Met heiligenbeeldjes in de peeskamer

 

maria amparo Escandón De heilige reis van Esperanza

 

Door GEURT FRANZEN

‘Het komt niet elke dag voor dat mijn enige dochter wordt begraven.” Zinnen als deze typeren de nuchtere, tragikomische stijl van María Amparo Escandón.

De Mexicaanse schrijfster laat die even treurige als komische zin uitspreken door Esperanza, een eenvoudige weduwe uit een klein stadje in Mexico. Haar beklag maakt deel uit van een biecht aan pater Salvador. Ook al een te betreuren personage in Amparo Escandóns roman De heilige reis van Esperanza, want Salvador worstelt hevig met zijn belofte van celibaat. Vooral de gedachten aan de weelderige vormen van Esperanza houden hem uit zijn slaap. Alleen de dagelijkse soap op tv biedt de geestelijke nog troost.

Esperanza’s dochtertje is in het ziekenhuis overleden kort na een eenvoudige ingreep. Het verwijderen van de amandelen was zonder complicaties geweest, maar een onbekend virus had alsnog tot de dood van het meisje geleid. Dat vertelt de arts, maar Esperanza weigert het te geloven. In haar geloof dat het meisje nog leeft wordt ze gesterkt als ze, vanwege vermeend infectiegevaar, het lichaam niet mag zien. Als ze na de begrafenis de stoute schoenen aantrekt en de kist gaat opgraven – in een onvergetelijke scène beschreven – raakt ze volledig overtuigd. Weliswaar krijgt ze de doodskist niet open, maar hij klinkt hol.

De dappere weduwe zet zich onversaagd aan een avontuur dat weliswaar wat ongeloofwaardig overkomt, maar borgstaat voor even hilarische als ontroerende gebeurtenissen. Esperanza meent dat haar dochter is ontvoerd om als prostitué te werk gesteld te worden. Haar speurtocht leidt haar van het ene huis van plezier naar het andere. En de beste manier om achter de schermen van het hoerenhuis te geraken is zelf een dame van lichte zeden te worden. De fanatieke weduwe is niets te dol. Maar omdat haar geweten een woordje meespeelt, belt ze geregeld met pater Salvador om telefonisch te biechten. Alsof de arme zielenherder nog niet genoeg wordt geplaagd, moet hij ook nog eens de vrijmoedige ontboezemingen van Esperanza aanhoren.

De Mexicaanse mag zich dan op een gevaarlijk pad begeven, ze weet zich beschermd door een grote schare heiligen. In een doos sjouwt ze hun beeldjes overal mee naar toe. In haar peeskamertje bouwt ze een altaartje waarop San Rafael Arcángel, beschermheilige van wegen, naast San Pascual Bailón, beschermheilige van koks en huisvrouwen staat, te midden van vele anderen. San Judas Tadeo heeft een streepje vóór, want die ‘heilige voor wanhopige gevallen’ verscheen haar in het ruitje van haar bakoven om te vertellen dat haar dochtertje nog leefde.

Het valt niet mee om De heilige reis van Esperanza een predikaat mee te geven. Het thema van de moeder die immens veel van haar dochter houdt en daardoor haar dood niet wil accepteren, dringt zich aan alle kanten op. Maar Amparo Escandón heeft het verhaal zo vrijmoedig en met zulk een losse pen opgeschreven, dat het heel verleidelijk is om het verhaal af te doen als een vrolijke parodie. Een persiflage op het moderne leven zoals zich dat in Midden- en Zuid-Amerika voordoet. Waar de moderniteit tot in alle lagen van de traditionele bevolking is doorgedrongen, maar het rooms-katholieke geloof, in een latijns-amerikaanse versie, springlevend is.

Hoe dan ook, Escandóns roman is een eerlijk, amusant stukje proza, een vrolijk portret van hardwerkende, sterke vrouwen. Vrouwen met wie het lot het niet bijster goed voor heeft gehad, maar die karakter genoeg hebben om de werkelijkheid zelf naar hun hand te zetten. Vrouwen die zó sterk zijn, dat ze het zich kunnen veroorloven naïef en dom te zijn. Dan kan Escandón zinnen als deze schrijven: “Esperanza nam gehoorzaam een folder uit een plastic display waarop ‘Neem mee’ stond.”

María Amparo Escandón, De heilige reis van Esperanza, 219 blz, f39,90.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Maria Amparo Escandon

De heilige reis van Esperanza


Fragment