Stapje voor stapje door de mist

 

UMBERTO ECO

DE MYSTERIEUZE VLAM VAN KONINGIN LOANA

 

Door GEURT FRANZEN

De openingsdialoog van Umberto Eco’s nieuwe roman is geniaal in zijn eenvoud: ‘En hoe heet u?’

‘Een ogenblik, het ligt op het puntje van mijn tong.’

Daar draait alles om in De mysterieuze vlam van koningin Loana: de hoofdpersoon ontwaakt na een herseninfarct en als de neuroloog hem vraagt hoe hij heet, blijkt hij alles vergeten: wie hij is, met wie hij getrouwd is en wat voor leven hij heeft geleid. De roman beschrijft de zoektocht van deze man, van de queeste naar zichzelf. Een thema dat in goede handen is bij een historisch literator als Eco. Ook al is de duik in het verleden dit keer geen diepe. De roman speelt zich af in het heden en in de zestig jaar die daaraan voorafgaan. Geen middeleeuwse mysteries zoals in De naam van de roos of schelmenverhalen als in Baudolino, maar toch een echte Eco-roman want verhalend en verbeeldend van begin tot eind en met veel aandacht voor de historische gebeurtenissen.

Een Italiaanse roman die begint in de jaren dertig is uiteraard gedrenkt in het fascisme van Mussolini. Il Duce en zijn Zwarte Brigades bepaalden de rol van Italië in de oorlog, maar ook het denken en doen van de Italiaan, de schikking van de huisraad in de keuken. Dat was niet anders in het gezin waarin de jonge Giambattista Bodoni opgroeit. Een middenklassegezin, met als belangrijkste personen een grootvader die in tweedehands boeken handelt en een vader die als ambtenaar weet wat zijn plaats is. Pas ’s avonds, als de verduisteringsgordijnen gesloten zijn, draaien zijn handen aan de knoppen van de radio, op zoek naar de verboden zender van Radio Londen.

De zestigjarige Giambattista Bodoni die na zijn infarct besluit zijn levensverhaal te ontrafelen, een rebus zonder duidelijk begin of eind, vertrekt op advies van zijn vrouw naar het ouderlijk huis op het platteland. Op zolder liggen alle boeken en albums uit zijn jeugd. Ongetwijfeld rakelen die de herinneringen op die nodig zijn voor de reconstructie van zijn leven. In de eenzaamheid van die zolder, tussen honderden stripboekjes en geďllustreerde tijdschriften uit de jaren dertig en veertig, ontwaakt inderdaad iets wat je zijn geheugen zou kunnen noemen. Maar Giambattista beseft dat het slechts een reconstructie van zijn geheugen is. Een slap aftreksel van het leven van iemand, een verschijningsvorm van een Giambattista Bodoni waar hijzelf, nu, geen band mee voelt. De plaatjes en teksten roepen niet de gebeurtenissen zélf op, hij mist de zintuiglijke ervaringen van toen. Omdat hij intelligent is, begrijpt hij dat hij het is die de dingen heeft meegemaakt. Hij vergelijkt het met geconditioneerd gedrag als autorijden. Dat kon hij ook nog na zijn infarct, zonder erbij na te denken. Het zelfbewuste leven zoals hij het geleefd heeft, is hij echter voorgoed kwijt.

Een tweede probleem dat hem wakker houdt, is de onbereikbare liefde uit zijn jeugd. Volgens zijn vriend was hij destijds smoorverliefd en de gedichten die hij terugvindt, bevestigen dat. Maar hoe zag ze eruit? Waarom kan hij zich haar gezicht niet meer herinneren?

Eco beschrijft Bodoni’s zoektocht als een strompelen door de mist. Je vermoedt van alles voor je, maar je hebt geen idee wat waar is. Het mistmotief is ingenieus door de hele roman heen verwerkt. Bodoni, zelf handelaar in oude boeken, heeft  zelfs een map aangelegd met citaten over mist uit wereldliteratuur.

Ruim tweederde van de roman besteedt Eco aan het gerommel tussen boekjes en tijdschriften en op een gegeven moment komen het zolderstof en de spinnenrag je de neus uit. Paginalang word je getrakteerd op boektitels en boekcitaten, fragmenten uit strips en jongensboeken, de één nog  gedetailleerder dan de ander en dat is uiteindelijk slaapverwekkend. De vele kleurige plaatjes waar de auteur zijn lezer mee verrast, kunnen op een gegeven moment niet meer verhullen dat Eco behoorlijk doorslaat. Het zijn Umberto’s eigen boekjes en strips waar hij met zoveel graagte uit citeert, dat snappen we ook wel. Maar het is allemaal zo vreselijk particulier en zoveel. En zo Italiaans. Het had zoveel pagina’s minder gekund.

Gelukkig is daar op tweederde een omslag die veel goed maakt. Bodoni wordt opnieuw getroffen door een herseninfarct en raakt in een diepe coma. Hoe tegengesteld ook: hoe dieper zijn slaap, des te helder zijn herinneringen. Eindelijk is het alsof Giambattista zijn vroegere leven weer aan den lijve ervaart. Alles valt op zijn plaats en zelfs het gezicht van zijn liefje verschijnt klaarhelder op zijn netvlies. Zo komt alles toch nog goed, ook al zit een definitief ontwaken er niet meer in.

Umberto Eco, De mysterieuze vlam van koningin Loana, vertaald door Rob Gerritsen en Henny Vlot, Prometheus, 426 blz, 25 euro.

(De Gelderlander, 24 februari 2005)


 

Eco's loflied op de leugen

 

UMBERTO ECO BAUDOLINO

 

Door GEURT FRANZEN

Waarheid en fictie voeren weer een ware veldslag in Umberto Eco's nieuwe roman Baudolino. Het genre waarin de Italiaan excelleert, de historische roman, vormt van nature een zeer geschikt slagveld voor de strijd tussen feiten en verzinsels, maar het komt zelden voor dat de fictie zulk een overweldigende overwinning behaalt als nu. De zege wordt zwaar bevochten en gedurende pakweg driekwart van de roman lijkt de waarheid aan de winnende hand. Maar dan laat Eco het middeleeuwse hemeldek openscheuren en voert hij een schare aan monsters en mythische wezens voorbij waar Hiëronymus Bosch zijn vingers bij zou hebben afgelikt. Alle remmen los voor het slotoffensief.

Hij heeft het weer knap gedaan, de schrijver die zich de onsterfelijkheid in schreef met De naam van de roos en De slinger van Foucault. Eco's middeleeuwen zijn toch vooral levende middeleeuwen, zijn personages mensen van vlees en bloed wier karakters weinig gemeen hebben met die van de gedweeë, godvrezende figuren waar generaties historici ons lange tijd mee hebben opgescheept. Zo donker waren die middeleeuwen niet.

Al helemaal niet in het noorden van Italië, waar zelfbewuste steden zich fier verzetten tegen de expansiedrang van de Duitse keizer en de paus. Het is dat gebied, in de twaalfde eeuw, waar de eenvoudige, maar trotse boerenzoon Baudolino op een goede dag de keizer tegen het lijf loopt. Niemand minder dan Frederik Barbarossa, de keizer van het Heilige Roomse Rijk zelf, verdwaald tijdens een van zijn vele veldtochten. Baudolino, begiftigd met een opmerkelijk talent voor talen, spreekt de heerser in diens landtaal aan en maakt een verpletterende indruk op de keizer. Barbarossa neemt de jongen mee naar zijn hof en is vanaf die dag als een vader voor de jongen. Met de keizer als beschermheer en mecenas heeft Baudolino weinig te duchten. Hij mag studeren in Parijs, groeit uit tot een charmant en geloofwaardig adviseur van de keizer en schopt het uiteindelijk tot diplomaat, in welke functie hij zich als een voorhoede van de keizerlijke legers  voortdurend van het ene conflict in het onmetelijke rijk naar het andere spoedt.

Tijdens zijn studententijd maakt Baudolino enkele vrienden voor het leven, maar zijn grootste kameraad blijkt zijn dikke duim. Liegen, daarin toont Baudolino zich een meester die zijn gelijke niet kent. Maar het is zelden voor eigen gewin dat hij zich tot de leugen bekent. Het is eerst en vooral zijn broodheer, Frederik Barbarossa, die profiteert van de uitgekookte verhalen waarmee de diplomaat  Baudolino de keizer overeind houdt tussen de trotse steden enerzijds en de paus anderzijds. 

Baudolino's grootste fantasiewerk vormt de rode draad in Eco's lijvige roman. Het is een brief, zogenaamd afkomstig van Presbyter Johannes, een kerkvader die ver weg in het oosten over een rijk zou heersen waar de leer van Jezus Christus nog het zuiverst werd toegepast. Een bijkans ideale samenleving zou het zijn, een land van Cocagne, waar de eenvoudige middeleeuwer in tijden van tegenspoed (en dat was nogal eens) graag over wegdroomde. Johannes' brief aan de Roomse Keizer is van de eerste initiaal tot de laatste pennenstreek vals. Maar door Baudolino en zijn vrienden zo knap op perkament gevat, dat iedereen er intuint. Het land van Johannes spreekt tot de verbeelding en Baudolino rust niet totdat hij van de keizer toestemming krijgt om een expeditie naar het oosten te leiden. Baudolino en zijn vrienden treffen een waar pandemonium aan en beleven vele avonturen.

Tenminste: dat wil Baudolino zijn gehoor graag laten geloven. Want Eco's roman is een raamvertelling waarin het kader wordt gevormd door Baudolino's levensverhaal, achteraf door hem verteld aan de Byzantijnse geschiedschrijver  Nicetas. Nicetas luister gedwee en neemt Baudolino's verhalen voor zoete koek. En de lezer, op zijn beurt, luistert al even gedwee naar verhalenverteller Umberto Eco. De schrijver die een nog grotere leugenaar blijkt dan zijn personage en dat ruiterlijk toegeeft in de laatste zin van zijn boek: "Vroeg of laat zal iemand het verhaal vertellen, iemand die nog leugenachtiger is dan Baudolino."

Is Baudolino een spannend boek? Nee. Eco slaagt er niet in de rode draad – de reis naar het land van Johannes; komen de helden er heelhuids aan? - strak gespannen te houden. Hij vraagt ook veel te veel geduld aan de op spanning beluste lezer. De eerste honderd bladzijden zijn een taaie exercitie door beregende klei: de laarzen aan je voeten worden zwaarder en zwaarder. Wie de droge zandgronden bereikt, wordt echter voor zijn inspanningen beloond: Eco's middeleeuwse verhalen zijn kleurrijk en onderhoudend. Maar nog steeds niet spannend, ook al neemt de schrijver je weer mee naar obscure middeleeuwse bouwwerken met hoge schaduwen in de gewelven waar vreemde machines staan opgesteld.

Het knappe van de roman daarentegen is de manier waarop Eco zijn thema in de vorm heeft verweven. Zijn thema is het Verhaal, de vertelling waarmee de een de ander in de ban weet te houden en waarbij de Waarheid er niet zo toedoet. Eco heeft vorm en inhoud verweven door zijn roman langzaam te laten verworden tot een middeleeuws verhaal. Aanvankelijk ben je luisteraar, toeschouwer misschien van een historisch verantwoorde geschiedenis die zich afspeelt aan het hof van de Barbarossa. Maar allengs trekt Eco je binnen in de roman, die niet meer óver de middeleeuwen gaat, maar zich ín de middeleeuwen afspeelt. Het wordt een verhaal volgens de conventies van toen, waar het voorkomen van mythische figuren  net zo gewoon was als een auto in een hedendaagse roman. Daar verdringt de fictie de feiten en daar voelt de literatuur zich het meeste thuis.

Umberto Eco, Baudolino, Bert Bakker, 475 blz, f55,00 (gebonden f75,00).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Umberto Eco

 De mysterieuze vlam van koningin Loana

 

Umberto Eco

 Baudolino


Umberto Eco


 

San Baudolino