RODDY DOYLE DE MAN ACHTER LOUIS

 


Hij sprak.

'Ik beschrijf de baan, jij zegt of je hemt wilt hebben. Klinkt dat redelijk?'

'Laat maar horen.'

'Je blijft in mijn buurt. Overdag, 's nachts en daartussenin. Dat is de baan.'

'Is dat alles?'

'Ik leg het nog wel verder uit onder het rijden. Klinkt dat redelijk?'

'Redelijk zat.'

'Redelijk za-ha-at.'

Zijn hand was voor me. Ik pakte en schudde hem.

'Het stinkt in deze auto,' zei hij toen hij zijn hand terugnam. 'Ik ben het niet en het is de auto niet.'

'Dan blijf ik nog over.'

'Behalve als er iemand die we niet uitgenodigd hebben vlak achter ons zit.' Daar was hij goed in; ik keek achterom.

'Dan zul jij het wel zijn,' zei hij. 'Vlees, Pops. Je ruikt naar de veemarkt.'

'Daar werk ik.'

'Werk-te. Die stank kunnen we niet hebben, O'Pops. Wij zijn de mensen die het vlees eten. We ruiken er niet naar.'

(vertaling Miebeth van Horn & Maxim de Winter)