars beseft Keun in 1936 dat ze in het Duitsland van Hitler niets te zoeken heeft. Ze vertrekt naar Oostende, waar ze de schrijver Joseph Roth ontmoet, die net als zij naar België is uitgeweken. Met Roth krijgt ze een verhouding. Schrijversschap en ballingschap blijken niet hun enige overeenkomsten; ook de liefde voor de fles delen ze. In 1937 verschijnt in Amsterdam het boek dat als haar beste wordt beschouwd: Nach Mitternacht. Daarna wordt het stil rondom Keun. Na de oorlog publiceert ze nog enkele boeken, maar ze worden nauwelijks opgemerkt. Pas in de jaren zeventig herkennen feministes verwantschap in haar oorspronkelijke stijl, maar voor Keun zelf komt die roem te laat. De alcohol en een langdurig verblijf in een psychiatrische kliniek hebben hun tol geëist. Het kunstzijden meisje is vorige week voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen. Deze fictieve dagboekaantekeningen van een weerbarstig meisje in de nadagen van de Republiek van Weimar ogen, ook al zijn ze 75 jaar oud, nog steeds heel fris. Natuurlijk is het decor dat van het interbellum, van sociale onrust aan de ene kant en ontluikend consumentisme aan de andere, van politieke onzekerheid en sluimerend antisemitisme. Maar de nieuw-zakelijke toon van die tijd – geen woord te veel en een staccato aaneenrijging van gebeurtenissen - , samen met de ongelooflijke vitaliteit en levenslust van de jonge vrouw geven het boek nog steeds een flair van moderniteit en oorspronkelijkheid. De ongebreidelde levenslust van de jonge Doris, zo opvallend in die schaduwtijd tussen de wereldoorlogen, maakt het meeste indruk. Haar naďveteit is ontroerend. Daar gaat ze, in haar gestolen pels. Zonder een cent op zak, maar het hoofd altijd opgeheven, over de trottoirs van Berlijn, langs de kledingmagazijnen en cafés. Nu eens de één, dan weer de ander geeft haar onderdak. Een kunstenaar, een industrieel, een blinde man of een reclameschilder die door zijn vrouw in de steek is gelaten. Steeds is er wel een man die zich door haar charmes laat inpalmen. En steeds is het de jonge vrouw zelf die de grenzen bepaalt en al balanceert ze regelmatig op het randje, de afgrond – de prostitutie - weet ze tot op de laatste bladzijde te vermijden: “Ik wil niet werken, maar ik heb kurken in mijn buik, die laten me toch niet ondergaan.” Irmhard keun, Het kunstzijden meisje, Uitgeverij Van Gennep, 174 blz, € 14,95.
|
Het kunstzijden meisje Irmgard Keun
Fragment
Irmgard Keun
|