Lars Saabye Christensen maskerade

 


Ik had een prettige jeugd. Mijn moeder ging vroeg naar bed. Mijn vader stierf toen ik twaalf was. Ik was enig kind. We woonden in het grote appartement in de brede straat achter het Koninklijk Paleis. Ik herinner me de drie kamers die in elkaars verlengde lagen, met brede schuifdeuren die altijd openstonden, en de portières met embrasses, opzij getrokken, als een donker toneeldoek. Vader zat in een fauteuil in de achterste kamer de Life te lezen. Het licht dat door het hoge raam viel, of het nu de straatlantaarns en de maan in de herfst waren of de zon die in groene bundels door de wilde wingerd brak als het lente werd, liet zijn witte handschoenen oplichten, alsof zijn handen het enige zichtbare aan hem waren. Soms keek hij op, zag mij en aarzelde even, om vervolgens weer verder te bladeren. Ik stond zo ver van hem vandaan dat ik niet kon zien of hij glimlachte of verstoord keek.
Toen hij dood was voelde ik geen verdriet, alleen een soort uitputting.