Coetzee’s experiment met een eenbenige marionet 

 

J.M. COETZEE langzame man 

 

Door GEURT FRANZEN

Stel je voor dat de hoofdpersoon in een roman zich voor gaat stellen dat hij de hoofdpersoon in een roman is. Dat hij twijfelt aan zijn eigen bestaan!. Voor de lezer is hij natuurlijk fictie, dat staat buiten kijf, zelfs als een schrijver zijn werk zo goed doet dat je dat vergeet. Maar een hoofdpersoon die twijfelt aan de romanwerkelijkheid, dat geeft een boek een aantrekkelijke, extra dimensie. In meer dan een opzicht overkomt het Paul Rayment, de hoofdpersoon in J.M. Coetzee’s nieuwe roman, Langzame man. Rayment twijfelt het ene moment aan zijn bestaan, op een ander moment denkt hij in het schemergebied tussen leven en dood te zijn terechtgekomen. Dat hij deelneemt aan een overgangsrite tussen deze en gene zijde.

Coetzee maakt het de arme Paul niet gemakkelijk. En, zou je denken bij zo’n literair spelletje, ook zijn lezer niet. Maar dat valt mee. Langzame man is gemakkelijk verteerbaar en levert desondanks voldoende foerage op voor de niet zo snel tevreden snuffellezer. Die kan bijvoorbeeld op zoek naar overeenkomsten in Coetzee’s voorlaatste roman, Elisabeth Costello.

Rayment wordt genadig in de tang genomen en wel meteen op de eerste bladzijde. De man, een gescheiden zestiger, wordt van de fiets gereden door een jonge scheurpiloot, raakt bewusteloos en als hij wakker wordt, staat de chirurg klaar met de zaag om zijn verbrijzelde been af te zetten. Wrokkig, narrig en het leven moe keert hij na een tijdje terug op zijn eenzame flat. Als een klein kind dat zijn zin niet krijgt, gaat hij zitten mokken en weigert hij zelfs een prothese. Het enige lichtpuntje in zijn leven wordt de verpleegster die dagelijks zijn stomp komt verzorgen. Hij wordt tot over zijn oren verliefd op de Kroatische Marijana. Maar de mollige moeder van drie kinderen piekert er niet over om haar man te bedriegen en voor Paul resteert niets anders dan een platonisch hunkeren. En om toch zo dicht mogelijk bij de vrouw te kunnen zijn, gaat hij zich manifesteren als een weldoener van de familie. De immigrantenfamilie, het verhaal speelt zich af in het Australische Adelaide, heeft problemen zat dus al gauw zit Paul opgescheept met fikse rekeningen. Zijn logeerkamer wordt ingepalmd door de zoon van Marijana, een puberjongen die van harde muziek houdt en louche vriendjes meebrengt.

Halverwege de roman komt de omslag en wordt het boek meer dan enkel het verslag van een man die, door het ongeluk wat vroeger dan normaal, moet wennen aan een andere levensfase. Er staat een oudere dame bij Paul op de stoep. Haar naam is Elisabeth Costello, schrijfster van beroep en voor het overige zijn haar afkomst en bedoelingen in nevelen gehuld. Wie het werk van de Nobelprijswinnaar kent, kent ook deze dame. Ze figureerde immers in de naar haar genoemde vorige roman van de Zuid-Afrikaan. Een schrijfster. Wat heeft ze in hemelsnaam te zoeken bij Paul Rayment? Hoewel ze dat zelf ook niet weet, meent ze wel dat het een soort van lotsbeschikking is en ze ziet het als haar taak Paul door een moeilijke periode heen te helpen. Het tweede deel van de roman kruipt voorbij terwijl Elisabeth en Paul voortdurend langs elkaar heen praten. Paul denkt dat Elisabeth hem als studieobject gebruikt voor een nieuwe roman. Ondertussen worden zijn problemen met de familie van zijn verpleegster alleen maar groter.

Uiteindelijk blijkt de plot toch vrij magertjes en gebouwd te zijn op misverstanden en vooroordelen. Blijft er dan meer over dan een roman over een zestiger die tot maatschappelijke hulpverlening is veroordeeld en aan den lijve het bureaucratische en bevoogdende karakter ervan ervaart? Coetzee zet in venijnige scènes de zorgsector behoorlijk in zijn hemd. De dagverpleegster – “Hoe gaat het vandaag met ons?” - Sheena die Paul in zijn flat achternazit met een po is meer dan enkel een hilarisch beeld. Als hij van haar afwil, moet hij twee maandsalarissen neertellen voordat haar beroepstrots weer is verzoend.

We zullen de diepte van deze roman niet moeten zoeken in het verhaal, maar in de vorm. Als halverwege een schrijvend personage uit het oeuvre van de auteur zelf aanklopt, dan wordt daarmee de literatuur zelf, het schrijven, thema. Misschien is Elisabeth Costello een alter ego van Coetzee, misschien is het een personage waar hij een meer dan gemiddelde sympathie voor heeft opgevat. Dat komt voor. Ze weet ook zelf niet goed wat ze in de roman komt doen en is dus een marionet in handen van de almachtige schrijver. Maar omdat ze zelf ook schrijfster is en alleen al door haar aanwezigheid, niet eens door haar daden, het verhaal een andere wending geeft, is ze net zo machtig als Coetzee zelf. Rayment zit halverwege de roman onbewust heel dicht bij die waarheid als hij Costello ervan beschuldigt de wereld als een marionettentheater te zien met haar als baas. Het levert een interessant experiment op. Het reduceert de schrijver tot een medium van een autonome, zich zelf schrijvende Literatuur. Volgens Elisabeth Costello worden er tijdens je slaap woorden in je oor gefluisterd. Dan heeft de Literatuur met Coetzee als medium geen slechte keuze gemaakt.

J.M. Coetzee, Langzame man, vertaald door Peter Bergsma, Uitg. Cossee, 284 blz, 19,50.


Nederig als een geslagen hond

J.M. COETZEE In ongenade

 

Door GEURT FRANZEN
David Lurie (52), hoogleraar in J.M. Coetzee's roman Disgrace, houdt er een eigenzinnige seksuele moraal op na. Dat hij zijn regelmatige gang naar de hoeren afwisselt met het verleiden van jonge studentes, doet hij af als een natuurlijk toegeven aan zijn instincten. Vergelijkt het met een reu die opgewonden raakt van een loopse teef. Als je die reu het dekken misgunt, zegt hij tegen zijn dochter, kun je hem net zo goed doodschieten. Nog geen uur later wordt zijn dochter door drie zwarten verkracht. Zijn geloof in de oerdriften, waarmee hij tot dan toe koketteerde, slaat snel om in een ontembare roep om gerechtigheid.
Seksuele intimidatie, verkrachting en geweld drukken op Disgrace het stempel van een zwartgallig, donker boek. Inderdaad, Coetzee schreef een beklemmende roman die zoveel indruk maakte dat hij vorige maand werd bekroond met de Bookerprize. Beklemmend, omdat het boek een ongepolijst beeld geeft van het huidige Zuid-Afrika. Een land in de greep van angst en geweld, in een cruciale ontwikkelingsfase: op zoek naar een balans tussen blank en zwart, terwijl de Apartheid nog lang niet vergeten en verwerkt is.
Literatuurwetenschapper Coetzee weet uiteraard hoe een goed boek geschreven moet worden. Disgrace is dan ook opnieuw een bewijs van vakmanschap: een meeslepende stijl zonder opsmuk, klassieke thema's die net niet te veel aandacht vragen, een transparante structuur met veel contrasten en spiegeleffecten en vooral... een aangrijpend verhaal.
Twee geschiedenissen vertelt Coutzee. Die van professor Lurie, die in opspraak komt als zijn verhouding met een studente uitkomt, en die van zijn dochter Lucy, die op een boerderijtje annex hondenasiel op het platteland zich staande houdt tegen de expansiedrift van haar zwarte buren.
Die twee kleine geschiedenissen zijn Coetzee's metafoor voor Zuid-Afrika's worsteling met heden en verleden. Coutzee laat ze midden in zijn boek, als een op maat geleverd scharnierstuk, in elkaar overvloeien. Dat is het moment dat Lurie's dochter wordt verkracht.
Daar krijgt niet alleen Lurie's seksuele moraal, maar ook zijn gevoel voor gerechtigheid een fikse opdonder. Zijn gevoel voor recht, dat van de westerse blanke, botst met dat van de zwarten op het platteland. Als zich een kans voordoet om de daders te pakken, houdt zijn dochter dat tegen. Zij heeft de verhoudingen beter begrepen. 'In een andere tijd, op een andere plaats' zou haar vader misschien gelijk hebben. Maar, zegt ze, "dit is Zuid-Afrika". Ze laat zich nog verder vernederen. Alsof ze in haar eentje de schuld van de eeuwenlange blanke overheersing in Zuid-Afrika op haar schouders moet nemen. "Misschien is dat wel een goed beginpunt. Met niets opnieuw beginnen (...) zonder rechten, zonder enige waardigheid (...) als een hond", zegt ze.
Lucy's nederige houding staat in schril contrast met die van haar vader. Die wilde zelfs geen knieval maken voor de commissie die hem van seksuele intimidatie beschuldigde. Schuld bekennen, okè, maar berouw tonen en excuses maken, dat ging Lurie te ver. Uiteindelijk maakt zijn halsstarrigheid toch plaats voor nederigheid. En hoe. Hij gaat niet alleen op de knieën voor de moeder van het meisje dat hij misbruikte. Mentaal is zijn knieval nog veel dieper. Nederiger dan een geslagen hond geeft hij aan het eind alles op. Alles? Bijna alles. Alleen de kunst, de poëzie, blijft hij trouw. Want kunst doet overleven. 
J.M. Coetzee, Disgrace , Secker & Warburg, 220 blz, f49,95; In ongenade, 160 blz, f39,90.

 


Talent voor doffe, eerlijke ellende

 

J.M. Coetzee PORTRET VAN EEN JONGEMAN

Door GEURT FRANZEN
Niet zelden blijkt ellende de beste voedingsbodem voor het ware kunstenaarschap. Maar vanzelfsprekend is het niet. Er zijn misschien wel even veel kunstenaars te vinden die tot bloei zijn gekomen onder prettige leefomstandigheden als kunstenaars die eerst de hel van binnen moesten aanschouwen eer het gerespecteerde kunstenaarschap ze ten deel viel. De jonge John in J.M. Coetzee's nieuwe roman Portret van een jongeman - alles duidt op een biografische schets - koestert nog wel het romantische ideaal van de kunstenaar die recht op ontbering heeft. "Ellende staalt je voor de toekomst. Ellende is een leerschool voor de ziel," zo houdt hij zich voor.
Hij zou het zo graag zijn, de student uit Kaapstad: een echte dichter, een befaamd schrijver. Het is echter met de meeste moeite dat hij enige regels op papier krijgt. En als hij ze voorleest op de voordrachtavond van de Poetry Society, bijvoorbeeld een regel als "de woedende golven van mijn incontinentie", wordt hij er fijntjes op gewezen dat zijn woordkeus toch wel heel ongelukkig is. De poëtische sensatie valt immers moeilijk op te roepen met associaties aan urineverlies en ziekenhuisopname. Dat zijn de momenten waarop John terugvalt in berusting, in adoratie van grote dichters die ook veel weerstand ontmoetten of troost zoekt in zijn mantra: ik heb alleen maar talent voor doffe, eerlijke ellende.
Moeten we medelijden krijgen met deze Zuid-Afrikaanse wiskundestudent, die, in Kaapstad en wat later, begin jaren zestig, in Londen eenzaam zijn weg baant door de misère die leven heet? Niet doen. Het joch doet het zichzelf aan.
Dit is een somber boek. Maar dat zijn we gewend bij Coetzee. De naargeestige sfeer van zijn vorige roman, In ongenade (Disgrace), slaat ons direct om de oren als we kennismaken met de wiskundestudent. Het harde, eenzelvige en egocentrische karakter van de student doet denken aan de in ongenade gevallen hoogleraar in Disgrace, die door een heel diep dal moest om te beseffen dat hij niet de enige op deze wereld is.
De student woont heel bewust op zichzelf en trekt van bijbaantje naar schnabbel om zich financieel staande te kunnen houden.Van zijn ouders wil hij niets weten; hij beschouwt ze als ballast. Het kunstenaarschap is zijn doel. Op weg ernaartoe zal hij De Ware Liefde tegenkomen, denkt hij. Tot het zover is, gebruikt hij meisjes alsof het wegwerpproducten zijn. Als hij er een zwanger maakt en met een abortus wordt geconfronteerd of bij een ander te laat ontdekt dat ze nog maagd is, is medeleven ver te zoeken. Enkel weerzin voor de bloederige situaties waarin hij geraakt. "Er zit bloed op de lakens, zijn hele lichaam zit onder het bloed. Ze hebben zich - hij stelt het zich vol walging voor - als varkens in het bloed gewenteld."
De dames in kwestie worden snel gedumpt en de precaire kwesties zelf krijgen van hem gauw het etiket van 'noodzakelijke ontberingen' opgeplakt, ontberingen die hij zich nu eenmaal moet getroosten om tot het ware kunstenaarschap door te dringen.
Na de abortus is John heel even te betrappen op iets dat je empathie zou kunnen noemen. Dat medeleven gaat echter niet uit naar het meisje in kwestie, maar naar de ongeboren vrucht. "... dat erwtje van vlees, dat rubberachtige poppetje. Hij ziet het schepseltje dat door het toilet van het huis in Woodstock is gespoeld, door de doolhof van rioolpijpen is getuimeld en uiteindelijk in ondiepe zee is geloosd, met zijn oogjes knipperend tegen de plotselinge zon en vechtend tegen de golven die het de baai in zullen voeren." Kijk, talent voor schrijven heeft de jonge John wel degelijk. Het moet alleen nog ontdaan van vals sentiment en pathetiek. 
Als Kaapstad hem te benauwd wordt - rassenonlusten steken de kop op en hij vreest een oproep voor militaire dienst - vertrekt hij naar Londen. De Britse hoofdstad mag dan koud en ongenaakbaar zijn, achter die afschrikwekkende muren vermoedt hij "mannen en vrouwen bezig met het schrijven van boeken, het maken van schilderijen, het componeren van muziek. Elke dag kom je hen tegen op straat zonder hun geheim te raden, vanwege de beroemde en bewonderenswaardige Britse gereserveerdheid." Zo naïef is deze jongen.
Zijn verblijf in het naargeestige Engeland heeft niet het louterende, maar opent hem wel de ogen. Veel verder dan computerprogrammeur komt hij niet. En De Ware Liefde kijkt ook nog steeds de verkeerde kant op; zelfs omstandig met een dichtbundel in de metro gaan zitten blijft zonder resultaat. Zodat hij uiteindelijk concludeert dat zijn mislukking als schrijver en zijn mislukking als minnaar nauw verwant zijn. Want hij is bang. Bang voor het schrijven en bang voor de vrouwen.
Als we de laatste bladzijde omslaan, laten we de hoofdpersoon eenzaam achter in een diep dal. Laat de ziekenbroeders maar komen, zegt hij. Er is één troost. Als deze John inderdaad het alter ego van John Coetzee in zijn jonge jaren is, dan komt het wel goed.
J.M. Coetzee, Portret van een jongeman, Uitgeverij Cossee, 208 blz, 18,90 euro.


Een schrijfster op leeftijd ontdekt de moraal

J.M. COETZEE ELIZABETH COSTELLO

Door GEURT FRANZEN
J.M. Coetzee heeft zijn nieuwe roman niet in één mal gegoten. Een allegaartje aan stijloefeningen lijkt het, die pas bij nadere beschouwing - zoals elke Coetzeeroman verdient ook Elizabeth Costello nadere beschouwing - verband tonen.
Het eerste hoofdstuk bijvoorbeeld heeft nog het meest weg van scènes uit een toneelstuk die door een toeschouwer achteraf worden naverteld. Of je ziet een regisseur voor je die zijn cast een nieuw toneelstuk presenteert. Er staan commentaren en toevoegingen in als deze: "In het restaurant speelt zich een voornamelijk uit dialoog bestaande scène af, die we zullen overslaan."
Andere hoofdstukken hebben een ander perspectief of zijn een brief uit de zeventiende eeuw of de tekst van een lezing. Coetzee heeft voldoende lijm aangebracht tussen de verschillende delen om ze uiteindelijk een eenheid te laten zijn. Er is één hoofdpersoon, dat is duidelijk. Dat is Elizabeth Costello, een 66-jarige Australische schrijfster. Er is nog een overeenkomst en die schuilt in de handelingen. Costello reist de wereld over, om lezingen te houden of om ernaar te luisteren. En uit de inhoud van die lezingen, indirect gepresenteerd, zal de lezer Coetzee's literaire boodschap moeten extraheren. Veel succes.
De 66-jarige schrijfster teert op oude roem. Al wil ze dat zelf niet bevestigd zien. Steeds als men haar aankondigt bij een lezing, wordt ze de schrijfster van een jeugdwerk genoemd, een boek dat destijds veel stof deed opwaaien en waar ze direct wereldberoemd mee werd. The House on Eccles Street, zo heet het boek, waarin Marion Bloom figureert, een personage uit James Joyce's magistrale werk Ulysses.
Ooit stond ze bekend als een recalcitrante schrijfster die haar lezerspubliek met graagte shockeerde. Zoals haar zoon haar portretteert: "(...) ze is volstrekt geen schrijfster die troost biedt. Ze is zelfs wreed, op een manier waarop vrouwen dat kunnen zijn, maar waartoe mannen zelden het lef hebben." Hij vergelijkt haar zelfs met een grote kat die, als ze de ingewanden uit haar slachtoffer trekt even pauzeert en je, over de opengereten buik heen, met koude, gele ogen aanstaart.
Nu is ze oud en zelfs der dagen zat. Hoewel pas 66, beschouwt ze zichzelf in haar nadagen, meent ze dat elke dag haar laatste kan zijn. Wat interessanter is voor ons, is dat met haar leeftijd ook een zachtheid in haar karakter lijkt te zijn binnengetreden. En een cruciale metamorfose is deze: de vrijgevochten schrijfster van weleer is een moralist geworden.
Niet dat haar moraal een rechtlijnige is, keurig gefundeerd en door dik en dun volgehouden. Daar is ze te onzeker voor. Er is een scène in het boek waarin ze zelfs diep door het stof gaat om datgene wat ze in een lezing wil gaan zeggen, bij voorbaat alvast te nuanceren. Een belangrijke scène, vooral vanwege de moraal die ze daarin verkondigt en de transparante wijze waarop Coetzee schetst hoezeer ze ermee worstelt. In Amsterdam geeft ze een lezing waarin ze zich afzet tegen een boek van een collega. Die heeft minutieus beschreven hoe de daders van een mislukte aanslag op Hitler door hun beulen worden geëxecuteerd. Costello was geschokt geweest toen ze het las. Dit waren "scènes die het daglicht niet kunnen verdragen, waarvoor de ogen van maagden en kinderen dienen te worden afgeschermd." De stelling die ze in haar lezing poneert, is deze: "Kan iemand zo diep het naziwoud van gruwelen in dwalen als deze schrijver heeft gedaan en daar ongeschonden uit tevoorschijn komen? Hebben wij eraan gedacht dat de ontdekkingsreiziger die zich dat woud in laat lokken, door die ervaring misschien niet beter en sterker zal worden, maar slechter?"
Dat is nogal wat voor een schrijver om te beweren. Dat je fantasie - geen schrijver kan zonder - op morele gronden aan beperkingen onderhevig zou moeten zijn. Alsof wie het gruwelijke verzint door het gruwelijke zou worden aangetast en vervolgens zelf tot het plegen van het gruwelijke in staat zou zijn.
Gelukkig is Coetzee's spreekbuis een twijfelaar. Die ontdekt dat de moraal ooit je pad zal kruisen en je niet onberoerd verder zal laten gaan. Dat de moraal, welke inhoud die ook heeft, geen blauwdruk voor het leven is. Daarmee wordt het verhaal van het moraal teruggebracht tot menselijke proporties en ook de schrijver zelf weer een mens van vlees en bloed.
Geen makkelijk boek, dit Elizabeth Costello. Het ontbreken van een concreet plot en de ... van de verhaallijn maakt het lezen niet tot een aangenaam tijdverdrijf. Coetzee zet je echter aan het denken en brengt de balans tussen fictie en moraal weer eens heerlijk aan het wankelen. Dat is de moeite waard om te beleven.
J.M. Coetzee, Elizabeth Costello, Uitgeverij Cossee, 217 blz, 22,95 euro.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


J.M. Coetzee

Langzame man


 

J.M. Coetzee

In ongenade


J.M. Coetzee

Portret van een jongeman


J.M. Coetzee

Elizabeth Costello


Fragment 


J.M. Coetzee